Vragen en Antwoorden

Belgische Senaat


Bulletin 2-22

ZITTING 1999-2000

Vragen waarop niet werd geantwoord binnen de tijd bepaald door het reglement
(Art. 66 van het reglement van de Senaat)

(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans


Vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid

Vraag nr. 786 van mevrouw Cornet d'Elzius d.d. 19 juli 2000 (Fr.) :
Bedrag werkloosheidsvergoeding lager dan bestaansminimum. ≠ Opleidingsvergoeding.

Graag verneem ik uw mening over het volgende probleem :

Naar het schijnt zou een uitkeringsgerechtigde werkloze, die minder ontvangt dan het bestaanminimum, die een opleiding volgt en een opleidingsvergoeding ontvangt die meer bedraagt dan het aanvullend bestaansminimum (abonnement inbegrepen), sedert juli 1998 geen recht meer hebben op het aanvullend bestaansminimum bij zijn werkloosheidsvergoeding. Vanaf dat jaar heeft de overheid de zaak anders aangepakt.

Het OCMW krijgt dan de toelage voor het aanvullend bestaansminimum niet omdat artikel 5, dat handelt over de invloed van de bestaansmiddelen, bepaalt dat die bestaansmiddelen niet in aanmerking komen voor de berekening van het bestaansminimum.

Voor de integratie van de betrokkenen brengt dat ernstige problemen mee.

Enerzijds bestaat er een duidelijke discriminatie tussen personen die het volledige bedrag van het bestaansminimum ontvangen of een werkloosheidsvergoeding die dat bedrag overschrijdt, en personen die een werkloosheidsvergoeding ontvangen met een aanvullend bedrag van het bestaansminimum.

Immers, bij een opleiding met terugbetaling, hebben de eerste twee categorieŽn er recht op bovenop hun inkomen, maar voor de laatste categorie zou die in aanmerking moeten komen bij de berekening van het toe te kennen bestaansminimum. Ik hoef niet te zeggen tot welke moeilijkheden dat kan leiden wanneer verschillende soorten stagiairs elkaar in een opleidingscentrum tegen het lijf lopen ...

Anderzijds weten tal van OCMW's niet hoe de regeling wordt toegepast. Ze zouden de terugbetaling kunnen vorderen van personen die een opleiding volgen of ze reeds achter de rug hebben.

Ook hier hoef ik niet te zeggen hoe de stagiairs zullen reageren. Een aantal onder hen volgt thans een opleiding bij de middenstand, het BVA, het OISP, het AWIPH, het FOREM, enz. Ze ontvangen een opleidingsvergoeding waarmee ze extra uitgaven kunnen doen voor het reinigen van kleren (tijdens een opleiding worden de kleren vlugger vuil), voor voeding (wie actief leeft eet meer), of voor de aankoop van allerhande voor de opleiding nodige voorwerpen (koffiethermosflessen, wekker, enz.).

Naar het zich laat aanzien komt daar nog bij dat er geen rekening wordt gehouden met de opleidingsvergoeding wanneer het OCMW die betaalt. Volgens artikel 5 komt die niet in aanmerking bij de berekening van het bestaansminimum. Betaalt een andere instelling de vergoeding, dan komt deze echter wel in aanmerking.

Voorts is het zo dat wanneer iemand een beroepsopleiding volgt nog voor hij het bestaansminimum aanvraagt, de opleidingsvergoeding volgens artikel 23bis toch in aanmerking komt.

Een dergelijke handelwijze komt neer op het bestraffen van wie nog voor hij recht heeft op het bestaansminimum, bereid is te werken, zoals de wet tot instelling van het recht op een bestaansminimum van hem verwacht behalve wanneer de betrokkene redenen van gezondheid of billijkheid kan aanvoeren.

Het lijkt me het meest aangewezen in het eerste geval de opleidingsvergoeding op te nemen in artikel 5 (invloed van de bestaansmiddelen) en in het tweede geval te vermelden dat de aanvangsdatum van de beroepsopleiding geen invloed heeft op de toepassing van artikel 23bis.

Indien mijn informatie klopt, lijkt het raadzaam de thans geldende regeling onder de loep te nemen om de sociaal-professionele integratie zo mogelijk nog vlotter te laten verlopen.

Kunt u me meedelen of deze problematiek reeds onderzocht is.