2-57

2-57

Sťnat de Belgique

Annales parlementaires

JEUDI 22 JUIN 2000 - S…ANCE DE L'APR»S-MIDI

(Suite)

Question orale de Mme Ingrid van Kessel au ministre des Affaires sociales et des Pensions sur ęles supplťments d'honorairesĽ (nį 2-295)

Mevrouw Ingrid van Kessel (CVP). - Het probleem van de ereloonsupplementen houdt ons al zeer lang bezig. De minister van Sociale Zaken heeft eerder verklaard dat hij een koninklijk besluit achter de hand houdt omdat hij aan de Commissie artsen-ziekenfondsen heeft gevraagd zelf een sluitend voorstel uit te werken. Dit is een goede zaak, alleen word ik - en heel wat patiŽnten samen met mij - nogal ongeduldig.

Vandaag is deze commissie niet verder gekomen dan het aangeven van enkele elementen aan de minister. Een van de suggesties zou zijn om de ereloonsupplementen van geconventioneerde artsen te koppelen aan het inkomen van de patiŽnt die in een twee- of meerpersoonskamer in een ziekenhuis verblijft. De relevantie van ereloonsupplementen is me steeds ontgaan, maar waarom ze aan het loon moeten worden gekoppeld, begrijp ik helemaal niet.

Ondertussen blijft het aandeel van de patiŽnt echter stijgen. "Men" zegt dat de budgetten van de ziekenhuizen te krap zijn, dat de erelonen van de artsen niet hoog genoeg zijn en dat "we kunnen niet zonder supplementen". De patiŽnt is hiervan telkens de dupe.

Op zijn 1-meitoespraak heeft de minister geopperd dat moet worden overwogen om de gezondheidszorg vanaf een bepaald plafond gratis te maken. Ereloonsupplementen worden echter niet geregistreerd. Hoe kan dit plafond dan ooit worden gehanteerd?

Hoelang moeten we nog wachten op het verbod op ereloonsupplementen? Heeft de minister reeds een standpunt ingenomen? Wanneer gaat hij zelf een koninklijk besluit uitvaardigen?

De heer Frank Vandenbroucke, minister van Sociale Zaken en Pensioenen. - De problematiek van de ereloonsupplementen is inderdaad belangrijk, omdat die kadert in de ruimere bekommernis omtrent de toegankelijkheid van de gezondheidszorg voor iedereen, zeker voor mensen met een bescheiden inkomen.

Daarover is vorig jaar wetgeving tot stand gekomen. Op basis daarvan werd een koninklijk besluit ontworpen, dat inhoudt dat een beperking van ereloonsupplementen kan worden ingevoerd vanaf het jaar 2000. Dat ontwerp van koninklijk besluit heb ik een tijd geleden voor advies voorgelegd aan de medico-mutualistische commissie, maar terzake werd geen advies uitgebracht, gelet op de verdeeldheid in die commissie.

Ik heb de gesprekspartners van de medico-mutualistische commissie erop gewezen dat ik met betrekking tot dit moeilijk probleem tussen ziekenfondsen en artsenorganisaties de voorkeur geef aan een definitieve regeling, die beantwoordt aan de zorg om toegankelijkheid en kan worden beschouwd als de definitieve beŽindiging van dit probleem. Op die basis zijn dan ook gesprekken gestart.

Bovendien had ik meegedeeld dat ik een koninklijk besluit wens uit te vaardigen dat de toepassing van de wet zou omvatten tot het einde van het jaar 2000. Dit koninklijk besluit werd intussen reeds voorgelegd aan de medico-mutualistische commissie, maar ook hierover kreeg ik geen advies, omdat de meningen daaromtrent nog steeds verdeeld zijn.

Inmiddels heb ik dit koninklijk besluit voor advies naar de Raad van State gestuurd. Toch blijf ik hopen dat tussen de gesprekspartners in de medico-mutualistische commissie een akkoord kan worden gevonden over deze kwestie. In dit verband ben ik niet pessimistisch. Men heeft immers al heel wat besprekingen achter de rug en ingaande op mijn vraag werd hierover de voorbije maanden uitvoerig gediscussieerd. Er is nog wel geen definitief akkoord, maar er is ook geen breuk tussen de artsenorganisaties en de ziekenfondsen. Ik ben dan ook van oordeel dat het mogelijk is een akkoord te sluiten. Een onderhandelde afspraak met betrekking tot deze kwestie is trouwens de beste oplossing.

Het koninklijk besluit volgt evenwel de normale procedure. Zoals ik reeds vermeldde, ligt het nu voor advies bij de Raad van State. Ik heb steeds voorgehouden dat ik in geval van een bevredigend akkoord geen koninklijk besluit hoefde te publiceren en dat, indien het reeds gepubliceerd zou zijn, ik het onmiddellijk zou intrekken. Alleszins heb ik de hoop dat een akkoord zal worden gesloten tussen de artsenorganisaties en de ziekenfondsen.

Mevrouw Ingrid van Kessel (CVP). - Ik dank de minister voor zijn uitvoerig antwoord. Ik ben echter iets minder optimistisch, gelet op de timing.

Niettemin wil ik het politiek signaal overmaken met betrekking tot het advies van de medico-mutualistische commissie. We zijn nu al enkele maanden verder. Een akkoord is inderdaad belangrijk, maar het mag toch niet te lang meer op zich laten wachten. Dringt de minister daarop aan? Binnen welke timing denkt hij over een akkoord te beschikken?

De heer Frank Vandenbroucke, minister van Sociale Zaken en Pensioenen. - Ik heb daar inderdaad op aangedrongen, maar deze aangelegenheid werd nooit geregeld in de periode 1963-1999. Pas in 1999 werd een regeling uitgewerkt met betrekking tot de ereloonsupplementen.

Ik wens een bevredigende regeling uit te werken die duurzaam is en niet het voorwerp uitmaakt van voortdurende conflicten. Daarbij komt het wat mij betreft niet op een week aan. Ik geef de voorkeur aan een goed definitief akkoord, maar intussen volgt het koninklijk besluit, dat intussen is voorgelegd aan de Raad van State, de normale weg.

De regering wenst een akkoord dat uitgaat van het principe van toegankelijkheid van de zorgverstrekking. Ik meen evenwel dat we een akkoord niet onmogelijk mogen maken door de gesprekken overhaast te doen afbreken. Ze zijn vruchtbaar, hoewel er nog geen definitief akkoord is, maar evenmin is er een breuk. Alle elementen zijn aanwezig op basis waarvan een akkoord kan worden gesloten.