2-468/1 | 2-468/1 |
9 JUNI 2000
Artikel 219 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen (WIB 1992) bepaalt :
« Een afzonderlijke aanslag wordt gevestigd op kosten vermeld in artikel 57 die niet worden verantwoord door individuele fiches en een samenvattende opgave, alsmede op de verdoken meerwinsten die niet onder de bestanddelen van het vermogen van de vennootschap worden teruggevonden.
Die aanslag is gelijk aan 300 % van die kosten.
Als verdoken meerwinsten worden niet aangemerkt, de reserves bedoeld in artikel 24, eerste lid, 2º tot 4º. »
Met dit artikel heeft de wetgever een bijzondere aanslag van 300 % ingevoerd voor de schuldenaars van bepaalde inkomsten die de in artikel 57 van het WIB bedoelde fiches en opgaven niet of te laat indienen.
Deze bepaling wil verhinderen dat deze schuldenaars de verkrijgers van die inkomsten aanzetten om die inkomsten te verbergen. Die bijzondere heffing heeft geen zin als de fiscus de verkrijgers van die inkomsten de jure et de facto heeft kunnen belasten, hetzij omdat die verkrijgers de inkomsten spontaan hebben aangegeven (wat ze kunnen zonder individuele fiches), hetzij omdat die verkrijgers, hoewel ze de inkomsten eerst niet hadden aangegeven, vervolgens toch zijn belast binnen de termijnen voor het rechtzetten van een onvolledige belastingaangifte, hetzij omdat de schuldenaars van die inkomsten de fiches en opgaven wel hebben ingediend, maar na de voorgeschreven termijn, hoewel toch tijdig om het aanslagbiljet van de verkrijgers te kunnen opstellen.
Een al te letterlijke interpretatie van de huidige tekst van artikel 219 van het WIB leidt tot onzinnige situaties, waarvan de meest flagrante de schending is van het algemeen beginsel « non bis in idem », in die zin dat een zelfde inkomen niet belast mag worden bij meer dan één belastingplichtige.
Artikel 2
Dit artikel beoogt de wettekst te nuanceren, niet om de Schatkist in moeilijkheden te brengen, maar om onredelijke gevolgen te voorkomen.
Het Arbitragehof lijkt die zienswijze trouwens te delen in zijn arrest van 6 april 2000 (nr. 44/2000), waarin een antwoord wordt gegeven op een prejudiciële vraag van het hof van beroep van Luik (arrest van 5 mei 1999).
Artikel 3
Dit artikel beoogt de nieuwe bepalingen van artikel 219 toepasbaar te maken vanaf het aanslagjaar 2000 om te voorkomen dat de betrokken belastingplichtigen een heel belastingjaar verliezen gesteld dat de wet gewijzigd wordt vóór de belastingaangiften ingediend moeten zijn.
| Olivier de CLIPPELE. |
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Art. 2
Artikel 219 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gewijzigd bij de wetten van 30 maart 1994 en 4 mei 1999, wordt aangevuld met een vierde lid, luidende :
« Deze aanslag wordt niet gevestigd of, indien de aanslag al is gevestigd, wordt er ontheffing verleend telkens als voor de in artikel 57 bedoelde kosten op naam van de verkrijgers een belasting is ingekohierd binnen de in de artikelen 353 tot 364ter voorgeschreven termijnen. »
Art. 3
Deze wet treedt in werking met ingang van het aanslagjaar 2000.
| Olivier de CLIPPELE. |