2-63

2-63

Belgische Senaat

Parlementaire handelingen

DONDERDAG 13 JULI 2000 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Vraag om uitleg van de heer Vincent Van Quickenborne aan de minister van Landbouw en Middenstand over «het statuut van geregulariseerde personen die activiteiten als zelfstandige ontplooien» (nr. 2-174)

De voorzitter. - De heer Luc Van den Bossche, minister van Ambtenarenzaken en Modernisering van de openbare besturen, antwoordt namens de heer Jaak Gabriëls, minister van Landbouw en Middenstand.

De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). - Deze problematiek heeft al heel wat stof doen opwaaien. Onlangs is ook de vraag gerezen of een geregulariseerd persoon of een persoon die in de regularisatieprocedure zit een beroep kan doen op het bestaansminimum. Daaromtrent zijn al enkele vonnissen geveld. De regering is op dat gebied een bepaalde mening toegedaan. Mijn vraag gaat echter over iets anders.

Op 4 februari 2000 besliste de Ministerraad de reglementering te wijzigen om personen die zullen worden geregulariseerd te ontslaan van de verplichting een arbeidsvergunning en een arbeidskaart aan te vragen, om hen gemakkelijker toegang te geven tot de arbeidsmarkt.

Ik heb destijds de aandacht van de minister gevestigd op de problematiek van personen die geregulariseerd worden en een zelfstandige activiteit willen uitoefenen. Collega Mahassine heeft mij daarbij gesteund met zijn mondelinge vraag. De minister heeft toen gezegd dat de regering van plan was een voorontwerp uit te werken om ervoor te zorgen dat mensen die geregulariseerd worden zonder te veel procedures een zelfstandige activiteit kunnen beginnen. Dat is van belang omdat de in hoofdzaak niet-Europese vreemdelingen krachtens de wet van 1965 nog steeds verplicht zijn een beroepskaart aan te vragen.

De minister heeft beloofd om via een koninklijk besluit de betrokkenen vrij te stellen van een verplichte aanvraag. Bijgevolg werd de stemming over een wetsvoorstel van mezelf in de commissie voor de Financiën en de Economische Aangelegenheden uitgesteld.

Nu de regularisatieoperatie op gang is gekomen en de eersten positief nieuws hebben gekregen, wordt een beslissing dringend.

Kan de minister meedelen wat hij sinds onze vragen op 17 februari jongstleden heeft ondernomen? Is er een voorontwerp klaar? Wanneer wordt het voorgelegd aan de Ministerraad? Wat is de inhoud van dit voorontwerp?

Is de minister nog steeds van mening dat een dergelijke belemmering die de beroepskaart is en waar Unizo ook negatief tegenover staat, moet blijven bestaan? Wat te denken van de discriminerende bepaling in de wet van 1965 waarbij onder meer verwezen wordt naar de voorwaarde dat de betrokkene geen besmettelijke ziektes mag hebben om zelfstandige te worden? Ik heb er in de commissie en in de plenaire vergadering al meermaals op gewezen dat wanneer dit probleem aanhangig wordt gemaakt voor een rechtbank of voor het Arbitragehof, deze van oordeel zullen zijn dat die voorwaarde een absolute discriminatie inhoudt.

Graag kreeg ik van de minister een antwoord op deze vragen.

De heer Luc Van den Bossche, minister van Ambtenarenzaken en Modernisering van de openbare besturen. - Ik lees het antwoord voor van collega Gabriëls. Deze heeft inderdaad beloofd om, onder meer in het raam van de regularisatieoperatie, de reglementering inzake beroepskaarten voor vreemdelingen te wijzigen naar analogie van de reglementering betreffende de arbeidskaarten voor werknemers.

Een ontwerp van wet tot wijziging van de wet van 19 februari 1965 heeft inmiddels de normale procedure doorlopen, werd in de Ministerraad goedgekeurd en op dit ogenblik ligt het koninklijk besluit tot indiening van het wetsontwerp ter ondertekening voor aan het Staatshoofd. De effectieve indiening in de Kamer mag dus eerstdaags worden verwacht.

Van zodra deze wetswijziging in werking treedt zal via een koninklijk besluit een vrijstelling van beroepskaart worden verleend aan de vreemdelingen die recht hebben op vestiging en aan de vreemdelingen die recht hebben op onbeperkt verblijf, met andere woorden : de houders van een "identiteitskaart voor vreemdelingen" en de houders van een "bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister", zonder de vermelding "tijdelijk verblijf". Ik vermeld hier nog bij dat collega Gabriëls hierdoor de categorieën die in aanmerking komen voor de vrijstelling nog verruimt in vergelijking met het ontwerp van de vorige regering en met het voorstel van uzelf, mijnheer Van Quickenborne, waarin de laatste categorie niet was opgenomen.

Met betrekking tot de tweede vraag naar de verwijzing van afwezigheid van besmettelijke ziekten, kan ik meedelen dat de huidige procedure, in tegenstelling tot wat daarstraks werd gesteld, bepaalt dat wanneer een beroepskaart buiten België wordt aangevraagd, er inderdaad een medisch attest moet worden bijgevoegd. Het departement Middenstand beoordeelt dit attest niet, maar zendt het door naar de Dienst Vreemdelingenzaken, die overeenkomstig artikel 7 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het Rijk, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, moet nagaan of de aanvrager geen drager is van de in de bijlage van die wet opgesomde ziekten.

Het medisch attest berust dus op een reglementering die tot de bevoegdheidssfeer behoort van de minister van Binnenlandse Zaken. De heer Gabriëls deelt evenwel mee dat hij niet zal nalaten om met zijn collega Duquesne te onderzoeken of deze verplichting eventueel kadert in het raam van enige internationale verplichting en of een versoepeling of aanpassing mogelijk is.

De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). - Ik dank de minister voor zijn antwoord. Ik ben blij dat dankzij het aandringen van collega Mahassine en van mijzelf zoiets spoedig in orde kan komen. Ik hoop dat de mensen die geregulariseerd worden die regeling zo spoedig mogelijk kunnen genieten.

- Het incident is gesloten.