2-62

2-62

Belgische Senaat

Parlementaire handelingen

WOENSDAG 12 JULI 2000 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Vraag om uitleg van de heer Vincent Van Quickenborne aan de minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties over «het veilen van draadloze UMTS-frequenties» (nr. 2-172)

De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). - De veiling van UMTS-licenties doet in het buitenland heel wat stof opwaaien. Niet alleen omdat dit belangrijk is om de burgers toegang te verschaffen tot het internet, maar ook omdat het wel eens zou kunnen gaan om het gouden kalf waarmee de overheid haar budgettaire mogelijkheden aanzienlijk kan vergroten.

Ik had mijn vraag vorige week willen stellen op een symbolische dag, vermits op dat ogenblik de biedingen in Nederland life te volgen waren op het internet op www. veilingvanfrequenties. nl. De veiling startte in mineur, maar inmiddels zijn de bedragen opgetrokken en daagde opnieuw wat belangstelling op.

De procedure voor de toekenning van licenties voor mobilofonie van de derde generatie, in Europa meestal aangeduid met UMTS, begint in september. De licenties worden in december toegekend. Het gaat om vier licenties. Aan één vergunning wordt de optie, niet de verplichting, gekoppeld om een gsm-net uit te bouwen.

De capaciteit van een UMTS-net is veel groter dan bij gsm. Het zet de deur wijd open voor mobiele toegang tot het internet. Zoals in andere EU-lidstaten krijgt de licentieprocedure in België concreet gestalte. De timing zou heel concreet zijn. In De Financieel-Economische Tijd hebben de minister en zijn medewerkster verklaard dat de twee koninklijke besluiten met de voorwaarden en de procedure, uiterlijk op 1 juni gepubliceerd moeten zijn. Dat is nog niet gebeurd.

De hoge prijs die de Europese telecombedrijven vermoedelijk moeten betalen voor de verwerving van de mobilofonielicenties kan hun kredietwaardigheid onder druk zetten. Dat schrijft De Financieel-Economische Tijd naar aanleiding van een rapport, dat het internationale ratingbureau Moody's publiceert. De licenties zullen de Europese telecomsector vermoedelijk meer dan 300 miljard euro kosten. De druk op de kredietwaardigheid zal variëren in functie van de gekozen financieringsstrategieën, hun totale investeringen in verhouding tot de cashflow, de impact op hun flexibiliteit en de snelheid waarmee de investeringen beginnen te renderen, aldus Carlos Winzer van Moody's.

Het Europees Parlement en de Europese Commissie hebben forse kritiek op het veilen van draadloze UMTS-frequenties. Een rapport van de parlementaire commissie Industrie stelt dat in Europa een oneerlijke situatie ontstaat, omdat niet alle lidstaten hun frequenties veilen.

Als het rapport wordt aangenomen in het Parlement, komt Europees Commissaris Erki Liikanen onder zware druk te staan om juridische acties te ondernemen tegen enkele lidstaten waaronder Nederland. Liikanen gaf tijdens een hoorzitting over de toekomst van de telecomsector al toe bezorgd te zijn over de hoge kosten bij de openbare veiling van UMTS-frequenties. Liikanen staat daarin niet alleen. Er was ook de kritiek van Proximus, een bestaand gsm-netwerk bij ons. Het Raadgevend Comité Telecommunicatie van het VBO stelde letterlijk dat "het veilen van frequenties niet de meest geschikte methode is om tot een doeltreffend gebruik van het radiospectrum te komen. Naast de eventuele licentievergoeding, moeten elementen zoals kwaliteit, referenties en technische kenmerken in aanmerking worden genomen. Een veiling speelt in het voordeel van grote bedrijven en gaat ten koste van kleinere ondernemingen die evenwel meer vernieuwing kunnen brengen. Daarenboven zal de toekenning van frequenties tegen hogere kosten dan de werkelijke kosten die de toekenning met zich meebrengt, gevolgen hebben voor de prijzen van de diensten en kan ze de ontwikkeling van de nieuwe diensten belemmeren die, zoals de mobiele diensten van de nieuwe generatie, zeer zware investeringen zullen vergen." Tot zover het Raadgevend Comité.

De topman van Ericsson verklaarde onlangs dat het veilen van licenties heel wat gevolgen kan hebben voor de mobilofoniebedrijven. Ook de topman van Worldcom liet zich in die zin uit.

