2-66 | 2-66 |
M. Olivier de Clippele (PRL-FDF-MCC), rapporteur. - L'objectif de la loi que nous avons examinée en commission était de mettre en _uvre les opérations de rapprochement entre les bourses de Bruxelles et celles d'Amsterdam et de Paris. En effet, la Belgique est le seul des trois pays concernés à devoir aujourd'hui encore adapter sa législation pour permettre la réussite de l'opération Euronext. Le gouvernement doit sortir un certain nombre d'arrêtés d'exécution de cette loi, qui est essentiellement une loi d'habilitation puisqu'en septembre, l'opération devrait sortir ses effets.
Quant au fond, à savoir l'objectif du projet Euronext, il n'y a pas eu d'observations en commission, mais il y en a eu à la suite des remarques du Conseil d'État, essentiellement sur deux points. Le premier consiste à savoir si le projet visait l'organisation des cours et tribunaux et s'il s'agissait d'un projet bicaméral pur ou si, comme le considérait le ministre, il s'agissait plutôt d'une réorganisation administrative. En outre, le ministre avait précisé en commission que, puisque le projet avait été évoqué, cette question était superflue étant donné que nous aurions à nous exprimer à son sujet.
Le second groupe d'observations concernait essentiellement la délégation de pouvoirs prévus dans ce projet de loi. Il s'agissait surtout de l'aspect des amendes, évaluées de façon exagérée, comme délégations de pouvoirs par certains commissaires. Le ministre a fait savoir que la loi du 6 avril 1995, en son article 7, permettait déjà d'aller très loin. Il a hésité un instant sur le fait de représenter une loi pour la réhabiliter, alors que cette loi de 1995, votée sous la précédente législature, lui permettrait éventuellement de prendre les arrêtés royaux d'exécution qui seraient soumis à ratification. Il a préféré se représenter devant le parlement et proposer l'ensemble des arrêtés applicables à l'opération.
Enfin, en commission, le ministre a répété son engagement de soumettre aux commissions des Finances de la Chambre et du Sénat, l'ensemble des arrêtés d'exécution, lorsqu'ils reviendront du Conseil d'État, avant leur approbation définitive au conseil des ministres. Cette façon de travailler permet, selon le ministre des Finances, une meilleure information et, bien entendu, une plus grande transparence sur le mécanisme.
De heer Hugo Vandenberghe (CVP). - Ik dank de rapporteur zowel voor zijn schriftelijk verslag als voor de toelichting die hij daarbij heeft willen geven. Net als de heer Caluwe merk ik op dat de meerderheid in de Senaat toch nog de hoffelijkheid heeft om het verslag toe te lichten. In de Kamer doet ze zelfs dat niet meer. We appreciëren dat de meerderheid ons op die manier tegemoetkomt en dat ze ons de inspanning bespaart om het verslag zelf te moeten voorlezen.
Inzake het ontwerp zelf zijn er de doelstellingen en de middelen om die te bereiken. Over de doelstellingen zijn we het allemaal eens, de vraag hierbij is alleen of we niet te laat in actie zijn gekomen om ze nog te bereiken. De evoluties in Londen, Frankfurt en op andere beurzen zou immers wel eens zo snel kunnen gaan, dat de fusie van de markten die wij op 1 oktober tot stand brengen een laatkomer zal blijken te zijn.
Inzake de middelen vinden we echter de wijze waarop de regering dit ontwerp aan Kamer en Senaat voorlegt niet aanvaardbaar. De regering gaf daar in de overlegcommissie volgende verklaring voor: "We hadden gedacht dat we geen wet nodig hadden om deze problematiek te regelen. Pas na enige tijd bleek dat dit fout was. Nu hebben we geen andere keuze dan een wettelijke regeling met TGV-snelheid door Kamer en Senaat te laten behandelen, zoniet komen we daarmee voor 1 oktober 2000 niet klaar." Ik herken daarin de typische reactie van de financiële wereld tegenover de politici. Dat is er een van een zeer matig vertrouwen. De financiële wereld vindt dat zaken over financiën of over beurzen best binnenskamers worden geregeld, in overleg met de minister van Financiën, maar zonder dat parlementsleden daar iets over te zeggen hebben.
Waarom koestert de financiële wereld zoveel wantrouwen tegenover de politici? Hij voert daar zelf verschillende redenen voor aan. De financiers vinden dat de politici nooit verstaan waar het precies over gaat, dat ze niet in staat zijn al die financiële constructies te begrijpen, noch welke consequenties ze met zich brengen. En zelfs als we ze wel begrijpen, doen we niet anders dan hun werkzaamheden op een storende manier doorkruisen.
Deze vaststelling is niet nieuw, ze geldt zowel voor de huidige als voor de vorige regeringen. Ook tijdens de bespreking van het statuut van de vroegere bankcommissie botsten we op de eigen geplogenheden en tradities van de financiële wereld, die bovendien erg gesteld bleek op een vorm van confidentialiteit.
