Vragen en Antwoorden

Belgische Senaat


Bulletin 2-19

ZITTING 1999-2000

Vragen waarop niet werd geantwoord binnen de tijd bepaald door het reglement
(Art. 66 van het reglement van de Senaat)

(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans


Vice-eerste minister en minister van Mobiliteit en Vervoer

Vraag nr. 671 van mevrouw Taelman d.d. 24 mei 2000 (N.) :
Bewonerskaarten. ­ Toekenningsvoorwaarden.

Het ministerieel besluit van 18 december 1991 geeft aan dat inwoners aan hun gemeentebestuur een bewonerskaart kunnen aanvragen als zij wonen aan een openbare weg waar bijzondere parkeerregelingen getroffen zijn én indien zij binnen een straal van 400 m rond hun woning niet gratis kunnen parkeren. Er wordt slechts één bewonerskaart uitgereikt per wooneenheid en de aanvrager moet het bewijs voorleggen « dat het voertuig op zijn/haar naam is ingeschreven óf dat hij/zij er bestendig over beschikt » (artikel 3).

De logica lijkt dan dat niet alleen een bewonerskaart wordt uitgereikt voor wagens die ingeschreven zijn op een privé-persoon, maar ook voor geleasde of bedrijfswagens. Een rondvraag bij enkele gemeenten leert dat wordt gevraagd dat het bedrijf een attest aflevert met de mededeling dat de privé-persoon bestendig over de wagen kan beschikken, zoals in het ministerieel besluit vermeld. Wij menen dat dit ook de correcte interpretatie is van het ministerieel besluit.

Het gemeentebestuur van Herentals echter, weigert pertinent een bewonerskaart af te leveren aan mensen die met een bedrijfswagen rijden. Dit druist niet alleen in tegen het ministerieel besluit, maar ook tegen alle logica. Het doel van zo een kaart is toch dat een gezin de kans heeft om ten minste één wagen kort bij huis te kunnen parkeren, ongeacht of die nu op de natuurlijke persoon of op een bedrijf is ingeschreven. De betrokken inwoners van deze gemeente worden gediscrimineerd ten opzichte van de inwoners van de omliggende gemeenten.

1. Heeft de geachte minister zicht op de manier waarop het ministerieel besluit door de diverse gemeenten wordt toegepast, met andere woorden is de geciteerde gemeente een uitzondering ?

2. Hoe ziet de geachte minister de correcte interpretatie van het ministerieel besluit ?

3. Is het, gelet op het voorgaande, nodig dat de geachte minister een verduidelijking van dit besluit verstuurt aan de gemeenten zodat eenvormige toepassing bekomen wordt ?