De gang van zaken lijkt in strijd met artikel 11 van de Europese vergunningenrichtlijn, die stelt dat de vergoedingen die regeringen vragen voor machtigingen, uitsluitend mogen dienen ter dekking van de administratiekosten.

In Nederland heeft men vastgesteld dat internationale bedrijven zoals UPC, Worldcom, Global Crossing, Telefonica, Telecom Italia, geen gooi doen naar de Nederlandse UMTS-veiling. De biedingen blijven beperkt tot de vijf bestaande gsm-operatoren. Alleen Versatel komt erbij. Dit bedrijf heeft trouwens een boze brief geschreven naar Europees commissaris Liikanen om te zeggen dat deze veiling in strijd zou kunnen zijn met de richtlijn 97/13.

UPC, een onderdeel van het Amerikaanse UnitedGlobalCom, neemt geen blad voor de mond. Een woordvoerder verklaarde tegen The Wall Street Journal: "De veiling zal de prijs opdrijven tot niveaus die onredelijk zijn en waarop geen geld meer verdiend kan worden". Het kabelbedrijf zal later samenwerkingsverbanden aangaan met een partij die wel een frequentie verkrijgt.

Na terugtrekking van deze bedrijven blijven alleen Europese partijen over die zullen meedingen naar Nederlandse UMTS-licenties.

Dat is niets vergeleken met Groot-Brittannië, waar de licentieveiling een slordige 90 miljard gulden opbracht, ongeveer viermaal wat analisten hadden voorspeld. In Nederland wordt de veiling voor twee licenties sinds het begin van de maand gehouden. Ook andere landen waaronder België, Duitsland, Oostenrijk, Italië en Zwitserland zullen frequenties per opbod verhuren.

Daartegenover staat de aanpak van een aantal andere landen. Finland, het geboorteland van Liikanen, zal niet van die potentiële goudmijn genieten. Het is een wereldleider op het vlak van technologie voor mobilofonie en het heeft zijn licenties al gratis toegewezen. Daarmee hoopt het de nieuwe dienst zo snel en zo goedkoop mogelijk bij de klanten te brengen. Ook Frankrijk koos voor een andere aanpak via een "schoonheidswedstrijd" waarin de partijen met het beste voorstel werden gekozen. Ook Spanje koos niet voor een veiling, maar selecteerde vier bedrijven op basis van een gelijkaardige "schoonheidswedstrijd".

Waarom kiest de minister van Telecommunicatie voor een veiling en niet voor een schoonheidswedstrijd? Vreest hij niet dat een te grote vraagprijs de uitbouw van een netwerk op de helling zet? Zullen de gewone burgers wel een UMTS-abonnement kunnen betalen vanwege de torenhoge investeringen? Vreest hij niet voor onrechtstreekse concurrentie tussen de landen die voor een veilingsysteem kiezen en zij die voor een "schoonheidswedstrijd" opteren?

Hoe reageert de minister op de opmerkingen uit Europa? Beïnvloeden ze zijn houding in het dossier?

Kiest de minister voor een "enkel-enveloppe"-systeem, of gaat hij met de operatoren onderhandelen? Bestaat er een mogelijkheid om elementen van een "schoonheidswedstrijd" te combineren met een "veiling"?

Hoe zullen de bestaande operatoren worden behandeld? Krijgen ze een bepaald voorkeursrecht? In Nederland maakte Versatel opmerkingen in die zin.

Wat is het plan voor de uitbouw van de antennes voor het derde generatienetwerk? Wordt van de bestaande masten gebruik gemaakt? Komt er een sharingafspraak met de bestaande operatoren?

Wat is de geraamde opbrengstvork? Wat zal gebeuren met de meeropbrengsten die als lopend en niet-fiscaal zullen worden geboekt? Onlangs heeft de minister verklaard dat hij er de voorkeur aan geeft om dit geld te investeren in de nieuwe informatie- en communicatietechnologie. Wat bedoelt hij hiermee? Krijgt iedereen gratis toegang? Wordt het geld gebruikt voor investeringen in nieuwe toestellen?

Wat is de vooropgestelde timing? Tegen wanneer moet het eerste Belgische toestel operationeel zijn? Wanneer wordt de procedure in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd?

