(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans
Ik meen te weten dat inzake inkomstenbelastingen alle gemeenrechtelijke bewijsmiddelen toegelaten zijn met uitzondering van de eed.
Wanneer een vennootschap het verlies van een schuldvordering aanvoert om de belastinggrondslag te doen verlagen, vraagt de administratie der Directe Belastingen systematisch om een bewijs van het faillissement van de schuldenaar en van het verlies van de schuldvordering afgegeven door de faillissementscurator.
Deze eis lijkt me arbitrair, onredelijk en strijdig met de jurisprudentie. Arbitrair, omdat de belastingdiensten niet zomaar voorwaarden kunnen toevoegen aan de wettelijke voorwaarden. Onredelijk, omdat de ongelukkige schuldeiser in vele gevallen dit soort « bewijs » onmogelijk kan leveren :
wanneer de schuldenaar geen handelaar is (natuurlijke persoon die geen handelaar is, VZW, vreemde Staat, enz.);
wanneer de schuldenaar verdwenen is, zonder het adres van zijn woonplaats of zetel achter te laten;
wanneer de in gebreke blijvende schuldenaar-natuurlijke persoon overleden is en zijn vermoedelijke erfgenamen allen de erfenis verwerpen;
wanneer de kosten van de dagvaarding van de schuldenaar voor de rechter hoger oplopen dan het bedrag van de schuldvordering;
wanneer de schuldenaar-natuurlijk persoon kennelijk volledig onvermogend is (wanneer hij uitsluitend van OCMW-bijstand leeft).
Strijdig met de jurisprudentie, want deze (zie hof van beroep van Brussel, 16 november 1992, « Journal de droit fiscal » 1983, blz. 177) aanvaardt dat het verlies van de schuldvordering kan worden afgeleid uit ernstige vermoedens en alleen daaruit.
Denkt de geachte minister niet dat de beschreven houding van de belastingdiensten tot vele bezwaarschriften leidt die makkelijk kunnen worden voorkomen gesteld dat de belastingdiensten deze voor de belastingplichtigen onaanvaardbare eis laten varen ? Zal de geachte minister nieuwe richtlijnen geven aan zijn diensten om deze situatie recht te zetten ?
Antwoord : Rekening houdend met de formulering van de vraag, veronderstel ik dat het geachte lid het geval beoogt van een zeker en definitief verlies op een schuldvordering.
In het onderhavige geval moet de schuldeiser de echtheid en het bedrag van het verlies op de schuldvordering verantwoorden door middel van bewijsstukken of, ingeval dit niet mogelijk is, door alle andere door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen, met uitzondering van de eed.
Het administratief standpunt terzake wordt uiteengezet in de nummers 24/118, tweede en derde lid, 48/12 en 49/19 tot 22 van de Commentaar op het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.