In ieder geval begrijp ik de argumentatie van de financiële wereld: "We regelen iets liever zonder wet dan met een wet".
De financiële wereld vreest bovendien, terecht of onterecht, dat een aantal politici jaloers zijn op die financiële wereld omwille van de hoge financiële vergoedingen of winsten, en dat die jaloersheid politiek zou worden misbruikt.
Ik wil me echter niet op deze twee punten richten bij mijn uiteenzetting over dit wetsontwerp. Ook al is het in se tijd om een dergelijke wet aan te nemen, indien de financiële markt op 1 oktober moet kunnen functioneren, toch is de regering slecht geplaatst om de hoogdringendheid in te roepen. De minister is een eminent jurist, hij weet dit. Hij vraagt totaal ten onrechte de spoedbehandeling. De regering is trouwens de regering van de spoedbehandelingen, niet van de spoedbevallingen. Voor maar liefst negentien wetsontwerpen heeft de regering de spoedbehandeling gevraagd de afgelopen maanden. Dat komt vooral omdat de regering te traag is met haar teksten, zoals hier nu eens te meer blijkt. De regering creëert zelf de spoed. Iedereen weet dat als men zelf de urgentie veroorzaakt, men de urgentie niet meer kan inroepen. Urgentie is objectief, niet subjectief. Urgentie kan niet worden aanzien als een hulpmiddel wanneer men in gebreke is. Ze kan niet worden gebruikt als deus ex machina om alles door het parlement te sluizen. Het gebruik van de deus ex machina op het toneel is een zeer slechte toneeltruc, die heel de inhoud van het verhaal onrecht aandoet.
Daarenboven doet zich iets zeer merkwaardig voor: na de spoedbehandeling evoceren de meerderheidsparijen het ontwerp binnen het uur. Ze dienen echter geen enkel amendement in. Waarom evoceren ze dan binnen het uur? Ik heb daar geen antwoord op. Men kan zich toch niet voorstellen dat de meerderheid de Senaat wil herleiden tot een wierookzaal waarbij de ontwerpen van de regering worden geëvoceerd om dan met het wierookvat voortdurend naar de minister toe te wuiven. Dat kan niet de bedoeling zijn.
De minister heeft de hoogdringendheid ook ten aanzien van de Raad van State ingeroepen, wat verhinderd heeft dat deze eminente staatsraden met de nodige ijver en rust dit ontwerp - zoals vele andere die vandaag worden besproken - hebben kunnen onderzoeken. Het ontwerp bevat grote schendingen van de Grondwet. Ik heb een andere minister horen zeggen, bij de bespreking van de sociale programmawet dat, als iemand de schending van de Grondwet inroept of van het Europees Verdrag van de rechten van de mens, hij zich aan "juridisme" bezondigt. Dat is een nieuw argument. Er zijn twee soorten nieuwe argumenten ontstaan in de discussie de jongste dagen: als een argument niet kan worden beantwoord, wordt dit argument afgedaan als "juridisme". Een ander argument is: "Dat zijn advocatenargumenten". Alsof advocatenargumenten in se altijd verkeerd zouden zijn... Men antwoordt niet meer op het argument, men speelt ad hominem. Dat is een totaal nieuwe debatcultuur. Een debatcultuur betekent toch dat inhoudelijk wordt geantwoord op argumenten. Men tracht uitvluchten te vinden wanneer men inhoudelijk in moeilijkheden is gebracht.
Er zijn nog regeringen gevallen omdat ze bepalingen voorstelden die strijdig waren met de Grondwet. Ik wil de Senaat wakker schudden. Het is nog maar half twaalf, maar toch wil ik het proberen. Ik wil de Senaat erop wijzen dat artikel 77 van de Grondwet in een bevoegdheidsverdeling tussen Kamer en Senaat voorziet. Voor de bicamerale materies oefenen Kamer en Senaat hun bevoegdheden samen uit, voor de optioneel bicamerale materies kan de Senaat zijn evocatierecht uitoefenen. In artikel 77 derde alinea wordt naar de artikelen 145 en 147 van de Grondwet verwezen, in artikel 77 negende alinea wordt verwezen naar de wetten betreffende de organisatie van de hoven en de rechtbanken.
De bevoegdheden inzake de rechterlijke organisatie en de artikelen 145 en 146 betreffende de beoordeling van de politieke rechten en het oprichten van andere rechtsprekende instanties dan de normale hoven en rechtbanken, zijn bicamerale bevoegdheden die door Kamer en Senaat samen moeten worden uitgeoefend.
De minister heeft trouwens verklaard dat er niets nieuws is onder de zon, dat het vroeger zo was en dat het zo moet blijven. Voor de regering wordt dat niet gezegd. Tijdens de verkiezingscampagne werd voortdurend herhaald dat het moest veranderen. In de commissie komt de minister nu verklaren dat het is zoals vroeger en dat het zo moet blijven. Dat is een politiek diffuse boodschap: men propageert dat het moet veranderen en als er een verandering wordt voorgesteld, verklaart men dat het bij het oude moet blijven.
