(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans
Het Beroepsinstituut van boekhouders (BIB) werd opgericht bij het koninklijk besluit van 19 mei 1992, genomen ter uitvoering van een kaderwet van 1 maart 1976 in een materie waarvoor u bevoegd bent. Deze werd dan bekrachtigd met de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen.
Deze laatste wet stelt het wettelijk beroepsstatuut van de belastingconsulenten vast. Honderden gegadigden hebben een dossier ingediend om opgenomen te worden op het tableau van de belastingconsulenten, dat wordt beheerd door het Instituut van de accountants en de belastingconsulenten (IAB).
Onder de aanvragers van de thans beschermde titel van belastingconsulent telt men een aantal leden van het BIB met een diploma rechten.
Volgens het BIB kan iemand niet tegelijkertijd boekhouder BIB zijn en belastingconsulent IAB. Het is mij niet duidelijk op welke wetsbepaling het BIB zich daarbij beroept.
Dat neemt niet weg dat het BIB het ontslag van zijn leden niet aanvaardt wanneer ze zodoende de onverenigbaarheid willen opheffen, tenzij ze een « déclaration sur l'honneur » ondertekenen. Dat is volgens mij een netelige kwestie en daarover gaat mijn vraag.
Wat nu betreft deze « déclaration sur l'honneur » en het begeleidend schrijven, die samen een document vormen, wens ik het volgende te vernemen :
1. zijn deze documenten verenigbaar met de letter en de geest van de wet van 22 april 1999 ?
2. zijn ze voorts verenigbaar met het beginsel van de scheiding der machten ? Het is immers zonneklaar dat het BIB zich prerogatieven van de rechterlijke macht toe-eigent, meer bepaald die van het openbaar ministerie, om iemand te vervolgen die een beroepsarbeid uitvoert zonder dat de wet hem zulks toestaat.
3. zijn deze documenten ten slotte verenigbaar met het beginsel van het vrij verkeer van diensten binnen de Europese Unie, als vastgesteld in het Verdrag van Rome en verruimd in de daarop volgende verdragen ?
Antwoord : Met de vraag van het geachte lid worden twee problemen aangekaart : het eerste heeft betrekking op de door het Instituut van de accountants en de belastingsconsulenten (IAB) gedecreteerde onverenigbaarheid tussen de hoedanigheid van belastingconsulent IAB en die van de boekhouder-fiscalist BIBF, het tweede slaat op de verklaring op eer en de begeleidende brief die door het Beroepsinstituut van erkende boekhouders en fiscalisten (BIBF) aan zijn ontslagnemende leden werden voorgeschreven.
1. Een bepaald aantal boekhouders-fiscalisten BIBF aan wie het recht werd geweigerd om ook de titel van belastingconsulent IAB te voeren, zonder ontslag te nemen uit het BIBF, hebben bij de bevoegde gerechtelijke instanties, bevoegd om zich uit te spreken over de wettelijkheid van de houding van het IAB, een procedure ingesteld.
2. Aangezien de beroepsactiviteiten van boekhouder een monopolie vormen voor de leden van het BIBF, met als enige uitzondering de bedrijfsrevisoren en de accountants, kan men begrijpen dat dit instituut er wil voor instaan dat zijn ontslagnemende leden het op onwettige wijze gereglementeerde beroep niet willen blijven uitoefenen.
Ik herinner eraan dat, overeenkomstig artikel 45 van de wet van 22 april 1999, artikel 7, van de kaderwet van 1 maart 1976 tot reglementering van de bescherming van de beroepstitel en van de uitoefening van dienstverlenende intellectuele beroepen, van toepassing is op het BIBF, § 1, derde lid, punt 1, van ditzelfde artikel 7, belast met name de Nationale Raad van het instituut met de opdracht erop toe te zien dat de voorwaarden inzake toegang tot het beroep worden nageleefd.