2-68 | 2-68 |
M. Jacky Morael (ECOLO), rapporteur. - Étant donné l'heure tardive, et afin de ne pas priver du Te Deum ceux qui en sont amateurs, je serai bref.
Ce projet de loi qui prend sa source dans une proposition de loi déposée à la Chambre, semble, à première vue, présenter des aspects strictement techniques, mais pourrait avoir des conséquences considérables.
L'initiative fait suite à une différence de conception entre, d'une part, la commission de contrôle mixte Chambre-Sénat pour les dépenses électorales et les finances des partis et, d'autre part, l'interprétation qu'a faite de la loi le Conseil d'État dans un arrêt du 24 février 1995. Cela concerne l'organisation d'événements dits non récurrents.
Il est considéré, et ce point ne pose aucun problème, que lorsqu'un événement périodique intervient dans le cadre d'une campagne électorale, il est hors de question de l'inclure dans les dépenses électorales. Je pense par exemple, à la Fête du travail du 1er mai, qui est un événement périodique et annuel. Par contre lorsqu'un candidat(e), un parti ou une section organise un événement non récurrent, la commission de contrôle a toujours considéré - les travaux parlementaires en font foi ainsi que le vade-mecum publié à destination des candidats et des partis pour les élections locales de 1994 - qu'il fallait imputer comme dépenses électorales le déficit des événements, à savoir la différence entre les investissements engagés par le candidat ou la section et les recettes éventuellement engrangées lors d'un événement, sous forme de prix d'entrées, consommation de boissons et autres formules. Donc, seule la part réellement payée par le candidat ou la section devait être imputée. Le Conseil d'État l'a entendu tout à fait contrairement dans son arrêt du 24 février 1995, à l'occasion d'une plainte introduite à l'encontre de M. Langendries qui n'était heureusement que Président de la Chambre et non du Sénat, ce qui aurait été très grave. Il s'agit néanmoins d'un fâcheux précédent. Il convient de préciser par le biais de cette initiative parlementaire la jurisprudence de la commission de contrôle et faire en sorte que l'on n'impute plus aux candidats que la différence entre les dépenses qu'ils engagent pour un événement non récurrent et les recettes provenant des prix d'entrées et participations à ces manifestations.
Un autre problème s'est présenté mais il me semble qu'il est désormais résolu, à moins que des collègues n'expriment un autre point de vue. Certains se sont interrogés sur la rétroactivité de ce projet de loi au 8 juillet. Telle est en effet la date d'entrée en vigueur de la période dite sensible de comptabilisation des frais électoraux. En vue d'assurer une totale sécurité juridique, il était tout à fait logique de faire rétroagir ce projet de loi au 8 juillet, afin que tout le monde soit dans la même situation.
Je pense avoir abordé les principaux aspects de ce projet. Pour le reste, je me réfère au rapport écrit.
De heer Wim Verreycken (VL. BLOK). - De wet waarover straks zal worden gestemd, wijzigt een wet van 1994, waarvan de vorige wijziging nog niet in het Belgisch Staatsblad is gepubliceerd. Wie een abonnement heeft op een rechtskundig tijdschrift, kan deze wetten dus nog niet coördineren. Het probleem werd opgelost door in de tekst drie puntjes te zetten. Er moet dus worden gestemd over een wijziging van de wet van 1994 gewijzigd door de wet van... Voor hetzelfde geld worden de senatoren volgende keer geconfronteerd met een wetsontwerp waarvan de titel bestaat uit vraagtekens, uitroeptekens, en dubbele punten. Een leesteken is geen duidelijke informatie.
De senatoren worden geacht met een wet in te stemmen die van kracht werd, zoals de rapporteur heeft gezegd, op 8 juli, omdat dit het begin was van de sperperiode voor de verkiezingen. De aanleiding voor dit wetsontwerp is een arrest van de Raad van State van 1995. Indien er intussen onvoldoende tijd was om een wetsontwerp tijdig in te dienen, zodat het niet retroactief moet worden goedgekeurd in de laatste nacht van de parlementaire zittijd, begrijp ik het niet. Dan moeten we ons werksysteem dringend evalueren.