Ik denk dat er geen enkele twijfel kan bestaan over het bicamerale karakter van artikel 23 - dat ik zojuist heb voorgelezen -, met deze bijkomende complicatie dat de minister volmachten krijgt om bicamerale wetten te wijzigen in optioneel bicamerale wetten. Waarom?
Ten eerste, de tuchtcommissies bedoeld in de wet op de financiële markten, zijn rechtsprekende colleges in de zin van de artikelen 145 en 146 van de Grondwet.
Het zijn rechtsprekende colleges omdat ze bij een overtreding van de deontologische financiële normen straffen van tientallen miljoenen kunnen opleggen. In de wet is er sprake van een straf van 50 miljoen. Ik ben altijd voorstander geweest van een aanpak die erin bestaat dat er een deontologie is die door de wet moet worden aangevuld - dat is een goede gedachte want niet alles moet worden gecriminaliseerd - en dat de beroepsgroep waarover het gaat het best geplaatst is om eigen mechanismen in het leven te roepen teneinde het naleven van de deontologische regelen te verzekeren. De rechtscolleges die de naleving van de deontologie moeten waarborgen, moeten echter aan zekere wettelijke vereisten beantwoorden. De waarborgen zijn vastgelegd in de Grondwet en in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens dat zegt dat straffen het voorwerp moeten uitmaken van een beoordeling door een onafhankelijke en onpartijdige rechter.
Er is over het begrip straf, zowel bij het Europees Hof als bij de Raad van State, een ganse rechtspraak ontstaan waarbij men niet moet kijken naar de kwalificatie door de nationale wetgever, maar waarbij men moet zoeken naar de reële draagkracht van de sanctie. De financiële wereld is rijk, maar de minister zal het met mij eens zijn dat een boete van 50 miljoen ook door hen als een straf zal worden beschouwd en niet zo maar als een loutere kleine administratieve boete.
De tuchtcolleges waarin de wet voorziet, leggen dus straffen op. Dat betekent dat zij moeten beantwoorden aan de vereisten van artikel 6 van het EVRM inzake onpartijdige en onafhankelijke rechtspraak en aan de vereisten die neergelegd zijn in de artikel 145 en 146 van de Grondwet. Deze artikelen worden letterlijk opgesomd in artikel 77, 3° van de grondwet, een bicamerale materie. De regering stelt een optioneel bicamerale materie voor en vraagt bovendien een volmacht om bicamerale wetten bij koninklijke besluit te wijzigen.
Ik begrijp de minister niet. Hij wordt een leverancier van goede rechtsargumenten voor de advocaten. Veronderstel dat een advocaat een overtreder van de deontologische norm voor het tuchtcollege moet verdedigen, waarbij het desbetreffende volmachtbesluit aan de orde is. Een volmachtbesluit kan, in tegenstelling tot de wet, wel worden getoetst, onder meer aan de grondwet. Alle advocaten die de voorbereidende werken met grote aandacht lezen, zullen argumenteren dat het volmachtbesluit onwettig is, want strijdig met artikel 77, 3° van de Grondwet, een bicamerale bevoegdheid. De minister heeft de optioneel bicamerale weg gevolgd, dus de tuchtcolleges zullen niet kunnen functioneren. De minister zet daarmee de poort open voor een bijzonder sterke juridische argumentatie en voor het ondergraven van de rechtszekerheid met procedurele moeilijkheden tot gevolg.
Ik ben dus van oordeel dat artikel 1 moet worden gewijzigd en dat artikel 23 moet worden verwijderd uit het wetsontwerp.
Er is echter meer: artikel 23 bevat Freudiaanse bepalingen. Ik vestig de aandacht van de leden op de verdoken bedoelingen met betrekking tot deze hoge vergadering.
Paragraaf 2 luidt: "De minister van Financiën brengt verslag uit aan de Kamer van Volksvertegenwoordigers over de besluiten die krachtens paragraaf 1 worden vastgesteld." Men organiseert bij volmacht een wettelijk kader voor de tuchtcolleges, die een bicamerale materie zijn, en voegt eraan toe dat de Kamer erover wordt ingelicht. De wet bepaalt niet dat de Senaat moet worden ingelicht omdat men zich ervan bewust is dat deze bepaling strijdig is met artikel 77.
Ik ken de gevoeligheid van de Senaat ten aanzien van de constitutionele prerogatieven die haar eigen zijn. Mijn argumenten zullen de minister ongetwijfeld overtuigen en om ons amendement bij artikel 23 te aanvaarden. Dit amendement brengt de regering niet in moeilijkheden omdat ik helemaal geen inhoudelijke wijziging voorstel maar een louter technisch-juridische correctie. Ik zie niet in waarom de regering zich bedreigd zou voelen indien zij ernaar streeft de Grondwet correct toe te passen. Dat de volksvertegenwoordigers reeds met vakantie zijn, kan evenmin een probleem zijn. De heer De Croo zou dan met zijn flamboyante stijl kunnen duidelijk maken welke offers de Kamer aan het land en aan het algemeen welzijn brengt om de Grondwet na te leven.
