2-441/3

2-441/3

Belgische Senaat

ZITTING 1999-2000

5 JULI 2000


Wetsvoorstel tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek, met het oog op de oprichting van een algemene vergadering van vrederechters en rechters in de politierechtbank


VERSLAG

NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE JUSTITIE UITGEBRACHT DOOR MEVROUW TAELMAN


De commissie voor de Justitie heeft dit wetsvoorstel besproken tijdens haar vergadering van 5 juli 2000.

I. INLEIDENDE UITEENZETTING DOOR DE INDIENER VAN HET WETSVOORSTEL

De wet van 22 december 1998 (Belgisch Staatsblad van 2 februari 1999 en van 10 februari 1999), de eerste van de twee Octopus-wetten, stelt het evaluatiesysteem voor magistraten in ter uitvoering van artikel 151 van het Gerechtelijk Wetboek. Deze wet bevestigt het principe dat de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg de korpschef is van de vrederechters en de rechters in de politierechtbank voor de toepassing van deze titel van het Gerechtelijk Wetboek (artikel 186bis van het Gerechtelijk Wetboek).

Anderzijds had de wet van 17 februari 1997 (Belgisch Staatsblad van 30 april 1997) met betrekking tot het personeel van de griffies en de parketten, het begrip magistraat-korpschef reeds ingevoerd in dezelfde titel in verband met het advies, in te winnen door de minister van Justitie voor de benoeming van de hoofdgriffier (artikel 287bis van het Gerechtelijk Wetboek).

Artikel 259decies van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd door de eerste Octopus-wet van 22 december 1998, voorziet in de evaluatie van de magistraten door de korpschef en twee magistraten, verkozen door de algemene vergadering.

De vrederechters en de rechters in de politierechtbank behoren niet tot de rechtbank van eerste aanleg en hun opname op het niveau van de rechtbank van eerste aanleg in een algemene vergadering is geenszins gewettigd. Er bestaat overigens een ernstig probleem van discriminatie, bijvoorbeeld voor de evaluatie van de ene rechter in de politierechtbank, beoordeeld door de korpschef alleen, en de andere door een college van magistraten, wanneer dit rechtscollege vijf of meer leden telt.

Daarenboven mag niet uit het oog verloren worden dat de magistraten, die zetelen in de rechtbank van eerste aanleg, de appelrechters zijn van de vrederechters en de rechters in de politierechtbank. De onafhankelijkheid van de eerstelijnsrechters komt in het gedrang door het toevertrouwen van hun evaluatie aan de appelrechter.

Ten slotte is het volledige systeem op zich discriminerend aangezien alle andere magistraten door hun gelijke worden geëvalueerd (Hof van Cassatie, hof van beroep, rechtbank van koophandel, arbeidsrechtbank en rechtbank van eerste aanleg).

Gelet op hun specifiteit dienen de eerstelijnsrechters, zowel de vrederechter als rechter in de politierechtbank, een eigen algemene vergadering te hebben.

Daar deze kleine entiteiten geen korpschef hebben, is het aangewezen dat één onder hen wordt benoemd tot voorzitter van de algemene vergadering van vrederechters en rechters in de politierechtbank.

Deze idee is gerijpt tijdens een ruime consultatie van alle vrederechters en rechters in de politierechtbank in de schoot van de Think-Tank, een reflectie-initiatief van het Koninklijk Verbond der vrede- en politierechters in de loop van zijn vergaderingen te Leuven in 1999.

Het rechtsgebied van het hof van beroep is het ideale platform om de algemene vergadering te houden. Dit platform verzamelt een redelijk groot aantal magistraten binnen een normale structuur, die gewoon zijn zich op elkaar af te stemmen voor permanente vorming en voor de toepassing van de wetgeving.