De heer Rik Daems, minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties. - Nu de Nederlandse veiling een week bezig is, is de vraag van de heer Van Quickenborne misschien nog relevanter dan een week geleden.

In essentie komt het erop neer dat de overheid een schaars goed, zoals in dit dossier een licentie, ter beschikking stelt van een beperkt aantal uitvoerders. Dit klinkt misschien abstract, maar het komt erop neer dat aan een beperkt aantal bedrijven het recht wordt verleend om geld te verdienen met het uitbaten van een licentie.

De eerste vraag die rijst, is op welke wijze zo neutraal mogelijk kan worden bepaald wie een dergelijke licentie mag uitbaten en wie niet. Twaalf maanden geleden had ik op Telecom Genève reeds aangekondigd een veiling te zullen organiseren. De enige objectieve manier om een dergelijke schaars goed toe te wijzen bestaat erin de markt te laten spelen. Als dat niet gebeurt, krijgt men vroeg of laat te maken met arbitraire besluitvorming.

Daarmee bedoel ik niet noodzakelijk negatieve of oneerlijke besluitvorming, maar wel niet op honderd percent objectieve maatstaven gestoelde besluitvorming.

Betekent dit dat geen kwaliteitsaspecten kunnen worden geïntroduceerd voor het verlenen van een licentie? Dit kan perfect. Gelet op de ervaring van andere landen, gaan we trouwens deze richting uit. In die context hebben we Rothschild and Sons Ltd., de consultant die ook de Britten hebben geconsulteerd voor hun veiling, de opdracht gegeven om een soort van preselectie uit te voeren, waarna de markt kan spelen via een concept van veiling. Dat betekent evenwel niet dat we een Brits model zullen gebruiken. De preselectie houdt in dat in een bestek minimale kwaliteitsnormen zullen worden vastgelegd. Deze normen kunnen betrekking hebben op universele dienstverlening, zoals de dekking van het hele grondgebied, of site sharing.

Het ligt in onze bedoeling dit soort van aspecten te onderzoeken en in een bestek op te nemen, waardoor meteen al een selectie ontstaat. In een hybride vorm van een "schoonheidswedstrijd" wordt dan van bij de aanvang onderzocht of een firma voldoet om in de Belgische context in aanmerking te komen voor een licentie.

Bij de vraag of al dan niet moet worden geveild, kunnen we leren van de ervaring van andere landen. In Groot-Brittannië lagen de prijzen hoger dan de ramingen van de Britten zelf, terwijl in Nederland de reële opbrengst waarschijnlijk lager zal zijn dan de raming.

Met veilingen heb ik ervaring, hoewel niet op dit gebied. Daaruit heb ik geleerd dat een veiling waarbij men vooraf verklaart veel geld te zullen verdienen, niet werkt. Een veiling daarentegen waarbij men vooraf duidelijk laat blijken tevreden te zijn met een relatief laag bedrag, heeft meer kans goed te werken, omdat de deelnemers ervan overtuigd zijn tegen een goede prijs te kunnen kopen.

Dit brengt mij dan meteen bij de vraag of de prijzen die in Groot-Brittannië werden betaald, ook in Nederland zullen worden gehaald, hoewel de prijs per potentiële klant ver uit elkaar kan liggen. Zullen die prijzen ook worden betaald in Spanje of in Finland, waar de prijs van de licentie nul frank bedraagt? Dit is relevant, omdat er geen correlatie bestaat tussen de betaalde prijs en de prijs voor de consument.

Die correlatie bestaat ook niet bij de licenties van de tweede generatie, die ofwel via een "schoonheidswedstrijd" ofwel via betaling tot stand zijn gekomen: in Nederland geveild, in België betaald, in Finland niet betaald, in Groot-Brittannië niet betaald...

Er bestaat ook geen enkele correlatie tussen de prijs voor de consument en de manier van toekennen van de licentie, gelet op de concurrentiële omgeving waar de markt de prijs zal bepalen.

Een volgende vraag is of de prijs excessief is in Groot-Brittannië. Indien de prijzen van Groot-Brittannië lineair op België zouden worden toegepast, hoewel de context eigenlijk verschillend is omdat de internet- en de gsm-penetratie alsook de potentiële klanten verschillend zijn, zou men in België voor een licentie 75 miljard betalen. Men kan beweren dat dit een groot bedrag is. Met een gek voorbeeld zal ik evenwel bewijzen dat dit bedrag niet zo overdreven is.