Ik ben genoodzaakt mijn amendementen nu nog uit te breiden omdat ik niet genoeg tijd heb gehad om alle wetsontwerpen en artikelen die de jongste dagen aan de orde zijn, grondig te onderzoeken, te ontleden, te analyseren, de voorbereidende werken te lezen, de adviezen van de Raad van State erop na te slaan en deze te kaderen binnen de algemene juridische beginselen die van toepassing zijn.
Nader onderzoek heeft aan het licht gebracht dat ook artikel 4, paragraaf 2 een bicamerale materie is. In dit artikel wordt het taalgebruik geregeld in de tuchtcommissies en de commissies van beroep. Artikel 4 van het ontwerp geeft de minister dus volmacht om de taalwet te wijzigen. Dit is een nieuwigheid: de taalwetgeving die bij volmacht wordt gewijzigd! De reden van deze wijziging is dat men een andere taal dan het Nederlands of het Frans wil gebruiken. Het is de bedoeling dat er ook in het Engels mag worden gepleit en dat tuchtcolleges in het Engels kunnen functioneren. Om de redenen die ik heb uiteengezet, gaat het om het statuut van de tuchtcolleges, dat een bicamerale materie is. Dit betekent dat de taalwetgeving met betrekking tot de taal die moet worden gebruikt bij het beoordelen, pleiten, vonnissen in tuchtcolleges en neerleggen van een akte van beroep hoe dan ook een bicamerale materie is. Wij zijn dus verplicht artikel 4, paragraaf 2, aan een ernstig onderzoek te onderwerpen. Deze paragraaf is onmiskenbaar in strijd met artikel 4 van de Grondwet.
Het is in strijd met artikel vier van de Grondwet. De rechtspraak over dit artikel zegt dat de term "taalgebied" niet slaat op een geografische omschrijving, maar op de bevestiging van het territorialiteitsbeginsel inzake het taalgebruik door de overheid. Elke overheid, aldus de Raad van State, is in beginsel verplicht de taal te gebruiken die de wettelijke taal is van het taalgebied. Voor de Raad van State is het duidelijk dat de Grondwetgever met de erkenning van de vier taalgebieden geen etnografische vaststellingen heeft willen doen maar, naar het voorbeeld van de wetgever van 1963, een rechtsbegrip heeft willen instellen en dat in de Grondwet "taalgebied derhalve niet betekent een gebied waar in feite een bepaalde taal wordt gesproken, maar een gebied waar in rechte een bepaalde taal moet worden gesproken of met betrekking waarop een bepaalde taal moet worden gebruikt." De talen die kunnen worden gebruikt in officiële procedures, en dus in gerechtelijke en tuchtrechtelijke procedures, zijn de talen van het betrokken taalgebied, dit is het Nederlands in het Nederlandse taalgebied, het Frans in het Franse taalgebied, het Duits in het Duitse taalgebied en het Nederlands en het Frans in Brussel. Nu vraagt de regering om een volmachtwet goed te keuren die de regering toestaat om het Engels als proceduretaal te gebruiken voor de tuchtcolleges voor de financiële markten. Dat is onbegrijpelijk. De taalwet en artikel vier van de Grondwet behoren tot de meest delicate politieke onderwerpen. Iedere advocaat zal dit kunnen betwisten omdat het bicamerale karakter van de regeling niet werd gerespecteerd en omdat ze strijdig is met artikel vier van de Grondwet. Er is dus niet alleen sprake van een impliciete wijziging van het amenderingsrecht van de Senaat, namelijk de Senaat kan niet amenderen als de Kamer in vakantie is, maar bovendien wordt het nu bij volmachtsbesluit mogelijk artikel vier van de Grondwet te wijzigen, zonder de grondwettelijke regels te eerbiedigen en zonder de regio's te raadplegen. In feite zou het Vlaams Parlement moeten bijeenkomen om een belangenconflict in te roepen.
Ik beperk mij tot deze twee vaststellingen. Ik ben het eens met de doelstellingen, maar de middelen vind ik objectief niet aanvaardbaar. Het gaat hier om onzorgvuldige wetgeving. Ik vind dat artikel 77 en artikel 4 van de Grondwet toepasselijk zijn en dat de tekst in die zin moet worden geamendeerd. Ik begrijp niet dat de regering deze objectieve argumentering naast zich zou neerleggen. Het zal niet leiden tot de val van de regering, het zal de werkzaamheden van de regering ook geenszins beïnvloeden. Integendeel, wij helpen de regering om ervoor te zorgen dat de financiële markten goed kunnen functioneren. We zorgen er ook voor dat ze niet wordt geconfronteerd met allerlei juridische procedures. Het gaat hier niet alleen om de incidentele procedure. We kunnen ook procedures in kort geding inleiden bij de Raad van State, die kunnen leiden tot de schorsing van de volmachtbesluiten. Dan kunnen ze niet worden toegepast, wat catastrofale gevolgen kan hebben. In een samenleving van onthaasting zou de regering zich aan constitutionele overhaasting hebben schuldig gemaakt. We moeten dus zorgen dat de regering niet met dit probleem wordt geconfronteerd. Daarom moeten onze amendementen worden aangenomen. Ik denk dat de Senaat daartoe wel zal besluiten, zodat we een constitutioneel zuivere tekst naar de Kamer kunnen terugzenden.