De algemene vergadering van vrederechters en rechters in de politierechtbank is ook het ideale platform voor de evaluatie van de leden-magistraten van deze algemene vergadering. Deze evaluatie dient te gebeuren door een college, voorgezeten door de voorzitter en twee leden van de algemene vergadering, waarvan minstens één vrederechter of rechter in de politierechtbank is.

Doelstelling en prioriteiten van de algemene vergadering

1. Een gemeenschappelijke algemene vergadering van vrederechters en rechters in de politierechtbank

Deze eerstelijnsrechters hebben door hun eerstelijnsfunctie een gemeenschappelijke maatschappelijke opdracht, die een specifieke aandacht wettigt. Voor de burger vormen deze magistraten het uitstalraam van Justitie.

De meeste burgers komen vaak enkel met deze eerstelijnsrechter in contact.

Deze opdracht vergt een eigen aanpak en een eigen deontologie, gericht op dienstverlening in rechtstreeks contact met de burger.

2. Het rechtsgebied van het hof van beroep

Dit criterium bevat een voldoende aantal magistraten binnen een normale hiërarchische orde.

Dit niveau doorbreekt elk arrondissementeel en kantonnaal particularisme. In een overgangsperiode kan gedacht worden aan een alternerend arrondissementele vertegenwoordiging van voorzitter en evaluatoren.

3. De bevoegdheden en doelstellingen van de algemene vergadering

1. Een algemene bevoegdheid, bepaald in artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd door de Octopus-wet van 22 december 1998, die onder meer omvat :

Het opstellen van een verslag en het formuleren van voorstellen vóór 15 oktober van elk jaar, over de werking van het rechtscollege, waarvan de leden deel uitmaken van de algemene vergadering. Dit verslag en deze voorstellen dienen uiteraard alleen betrekking te hebben op zaken van algemeen belang, en niet op problemen die eigen zijn aan ieder rechtscollege afzonderlijk. Dit verslag dient te worden overgezonden aan de Hoge Raad voor Justitie overeenkomstig artikel 340, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek.

2. De verkiezing van de magistraten, die belast zijn met de evaluatie, en hun plaatsvervangers.

Met dit voorstel wordt een knelpunt van de nieuwe Octopus-wet in verband met de evaluatie van de eerstelijnsmagistraten opgelost. Het staat immers vast dat deze nieuwe wetgeving in artikel 259decies, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek discrimatoir is, vermits de kleine entiteiten uitsluitend geëvalueerd worden door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, terwijl de andere magistraten geëvalueerd worden door een college van evaluatoren, bestaande uit de voorzitter en twee verkozen evaluatoren.

3. De algemene vergadering kan de noodzakelijke ondersteuning bieden om op een economisch verantwoorde wijze de materiële middelen op het niveau van het rechtsgebied van het hof van beroep te coördineren (bijvoorbeeld informatica, bibliotheek), aangepast aan de specifieke noden van de eerstelijnsrechter.

4. De algemene vergadering zou een belangrijke taak kunnen vervullen op het niveau van coördinatie van preventiebeleid en conflictbeheersing tussen de leden van deze vergadering.

5. Belangrijk is ook de rapporteringsfunctie aan de bevoegde overheden. Deze functie is tweeledig.

II. ALGEMENE BESPREKING EN ARTIKELSGEWIJZE BESPREKING

Over de connexiteit met het wetsontwerp tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek, van de wet van 22 december 1998 tot wijziging van sommige bepalingen van deel II van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de Hoge Raad voor de Justitie, de benoeming en aanwijzing van magistraten en tot invoering van een evaluatiesysteem en van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken (Stuk Senaat, nr. 2-477/1) : zie Stuk Senaat, nr. 2-477/3.

Artikel 3

De heer Vandenberghe dient een amendement in (Stuk Senaat, nr. 2-477/2, amendement nr. 1) dat ertoe strekt artikel 186bis te vervangen. Het heeft inderdaad geen zin artikel 186bis volledig te doen vervallen. Het tweede gedachtestreepje, dat te maken heeft met de termijnen, moet niet worden geschrapt.