In België werd 9 miljard betaald voor een tweede generatie licentie. Onlangs heeft France Télécom Orange overgenomen en een overnameprijs betaald van meer dan 200 000 frank per klant. Reken daarbij een investering van 20 miljard voor masten en dergelijke. Als die operator een miljoen klanten heeft, heeft hij dus 30 miljard geïnvesteerd, maar heeft het bedrijf een reële marktwaarde van 200 miljard.

Dat is gewoon een eenvoudig voorbeeld. Aangezien de UMTS van de derde generatie zich zal enten op een veel bredere penetratie met een veel grotere dienstverlening en dus met een veel hogere toegevoegde waarde per klant, kan het wel eens zijn dat de prijzen die op het eerste gezicht zeer hoog lijken, dat uiteindelijk niet zullen zijn. Overigens kunnen we ons ook afvragen of enkele jaren geleden een eerlijke prijs is gevraagd. Als een bedrijf voor een licentie 30 miljard moet betalen, terwijl het na drie jaar 200 miljard in handen heeft, dan heeft het eigenlijk 170 miljard gekregen en kunnen we ons ook afvragen of dit redelijk en fair is. Willen we de markt voor een stuk laten spelen, dan kan dat alleen met een veiling, het zuiverste marktmechanisme in deze selectieprocedure. Verwacht ik dan zoveel geld van deze veiling? Natuurlijk niet. Volgens mij halen we de prijzen van Groot-Brittannië niet en dat is ook niet mijn bedoeling. Ik blijf bij de raming die ik aanvankelijk maakte en als de veiling om en bij de 15 miljard opbrengt, dan is dat voor mij goed, want dan weet ik dat de markt het zo gewild heeft. Is het meer, des te beter. Een licentie van 15 miljard betekent een potentiële opbrengst van 60 miljard.

Wat maakt de aanpak in ons land zo verschillend van die in Nederland? We hebben niet evenveel licenties als er operatoren van de tweede generatie bestaan. Dat is een heel belangrijk element, omdat de markt er vandaag vanuit gaat dat een gsm-operator van de tweede generatie absoluut een licentie van de derde generatie moet kopen, omdat van daaruit diensten van de tweede generatie kunnen worden aangeboden. Simplistisch gezegd, waarom zou iemand nog een zwartwit-televisie kopen als hij ook een kleurentelevisie kan kopen? Indien we maar evenveel licenties ter beschikking stellen als er operatoren van de tweede generatie bestaan, dan zal een nieuwe operator - al dan niet op de beurs genoteerd - nooit aan zijn aandeelhouders verkocht krijgen dat hij een spel meespeelt dat hij nooit zal, kan of mag winnen. De andere operatoren evolueren dan immers de facto naar een bepaalde prijs. Wat dan wel kan gebeuren - wat in Nederland het geval was - is dat de prijzen door een operator artificieel de hoogte worden ingejaagd, omdat hij weet dat het geen zin heeft mee te doen op een markt waar er evenveel licenties als kandidaten bestaan en het dus niet meer om een veiling gaat. Daarom hebben we in België ook besloten niet drie maar vier licenties te veilen, één meer dan er operatoren zijn, zonder dat de operatoren weten welke van de vier ze kunnen binnenhalen. Het gevolg is dat verscheidene operatoren die vandaag niet in België gevestigd zijn, toch kunnen bieden op de vier licenties zonder dat er een gereserveerd is. Op die manier kan de markt wel correct spelen bij de prijsvorming van de licenties.

Leidt het feit dat er in de verschillende landen verschillende systemen van toepassing zijn niet tot een scheeftrekking? Als dat het geval was, dan had Europa al bij de tweede generatie moeten optreden, want toen werd er al gewerkt met "schoonheidswedstrijden", veilingen, gemengde systemen en gratis uitreiking. We krijgen nu dus eigenlijk een herhaling, die nu misschien iets scherper ligt omdat de verkoop in Groot-Brittannië zoveel meer heeft opgebracht dan verwacht. Waarom zou een soevereine staat echter niet zelf mogen beslissen hoe een schaars goed wordt toegekend, voor zover de markt blijft spelen en er geen concurrentievervalsing wordt veroorzaakt? Mijn mening daarover is misschien wat verrassend. Doordat Spanje licenties gratis weggeeft, kunnen Spaanse operatoren meer middelen vrijmaken om in België een hogere prijs te betalen. Waarom zou ik mij daarover zorgen maken? Wie zijn licenties gratis weggeeft, kan meer investeren in andere landen. Daar kunnen we eigenlijk alleen maar blij om zijn.