(Voorzitter: de heer Jean-Marie Happart, ondervoorzitter.)
M. Michel Barbeaux (PSC). - Le projet Euronext, qui doit déboucher sur une fusion opérationnelle des Bourses de Paris, Amsterdam et Bruxelles, est sur les rails. Ce projet de loi crée les modifications légales nécessaires en ce qui concerne la Bourse de Bruxelles.
Selon une des chevilles ouvrières de ce projet, M. Olivier Lefèvre, le patron de BXS, le projet Euronext règle le problème de l'exiguïté du marché belge. Il couvre le centre de l'Euroland et devrait s'élargir, à terme, au marché paneuropéen.
Grâce à Euronext, des synergies devraient permettre une réduction des coûts, toutes activités confondues, de 40 à 50 millions d'euros par an, soit environ 10%. Pour l'investisseur belge, l'effet sera surtout bénéfique sur le marché des produits dérivés qui couvre en particulier les activités commerciales.
Ce projet est donc intéressant pour notre économie, nos entreprises et nos investisseurs, c'est pourquoi le PSC ne s'y opposera pas.
Je souhaite cependant donner lecture d'une partie d'un e-mail envoyé à plusieurs parlementaires par des professionnels du secteur, réunis dans la Belgian association for financial independance : « La perte de la capacité de financement de l'économie belge, offerte par une bourse nationale, est le plus grand danger représenté par cette fusion. En effet, une telle concentration dirigera encore plus l'attention des investisseurs sur les blue chips et les sociétés belges ne feront pas partie de cette catégorie : Fortis ne sera que le numéro 27 sur la liste Euronext et seulement 9 des 100 premières sociétés seront belges. La cotation sur une bourse élargie n'amènera pas une liquidité accrue pour les sociétés belges, mais elle aboutira à des cours de bourse plus bas et donc à une capacité de financement diminuée, à cause du manque d'attention des investisseurs pour le n° 976 d'une liste de cours artificielle. L'exemple de Petrofina, cotée en Bourse de New York - la plus grande du monde - montre le résultat d'un manque d'attention pour une « petite » société belge. »
Je serais heureux d'entendre la réaction du ministre des Finances face aux craintes exprimées par ces professionnels.
Pour en revenir au projet proprement dit, le Conseil d'État a émis une série de remarques qui contestent le caractère constitutionnel de certaines dispositions. C'est ainsi que le projet délègue à une société de bourses de valeurs mobilières le pouvoir d'échelonner des amendes en fonction de la gravité des infractions. Comme le rappelle le Conseil d'État, ce pouvoir relève du législateur.
On peut encore comprendre le souci de souplesse dont il faut faire preuve en confiant à la société de bourses le soin de régler la discipline et de déterminer le montant des amendes. Mais pourquoi refuser que ces amendes fassent l'objet non seulement d'une approbation ministérielle mais aussi d'une confirmation par la loi dans les six mois, comme l'a proposé un amendement que j'ai déposé ? En effet, de toute façon, le gouvernement doit venir devant le Parlement pour une loi confirmant une série d'arrêtés royaux à prendre en exécution de cette loi.
Deux autres amendements que je dépose à nouveau en séance publique visent à donner une plus grande sécurité juridique à diverses dispositions de la loi sur lesquelles le Conseil d'État a émis des remarques. Si ces amendements sont approuvés - je m'adresse aux parlementaires de la majorité -, nous voterons ce projet de loi. Sinon, nous nous abstiendrons.
De heer Didier Reynders, minister van Financiën. - Ik heb al een paar antwoorden gegeven in verband met de amendementen, niet alleen in de senaatscommissie, maar ook in de Kamer en zelfs in de memorie van toelichting bij het ontwerp. Ik herhaal twee punten.
Ten eerste, dit ontwerp betreft naar onze mening geen bicamerale materie. Ik verwijs terzake naar p.18 van de memorie van toelichting. De wijzigingen hebben geen betrekking op hoven of rechtbanken, er zijn alleen een aantal wijzigingen met betrekking tot administratieve colleges. Bijgevolg bevat dit ontwerp geen bicamerale materie.
Ten tweede herhaal ik ook wat reeds werd gezegd over artikel 4 van dit ontwerp, namelijk dat er geen contradictie is met de taalwetgeving. Ik heb op dit punt geantwoord in de commissie, in de Kamer en ook in de Memorie van Toelichting op p. 12. Daarom denk ik dat het niet nodig is om dit opnieuw te herhalen in de plenaire vergadering van de Senaat.