Artikel 6

De regering dient een amendement in (Stuk Senaat, nr. 2-477/2, amendement nr. 5) teneinde duidelijk te stellen dat het aanwijzingsdossier van de voorzitter van de algemene vergadering van de vrederechters en de rechters in de politierechtbank geen beleidsplan hoeft te bevatten. Deze voorzitter heeft immers uitsluitend de hoedanigheid van korpschef met het oog op de evaluatie. In die optiek is het weinig zinvol om van hem te eisen dat hij een beleidsplan opstelt.

Artikelen 9 en 10

De heer Vandenberghe dient amendementen nrs. 2 en 3 in teneinde deze artikelen te doen vervallen (Stuk Senaat, nr. 477/2). De erin vervatte problematiek wordt immers geregeld door het wetsontwerp nr. 2-477/1.

Artikel 14bis (nieuw) (artikel 14 van de aangenomen tekst)

De regering dient een amendement nr. 6 in (Stuk Senaat, nr. 477/2) waarbij de woorden « zes maanden » in het voorgestelde artikel 105, eerste lid, van de wet van 22 december 1998 worden vervangen door de woorden « een jaar ». Als de voorzitter van de algemene vergadering van de vrederechters en de rechters in de politierechtbank eerst nog moet worden aangewezen dan is de initieel in artikel 105, eerste lid, vooropgestelde timing niet haalbaar.

Artikel 16 (nieuw) (artikel 15 van de aangenomen tekst)

De heer Vandenberghe dient een amendement nr. 4 in (Stuk Senaat, nr. 477/2) dat de inwerkingtreding van de artikelen 2 tot en met 7 en de artikelen 11 tot en met 13 (artikelen 2 tot en met 7 en artikelen 9 tot en met 11 van de aangenomen tekst) op uiterlijk 2 augustus 2000 bepaalt.

Dit is een signaal naar de Kamer toe dat de Senaat wenst dat voorliggend voorstel gelijktijdig wordt behandeld met het wetsontwerp 2-477/1, en gelijktijdig in werking treedt.

De indiener verwijst naar artikel 18 van het wetsontwerp nr. 2-477/1 dat een inwerkingtreding voor sommige artikelen bepaalt op 1 januari 2000. Er kan dus geen beletsel zijn hier de inwerkingtreding vast te stellen op 2 augustus 2000.

Stemmingen

De artikelen 1, 2 en 4 tot en met 6 worden eenparig aangenomen door de 12 aanwezige leden.

Het amendement nr. 1 op artikel 3, dat dit artikel vervangt, wordt eenparig aangenomen door de 12 aanwezige leden.

Het amendement nr. 5 op artikel 6 wordt eenparig aangenomen door de 10 aanwezige leden.

De artikelen 7 en 8 worden eenparig aangenomen door de 11 aanwezige leden.

De amendementen nrs. 2 en 3 worden eenparig aangenomen door de 12 aanwezige leden.

Hierdoor vervallen de artikelen 9 en 10.

De artikelen 11 tot en met 15 (artikelen 9 tot en met 12 en 14 van de aangenomen tekst) worden eenparig aangenomen door de 12 aanwezige leden.

Het amendement nr. 4 tot invoeging van een artikel 16 (artikel 15 van de aangenomen tekst) wordt eenparig aangenomen door de 12 aanwezige leden.

Het amendement nr. 6 tot invoeging van een artikel 14bis (artikel 14 van de aangenomen tekst) wordt eenparig aangenomen door de 10 aanwezige leden.

III. EINDSTEMMING

Het geamendeerde wetsvoorstel in zijn geheel is eenparig aangenomen door de 10 aanwezige leden.

Vertrouwen werd geschonken aan de rapporteur voor het uitbrengen van een mondeling verslag in plenaire vergadering.

De rapporteur,
Martine TAELMAN.
De voorzitter,
Josy DUBIÉ.