(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans
Krachtens artikel 253, 3º, van het WIB genieten intercommunale verenigingen waarop de wet van 22 december 1996 van toepassing is, vrijstelling van onroerende voorheffing.
Neemt men artikel 253, 3º, van het WIB en artikel 159, 8º, van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten samen, dan bewaart een gebouw opgetrokken op een terrein van een intercommunale wat betreft de BTW en de registratierechten zijn hoedanigheid van nieuw opgericht gebouw tot 31 december van het jaar volgend op de eerste inkohiering inzake de onroerende voorheffing.
Door die vrijstelling geschiedt de eerste inkohiering van de onroerende voorheffing eerst na tien jaar terwijl dat voor gewone belastingplichtigen geschiedt tijdens het jaar volgend op dat van de eerste bewoning.
Deze voorkeurbehandeling roept een probleem van oneerlijke concurrentie op tegenover vennootschappen van onroerende leasing. Deze kunnen immers niet dezelfde interessante voorwaarden bieden omdat hun klanten niet vrijgesteld zijn van de onroerende voorheffing en niet-terugvorderbare registratierechten verschuldigd zijn wanneer de optie bij het beëindigen van de leasingovereenkomst wordt gelicht.
Ik verneem dat een aantal intercommunales beslist heeft via onroerende leasing over te gaan tot financieringsactiviteiten. De leasingtechniek en de belastingvoordelen van de intercommunales maken samen een tweevoudige vrijstelling mogelijk. Dat is uiterst aantrekkelijk en vormt mijns inziens een geval van verkeerd gebruik van de belastingvoordelen van intercommunales.
Een gewone leasingvennootschap uit de particuliere sector kan dat belastingvoordeel nooit halen. Zo hebben zij reeds verscheidene overeenkomsten kwijtgespeeld.
Als minister van Financiën vallen intercommunale verenigingen niet onder uw bevoegdheid en daarom wil ik u niet overstelpen met vermaningen. Al evenmin richt ik mij tot uw collega, de minister van Economische Zaken, omdat de gewesten in deze ruimschoots bevoegd zijn.
Wel wil ik u verzoeken na te gaan of er een verlaagd tarief inzake registratierechten kan gelden wanneer de optie wordt gelicht bij het beëindigen van de onroerende leasing op basis van het loutere bedrag van de optieprijs in plaats van de verkoopwaarde zoals thans gebeurt.
Antwoord : Wanneer bij het einde van het contract van onroerende leasing de leasingnemer beslist de zakelijke rechten van de leasinggever met betrekking tot een in België gelegen onroerend goed te verwerven, houdt de verrichting een onroerende eigendomsoverdracht in, die in het toepassingsgebied valt van artikel 44 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten.
Het recht van 12,50 % wordt geheven op de in het leasingcontract bepaalde te betalen som, dat wil zeggen op de conventionele waarde, de primaire heffingsgrondslag voorzien door voornoemd wetboek.
Bij toepassing van artikel 46 van hetzelfde wetboek mag de belastbare grondslag evenwel in geen geval lager zijn dan de verkoopwaarde, de subsidiaire heffingsgrondslag voorzien door hetzelfde wetboek. Door een beroep te doen op het begrip verkoopwaarde beoogde de wetgever het waarborgen van een zekere objectiviteit bij de vaststelling van de belastbare grondslag. Enkel de prijs van de optie weerhouden als belastbare grondslag zou dus deze objectiviteit in gevaar brengen.