Je dirai à M. Barbeaux que j'ai, comme lui, pris connaissance d'un certain nombre d'avis d'experts, de spécialistes, d'acteurs de terrain. Certains d'entre eux s'inquiétaient, voici quelques mois, de voir disparaître la place financière de Bruxelles.
Un expert doit toujours justifier son expertise. Je n'aurai pas la cruauté d'aller relire ce que certains d'entre eux ont écrit ou dit, il y a quelque temps, à propos de l'évolution de la place financière bruxelloise.
A travers ce projet - et j'ai cru comprendre que tout le monde était d'accord sur ce point -, nous ne nous lançons pas dans une opération destinée à sauver les meubles, mais plutôt à renforcer la place financière belge. Je peux comprendre les remarques de certains intervenants en commission, notamment M. Vandenberghe, sur la progression d'autres projets en Europe, entre Londres et Francfort, par exemple. Nous espérons même aller plus vite que ces projets et peut-être intégrer à l'avenir, dans le projet Euronext, des bourses comme celles de Milan, de Madrid, voire des bourses extra-européennes.
Il me semble que ce projet va dans le sens d'un renforcement de la capacité, pour nos entreprises, de s'adresser au marché des capitaux et, pour nos investisseurs, d'avoir aussi accès à l'investissement au sein des entreprises.
En outre, je voudrais remercier le Sénat pour son intention d'approuver le premier projet à l'unanimité et pour son adhésion unanime à l'objectif du deuxième projet, même si les moyens sont contestés.
Je voudrais aussi saluer trois évolutions que j'ai entendues dans ce débat.
La première concerne la situation budgétaire. Il y a quelques mois, lorsque j'ai proposé d'entamer la suppression de la cotisation de crise, des voix se sont élevées au sein de plusieurs groupes pour me mettre en garde contre le danger d'une utilisation excessive des moyens budgétaires, en raison des incertitudes du futur. J'entends aujourd'hui que nous devrions aller plus vite et probablement adopter des amendements qui coûteraient plus cher, dans le cadre du projet. Je peux peut-être rassurer ou inquiéter les mêmes intervenants. Ce matin, le Conseil supérieur des Finances nous a remis son analyse sur les besoins de financement. Même avec cette suppression complète de la cotisation complémentaire de crise, de larges marges sont présentes. Je crains, monsieur Barbeaux, que le CEPESS ne doive revoir sa copie. En tout cas, le Conseil supérieur des Finances va manifestement dans une tout autre voie.
Je vous rassure, nous donnerons à nouveau, à la rentrée, la priorité à certains thèmes - je suis heureux que vous en évoquiez quelques-uns -, dont, bien entendu, la réforme fiscale.
La deuxième évolution que je constate concerne justement cette réforme fiscale. Je suis très heureux d'être de plus en plus poussé dans le dos pour aller vers la suppression des discriminations entre mariés, cohabitants et isolés. Je suis très heureux de constater qu'après de longues années de maintien de ces discriminations dans notre droit fiscal, la plupart des groupes, y compris ceux dont sortaient les différents ministres des Finances précédents, soutiennent maintenant l'idée qu'il faut vraiment mettre fin à ces discriminations. Je puis vous rassurer. Si malheureusement, nous continuons à appliquer la globalisation qui figure dans la loi aujourd'hui en ce qui concerne la suppression de la cotisation complémentaire de crise, dès le début du mois de septembre, lorsque je déposerai les projets de réforme fiscale, la suppression de l'ensemble des discriminations figurera évidemment à l'ordre du jour, que ces discriminations jouent, aujourd'hui, à l'avantage des couples mariés ou des cohabitants. Je vous rappelle que certaines discriminations jouent en effet à l'avantage des couples mariés.
La troisième évolution - je l'ai déjà évoquée tout à l'heure - est celle qui concerne les marchés financiers. Il y a quatre à cinq mois, jusqu'au mois de mars de cette année en tout cas, j'étais essentiellement interrogé dans les assemblées sur la question de savoir s'il n'était pas dangereux de laisser la bourse de Bruxelles dériver, de la laisser s'affaiblir et presque disparaître. Je constate maintenant que les reproches portent surtout sur la manière dont on pourrait rédiger un projet de loi lui permettant de sortir enfin du marasme dans lequel elle semblait sombrer. Je me réjouis de cette évolution. Je suis heureux que l'on souhaite vraiment que le projet aboutisse. Je voudrais simplement rassurer M. Vandenberghe. Je ne sais pas quelle était la pratique des relations entre le gouvernement, la majorité et les marchés financiers ces dernières années. Je peux comprendre qu'en fonction de l'expérience que vous avez acquise ou des bruits que vous avez entendus pendant des années, vous puissiez penser que ce sont les marchés financiers qui dirigent pratiquement la manière dont le ministère des Finances se comporte. Je peux vous dire que c'est justement pour démontrer que nous ne travaillons pas dans cette voie que des projets ont été déposés au Parlement et qu'effectivement, nous sortons peut-être un peu du cadre feutré des cabinets ministériels pour venir nous expliquer devant l'assemblée. C'est par là que je terminerai, monsieur le président. C'est d'ailleurs pour cela que j'ai précisé que tous les arrêtés, même ceux qui ne doivent pas être confirmés par le Parlement, seront soumis aux assemblées pour information et présentés dans les commissions tant de la Chambre que du Sénat.