Dit wetsontwerp geeft aan elke internetgebruiker die zich kandidaat stelt bij de gemeenteraadsverkiezingen, de kans om zijn kiespubliek onbeperkt gadgets te laten downloaden. Een kandidaat voor de gemeenteraad mag zelfs niet één stuk zeep, één bierkaartje, één aansteker of één balpen uitdelen. Dat is strafbaar. Een internetgebruiker kan echter spelletjes en muziekprogramma's probleemloos aanbieden aan zijn kiezerspubliek. Ik zeg dit niet zomaar. Ik heb dit reeds in de commissie in tempore non suspecto gezegd. Het werd weggewuifd als een opmerking van een eeuwige dwarsligger. De volgende dag stond op de voorpagina van alle kranten een artikel dat meldde dat Margriet Hermans, volksvertegenwoordiger en kandidaat voor de gemeenteraad, op haar politieke website "margriet.hermans.idee21", drie liedjes aanbiedt die haar kiespubliek gratis kan downloaden. Er werd vermeld dat ze weet dat het illegaal is, maar dat ze toch van de parlementaire onschendbaarheid geniet.
De Controlecommissie betreffende de verkiezingsuitgaven en de boekhouding van de politieke partijen meent dat men met internet geen belangrijke zaken kan ondernemen, maar er slechts e-mails mee kunnen worden verstuurd. Ik citeer uit het verslag: "Het merendeel van de fracties zijn het erover eens dat dit aspect niet vatbaar is voor controle omdat het niet veel kosten meebrengt". Daarom heeft de commissie beslist op dit punt geen wetgevend werk te moeten verrichten.
Ik heb overigens veel respect voor de werkzaamheden van de commissie. Ik ben ervan op de hoogte want een lid van mijn fractie maakt er deel van uit.
Toch worden gadgets gedownload, wat aan alle kandidaten verboden is. Ik heb dit aan de minister gezegd.
Deze wet ligt ter stemming voor op iets meer dan twee maanden vóór de verkiezingen. Deze wet zal misschien worden gepubliceerd op "puntje, puntje puntje" en zal retroactief zijn vanaf 8 juli. De wet laat toe om gadgets aan te bieden door degenen die met internet vertrouwd zijn. Deze wet is een belediging voor elke wetgever. Het staat de senatoren vrij deze belediging te slikken of ze af te wijzen. Ik heb mijn keuze alvast gemaakt.
De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). - Ik wil toch kort reageren. Ik ben blij dat de discussie over MP3 in het Parlement op gang komt. In tempore non suspecto heb ik daarover trouwens voor enkele weken een vraag gesteld, maar er waren toen geen reacties.
Tegen het verspreiden van liedjes via het internet kunnen er toch moeilijk bezwaren zijn, als zich dat beperkt tot politieke boodschappen, zoals die via een CD-rom kunnen worden verspreid.
De liedjes van Margriet Hermans kan ik eventueel als een politiek statement aanzien.
Ik weet niet precies over welke liedjes het gaat, de leden moeten dat zelf maar eens nader bekijken.
De heer Wim Verreycken (VL. BLOK). - De wet laat hierover geen twijfel bestaan. De controlecommissie heeft hierover al een uitspraak gedaan: een politieke boodschap bestaat uit een gesproken tekst. Een muziekcassette mag worden verdeeld als het onmogelijk is gemaakt ze nog voor andere opnames te gebruiken en als ze enkel de opname van een gesproken politieke tekst bevat. Wanneer er muziek op staat, moeten er eerst en vooral auteursrechten worden betaald en is het verder een gadget. Als er achteraf op kan worden opgenomen, is het ook een gadget. De controlecommissie is terzake zeer duidelijk geweest toen ze een muziekcassette van mijn partij onder de loep nam bij de vorige verkiezingen.
Een gesproken boodschap mag, een muziekboodschap is onwettig. Of men die nu downloadt van het internet of uitdeelt op markten of in de brievenbussen stopt, het effect blijft uiteraard hetzelfde: het is en blijft een gadget die verboden is, tenzij men het ontwijkingsmechanisme van deze wet gebruikt.
- De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.