Men geeft nogal graag het voorbeeld van Finland, maar België is daarmee niet vergelijkbaar. Finland is een pionier op het vlak van draadloze verbindingen, maar daar is ook een reden voor. In Finland was het nu eenmaal niet mogelijk naar alle fjorden koperdraad te leggen. Daarom werd er aanvankelijk met radioverbindingen aan telefonie gedaan om van daaruit naar de gsm over te stappen.

De markt in Finland heeft zich gewoon anders ontwikkeld dan in België. De Amerikaanse markt daarentegen ontwikkelde zich snel via internet, maar zal omdat het zich daar te veel aan vastklampt, uiteindelijk een achterstand hebben tegenover Europa dat draadloos werkt. Kortom de vergelijkingen lopen vaak mank.

We hebben de consultant opdracht gegeven de veiling nog voor het eind van het jaar te organiseren. Daarvoor zullen uiteraard nog een aantal koninklijke besluiten moeten worden genomen. In principe zal de licentie tussen 1 en 22 december worden toegekend. Een veiling is het enige systeem dat marktwerking toelaat. Misschien komt er een preselectie waarbij rekening wordt gehouden met bepaalde aspecten. Zo hebben sommige operatoren die vandaag actief zijn, hun prijs bepaald op grond van een toekomstvisie en een contract dat een paar jaren geldt en dat nu midden van de termijn wordt aangetast. De vraag zal zijn in hoeverre we met die aspecten rekening kunnen houden, gelet op de anti-concurrentieregels. Aangezien het om verschillende technologieën gaat, zijn de meningen verdeeld. De enen menen dat je er geen rekening mee mag houden. Anderen gaan ervan uit dat voor een dienstverlening die voor 15 jaar is verkocht, na drie jaar geen concurrentie mag worden opgedrongen. Dat zou erop neerkomen dat een te hoge prijs is betaald. Die discussie zal door de consultant moeten worden uitgeklaard, in overleg met de Europese Commissie. We mogen zeker geen risico's lopen, want het gaat in de telecommuniecatie om het veroveren van klanten en het creëren van inkomsten. Het gaat over enorm veel geld. En voor het minste geschilpunt stapt men naar de rechtbank. Dat risico wil ik zo klein mogelijk houden en ik sta er dan ook op dat de procedure correct wordt gevolgd.

Is het een soort omgedraaide belasting voor de consument? Die correlatie kan niet worden gemaakt. Er is wel een verband tussen prijs en waarde. Tegenover een investering van 9 miljard voor 1 miljoen klanten kan een bedrijf staan met een waarde van 200 miljard, zelfs als de opstartfase veel kost. Zelf maak ik mij de bedenking dat de opbrengst van de veiling best kan worden geïnvesteerd in de informatiesamenleving. Als een markt zich ontwikkelt dan wordt altijd geprobeerd de best betalende klant te bereiken. Dan is het businessplan immers het meest rendabel, want dat geeft de grootste betaalzekerheid. Het lijkt mij niet onlogisch de opbrengst van een veiling te herinvesteren met het oog op een herverdelend effect waardoor ook minder gegoeden toegang krijgen tot de telecommunicatie. Vandaag is nog niet uitgemaakt op welke manier dit moet gebeuren, maar de politieke discussie daarover is wel gestart. In de regering heb ik uitgebreid voorstellen ter tafel gelegd inzake het masterplan voor de informatiesamenleving. Hoewel de veilingopbrengsten lopende niet-fiscale ontvangsten zijn die perfect in rekening kunnen worden gebracht voor het lopend begrotingstekort, is het misschien het verstandigst ze af te trekken van de staatsschuld. Hierdoor wordt een bepaald rendement of een min-intrest gecreëerd. Ik zal mijn collega's ervan proberen te overtuigen het geheel van de opbrengst of een gedeelte daarvan te reserveren als een recurrent krediet dat elk jaar wordt geïnvesteerd in de informatiesamenleving. Zodoende belasten we de markt minder en creëren we nieuwe middelen om aan nieuwe behoeften te voldoen.