Pour ne prendre qu'un seul exemple, je vous dirai, monsieur Vandenberghe, que nous venons d'installer, il y peu, le Conseil supérieur des Finances. Les relations avec ce monde des finances étaient tellement particulières, que lorsque j'ai voulu savoir qui en assumait le secrétariat, il a fallu attendre que l'on trouve enfin, après quelques mois, un arrêté ministériel, pris par mon prédécesseur, non publié, non soumis aux collègues, dont je ne connaissais évidemment pas l'existence. Nous tentons de faire disparaître ce type de pratiques et il est vrai que, même dans des matières touchant aux marchés financiers, nous travaillons en présentant les projets au Parlement, en présentant l'ensemble des textes aux assemblées parlementaires. J'espère que cela nous permettra de revaloriser aussi l'image de marque des marchés financiers belges à l'avenir.
Je vous remercie encore de la manière dont les assemblées ont accepté de travailler. Pour ce deuxième projet, je sais que c'est dans l'urgence. J'espère que cela nous permettra de répondre à de véritables problèmes d'avenir pour les marchés financiers belges.
De heer Ludwig Caluwé (CVP). - Ik dank de minister voor zijn deelname aan dit debat en voor zijn antwoord op een aantal vragen. Bij wijze van repliek wil ik ingaan op enkele elementen die hij heeft aangebracht in verband met het eerste ontwerp.
De budgettaire ruimte die ontstaat voor het wegwerken van de discriminatie tussen gehuwden en samenwonenden, vloeit voort uit het herstelbeleid dat tijdens de voorbije jaren werd gevoerd. Men kan ook niet zeggen dat er voorheen nooit iets werd gedaan om die discriminatie aan te pakken. In concreto werd in 1988 een belangrijk stuk van die discriminatie weggenomen door de decumulatie. Ons belastingsysteem, dat veertig jaar geleden werd gecreëerd, vertrok van het fictieve uitgangspunt dat er maar twee soorten leefsituaties bestaan: die van gehuwden en die van alleenstaanden. Veertig jaar geleden was het ondenkbaar dat mensen zouden samenwonen zonder te huwen. Vandaag zijn in wezen enkel de mensen die de katholieke godsdienst belijden, verplicht om te huwen, daar de Grondwet al wie kerkelijk wenst te huwen, verplicht vooraf een burgerlijk huwelijk te sluiten, waardoor alleen katholieken de fiscale bestraffing die daaruit voortvloeit, moeten ondergaan.
Met de fiscale hervorming van 1988 werd het grootste deel van die discriminatie opgeheven. De kostprijs van die decumulatie is op het ogenblik meer dan 200 miljard. Nu moet nog een inspanning van 70 miljard gebeuren. Als de politieke wil daartoe bestaat dan kan het snel gaan, want er is budgettaire ruimte.
Gehuwden kunnen op het ogenblik gebruik maken van het huwelijksquotiënt, samenwonenden kunnen dat nog niet. Ons standpunt is dat wie een wettelijk samenwoningscontract sluit ook de mogelijkheid moeten hebben om een beroep te doen op het huwelijksquotiënt. Zodoende worden gehuwden en samenwonenden op gelijke wijze behandeld. Van een volledige individualisering van het belastingsysteem zijn we in tegenstelling tot sommigen zeker geen voorstander.
(Voorzitter: mevrouw Sabine de Bethune, eerste ondervoorzitter.)
Dan kom ik bij het wetsontwerp met betrekking tot de financiële markten. De CVP-fractie had dit wetsontwerp graag goedgekeurd omdat het een versterking had kunnen betekenen voor de Brusselse beurs die er soms zieltogend bijligt. We gaan naar een beurs van Parijs en de Nederlanden, wat geen slechte keuze is. Brussel ligt echter niet alleen op de as Parijs-Amsterdam, maar ook op de as Londen-Frankfurt. We hebben gekozen voor de eerste as, de toekomst zal uitwijzen of dat de juiste keuze was.
Was de tekst van dit ontwerp niet zo slecht geredigeerd geweest, dan hadden we hem zeker goedgekeurd. Als de Senaat zijn eer in enige mate hoog wil houden, mag hij hem echter niet goedkeuren. We discussiëren vaak over de rol van de Senaat als reflectiekamer. In welke mate is hij een reflectiekamer? Komt de Senaat voldoende uit de verf als Senaat van de Gemeenschappen? Moet hij een tweede politieke kamer zijn? Over een punt zijn we het eens: een tweede kamer heeft in ieder geval tot taak toe te zien op de kwaliteit van de wetgeving. Fouten, onjuistheden en zaken die in de eerste kamer over het hoofd werden gezien, moeten in de tweede kamer worden rechtgezet.
