2-394/2

2-394/2

Belgische Senaat

ZITTING 1999-2000

30 JUNI 2000


Wetsvoorstel tot wijziging van de gemeentekieswet en de nieuwe gemeentewet, om de strijd tegen extreem-rechts op te voeren


AMENDEMENTEN


Nr. 1 VAN DE HEER DALLEMAGNE

Art. 2

Het voorgestelde nieuwe lid vervangen als volgt :

« In hun verklaring van bewilliging moeten de kandidaten zich eveneens ertoe verbinden om tot het einde van hun eventuele mandaat zich niet vijandig op te stellen tegenover de democratische beginselen van een rechtsstaat en de rechten en de vrijheden vervat in het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van 4 november 1950, in het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 19 december 1966 en in de aanvullende protocollen daarbij. »

Verantwoording

De formulering van dit artikel moet worden verbeterd. Het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens heeft niet tot doel de rechten en vrijheden te beschermen tegen het individuele optreden van de verkozenen maar tegen het optreden van de Staat. Wat van de kandidaten kan worden geëist, is niet dat zij deze rechten en vrijheden niet schenden, maar dat zij zich er niet vijandig tegenover opstellen.

Nr. 2 VAN DE HEER DALLEMAGNE

Art. 3

Dit artikel vervangen als volgt :

« Artikel 26, § 2, van dezelfde wet wordt aangevuld met een laatste lid, luidende :

« Het hoofdstembureau weigert de lijsten :

1. waarvan een van de kandidaten tijdens de laatste twaalf jaar vóór de verkiezingen veroordeeld is op grond van artikel 5bis van de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme en xenofobie ingegeven daden of op grond van artikel 1, derde lid, van de wet van 23 maart 1995 tot bestraffing van het ontkennen, minimaliseren, rechtvaardigen of goedkeuren van de genocide die tijdens de tweede wereldoorlog door het Duitse nationaal-socialistisch regime is gepleegd;

2. waarvan een van de kandidaten behoort tot een partij waarvan de dotatie is ingetrokken door de Controlecommissie betreffende de verkiezingsuitgaven en de boekhouding van de politieke partijen op grond van artikel 15ter van de wet van 4 juli 1989 betreffende de bepaling en de controle van de verkiezingsuitgaven voor de verkiezing van de federale Kamers, de financiering en de open boekhouding van de politieke partijen;

3. waarvan een van de kandidaten de verbintenis bedoeld in artikel 23, § 2, tweede lid, niet heeft ondertekend of indien bewezen is dat een kandidaat de voornoemde verbintenis niet heeft nageleefd. »

Verantwoording

Dit nieuwe lid moet worden toegevoegd aan artikel 26 veeleer dan aan artikel 23 van de gemeentekieswet. Artikel 26 is een betere keuze omdat § 2, derde lid, bepaalt dat het hoofdstembureau de lijsten weigert die niet voldoen aan de bepalingen van artikel 23, twaalfde lid.

De woorden « de voorzitter van het hoofdstembureau » moeten worden vervangen door de woorden « het hoofdstembureau » om deze bepaling te doen overeenstemmen met artikel 26, § 2, derde lid, van de gemeentekieswet.

De eerste hypothese waarin het bureau een kandidaat weigert, moet in de tijd worden beperkt tot twaalf jaar teneinde niet te raken aan een aantal fundamentele rechten. Dat nieuwe lid wordt in overeenstemming gebracht met artikel 65, tweede lid, 3º, van de gemeentekieswet dat gaat over omkoping.

Voor de twee laatste hypothesen waarin het bureau een kandidaat weigert, waren in de vorige versie van het wetsvoorstel duidelijke en met elkaar overeenstemmende tekenen vereist, maar deze precisering is overbodig.

Nr. 3 VAN DE HEER DALLEMAGNE

Art. 4

Dit artikel vervangen als volgt :

« Artikel 65 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 27 januari 1999, wordt aangevuld als volgt :

« 4º zij die behoren tot een partij waarvan de dotatie is ingetrokken door de Controlecommissie betreffende de verkiezingsuitgaven en de boekhouding van de politieke partijen op grond van artikel 15ter van de wet van 4 juli 1989 betreffende de beperking en de controle van de verkiezingsuitgaven voor de verkiezing van de federale Kamers, de financiering en de open boekhouding van de politieke partijen;

5º zij die tijdens de laatste twaalf jaar vóór de verkiezingen veroordeeld zijn wegens misdrijven bedoeld in de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme en xenofobie ingegeven daden of op grond van de wet van 23 maart 1995 tot bestraffing van het ontkennen, minimaliseren, rechtvaardigen of goedkeuren van de genocide die tijdens de tweede wereldoorlog door het Duitse nationaal-socialistische regime is gepleegd;

6º zij die de verbintenis bedoeld in artikel 23, § 2, in fine van de gemeentekieswet niet hebben nageleefd. »

Verantwoording

In de vorige versie van het wetsvoorstel werd in het 4º en het 6º verwezen naar duidelijke en met elkaar overeenstemmende tekenen. Om artikel 65 in overeenstemming te brengen met artikel 26 van de gemeentekieswet dient deze precisering te vervallen.

In het 5º moet een tijdslimiet van twaalf jaar worden ingevoegd om dezelfde redenen als die welke in de vorige verantwoording zijn uiteengezet.

Nr. 5 VAN DE HEER DALLEMAGNE

Art. 5

Dit artikel doen vervallen.

Verantwoording

De beroepsmogelijkheid van artikel 5 wordt geschrapt omdat er geen nood is aan een andere beroepsinstantie dan die welke artikel 125 van het Kieswetboek vermeldt en waarnaar ook artikel 26, § 3, van de gemeentekieswet verwijst, namelijk het hof van beroep. Het hof van beroep heeft een a priori-bevoegdheid, de Raad van State en de bestendige deputatie voeren een controle achteraf uit.

Nr. 6 VAN DE HEER DALLEMAGNE

Art. 6

De aanvulling van artikel 83 van de nieuwe gemeentewet wijzigen als volgt :

« of wegens een vijandige opstelling tegenover de rechten en vrijheden vervat in het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van 4 november 1950, in het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 19 december 1966 en in de aanvullende protocollen daarbij. »

Verantwoording

De formulering van dit artikel moet worden gewijzigd om dezelfde redenen als die welke zijn uiteengezet bij amendement nr. 1. Het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens heeft niet tot doel de rechten en vrijheden te beschermen tegen het individuele optreden van de verkozenen maar tegen het optreden van de Staat. Wat van de kandidaten kan worden geëist, is niet dat zij deze rechten en vrijheden niet schenden, maar dat zij zich er niet vijandig tegenover opstellen.

Georges DALLEMAGNE.