Ik denk dat ik daarmee al de vragen van de heer Van Quickenborne heb beantwoord, maar evengoed besef ik dat hij het met mij nooit eens mag, kan of zal zijn. Ik kan alleen hopen dat hij op een bepaald ogenblik toch de bedenking zal maken dat het toch zo gek niet is van de licentie te veilen in plaats van ze weg te geven.

De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). - De minister heeft op een aantal punten natuurlijk gelijk. Zijn standpunt is trouwens toch licht geëvolueerd in vergelijking met wat hij destijds verdedigde inzake Telecom-Genève. Het doet mij bijzonder plezier dat hij denkt aan een preselectie aan de hand van criteria als dekkingsgraad, site sharing en dergelijke.

Ik wil nog even terugkomen op de economische theorie over de verdeling van een schaars goed die hij als uitgangspunt hanteert. Het gaat hier over vier licenties en over frequenties die hij veilt. Veronderstel dat wij morgen de Vlaamse of de Belgische kust - dat laat ik nu in het midden - privatiseren, geven we dan elke gebruiker daardoor automatisch ook de mogelijkheid van die kust gebruik te maken? Ik wil maar zeggen, het criterium van de universele dienstverlening op het vlak van de mobilofonie bestaat vandaag niet, wij kunnen elke Belg niet de garantie geven dat hij met zijn gsm van een minimumpakket diensten gebruik kan maken. Misschien is deze kwestie de ideale aanleiding om over die universele dienstverlening vanuit een vast toestel en over de uitbreiding daarvan naar mobilofonie eens een grondig debat te voeren.

De minister maakte vroeger de vergelijking met de zwartwit-televisie. Hij komt daar tegelijk deels op terug. De vraag is en blijft of een derde generatie mobilofonie helemaal in het verlengde ligt van de twee generatie mobilofonie. Blijkens een artikel in The Economist van deze week is de ontwikkeling van de derde generatie UMTS nog helemaal niet gegarandeerd. Men verwacht blijkbaar veel van de GPRS, de 2.5-generatie, de upgrade van het bestaande mobilofonienetwerk, iets wat Mobistar plant voor het najaar. Het is niet onwaarschijnlijk dat wanneer UMTS in volle ontwikkeling komt, de bestaande contracten en licenties over tweedegeneratie-gsm's afgelopen zullen zijn. Dit verdient evenveel aandacht bij de behandeling van de bestaande operatoren als de theorie van de contractbreuk.

Ik sluit af met een bedenking bij wat de minister vertelde over de inkomsten. Het verheugt me dat er toch al een masterplan bestaat voor de informatiemaatschappij. Vaak krijg ik de indruk dat de ministers van de federale regering naast elkaar fietsen, dat ze als cowboys wild in het rond schieten. De persconferentie van mevrouw Onkelinx en minister Picqué van vorige week was zo'n schot in de lucht, aangezien die voor een deel handelde over vorming, wat een gemeenschapsmaterie is. Zijn collega Van den Bossche heeft van zijn kant een `Werkgroep Informatiemaatschappij' opgericht. De ministers fietsen naast elkaar zonder enige coördinatie, zodat we alleen maar kunnen raden welke richting de regering uitgaat. Als het de richting van minister Daems is, dan wil ik desgevallend wel volgen. Maar als het de andere ministers zijn die voorop gaan rijden, dan houd ik mijn hart vast. Ik heb deze kritiek ook al geuit bij de discussie over de elektronische handel, waartoe collega Destexhe toen de aanzet gaf. Ik dring erop aan dat de regering wat meer uniformiteit aan de dag legt in haar optreden en dat ze alle ministers op een lijn brengt. Hopelijk kunnen we dan het masterplan zo snel mogelijk ook in de Senaat bespreken. Dan kunnen de senatoren die zich met deze materie bezighouden, zoals collega Istasse en ikzelf, ook hun inbreng hebben. Een democratische inbreng van het parlement garandeert ook dat er rekening wordt gehouden met de wensen van de bevolking.

- Het incident is gesloten.