Door de fouten in dit ontwerp zullen bepaalde maatregelen uit het ontwerp misschien niet kunnen worden uitgevoerd, en riskeren we proceduretwisten. Dat kan gevolgen hebben tot buiten de landsgrenzen. We zullen internationaal te kijk worden gezet als blijkt dat toekomstige problemen aan de Belgische wet te wijten zijn.
De heer Vandenberghe heeft reeds aangegeven dat verschillende delen van dit wetsontwerp bicameraal zijn en door beide kamers zouden moeten worden goedgekeurd. Een dergelijke vergetelheid kan niet met een paar zinnetjes in een memorie van toelichting worden rechtgezet. Als de Senaat dit over zich heen laat gaan, zal het later als precedent worden gebruikt. Als je de regering een hand geeft, zal ze binnen de kortste keren een arm nemen en voor we het weten schiet er niets meer over van de Senaat.
Artikel 2 van het wetsontwerp bepaalt dat artikel 7 van de wet van 1990 wordt opgeheven. In artikel 30 wordt echter nog naar dat artikel 7 verwezen. De minister verwijst naar artikel 33 dat de minister de mogelijkheid biedt om alle artikelen die zullen worden goedgekeurd op om het even welk ogenblik in werking te laten treden. Met andere woorden hij kan eerst artikel 30 waarin naar artikel 7 wordt verwezen, in werking laten treden en pas later artikel 2.
Voor dit geval zou dat nog kunnen. Er zijn echter nog andere wetten, onder andere de wet in verband met de bewijswaarde van beursattesten, die ook verwijzen naar artikel 7 van de wet van 1990. Nergens in het ontwerp dat we nu bespreken, staat echter dat er iets gewijzigd wordt in de andere artikelen die naar artikel 7 verwijzen. Ook dat is volgens de minister geen probleem, vermits hij volgens artikel 33 kan bepalen wanneer de verschillende artikelen in werking treden. Hij heeft dus nog de tijd om ons in oktober een nieuwe wet voor te schotelen voor alle nodige aanpassingen. Als er in oktober toch een nieuwe wet komt, dan lijkt het meer dan logisch de verwijzing naar artikel 7 op te nemen in die nieuwe wet.
De heer Hugo Vandenberghe (CVP). - Dat zou efficiënter zijn.
De heer Ludwig Caluwé (CVP). - Dan kan er meer tijd worden uitgetrokken, ernstiger worden nagedacht en meer rekening worden gehouden met de adviezen van de Raad van State en misschien zelfs met onze opmerkingen. Maar neen, artikel 2 dat toch niet in werking kan treden, uit de wet schrappen kan niet.
Ik kom dan bij artikel 4. Op het vlak van volmachten heb ik al veel meegemaakt, meer echter met de huidige regering dan met de vorige. Nochtans wilde de huidige regering komaf maken met het ancien régime. Ik stel alleen vast dat ze afglijdt naar de ergste vormen van ancien régime, want ze vraagt volmachten om de taalwetgeving aan te passen. Dat is in het verleden nooit gebeurd. Er wordt de vergelijking gemaakt met Sabena. Op het ogenblik dat een overheidsbedrijf wordt geprivatiseerd, is het logisch dat men de wet op het taalgebruik in het bedrijfsleven van toepassing verklaart. Nu gebeurt er echter meer. Er worden tuchtcolleges en allerlei raden opgericht die meer doen dan wat van een normaal privé-bedrijf wordt verwacht en die ook naar buiten toe een waarde hebben en eigenlijk een zekere autoriteit hebben. Ook daarbij legt de regering de taalwetgeving naast zich neer, wijzigt ze deze bij volmacht om het mogelijk te maken zaken in het Engels af te handelen. Zal Parijs ook het Engels als voertaal invoeren? Daar geloof ik niets van en ik begrijp niet waarom we ons niet aan de taalwet kunnen houden. Als deze aanpassing dan toch absoluut noodzakelijk is, laten we er dan een grondig debat over voeren op basis van een wetsontwerp dat de nieuwe taalregeling duidelijk maakt. Dit regelen met een volmacht overtreft mijn wildste fantasieën.
Volgens artikel 33 heeft de minister de eeuwigheid om de bepalingen die we haastig en holderdebolder in zes dagen door de Senaat jagen, al dan niet in werking te laten treden. Dat kan dus morgen of volgende week zijn, maar ook over tien, twintig, vijftig jaar.
De heer Hugo Vandenberghe (CVP). - Het eeuwigdurende kabinet.
De heer Ludwig Caluwé (CVP). - Hoe terecht de inhoud van dit ontwerp op een aantal punten ook is, deze gang van zaken is niet meer goed te keuren, als we tenminste als bezinningskamer nog enige waarde willen behouden. Ik hoop dat onze collega's het althans met een aantal van onze bezwaren eens kunnen zijn.
- De algemene bespreking is gesloten.