(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans
Wanneer de administratie der Directe Belastingen tegen een belastingplichtige een onderzoek opent op basis van artikel 341 WIB (aanslag volgens indiciën), omdat de aangegeven inkomsten lager lijken dan de veronderstelde uitgaven, voert de belastingplichtige vaak aan dat hij tijdens de betrokken periode is geholpen door naaste verwanten of vrienden.
Naar ik verneem bestaat er een algemeen vermoeden dat dergelijke getuigenissen uit welwillendheid worden gegeven. Dit vermoeden zou gebaseerd zijn op twee betwistbare argumenten : de nauwe band tussen de belastingplichtige en degenen die hem hebben geholpen, en het ontbreken van geldstromen via de banken.
Deze argumenten lijken mij hoogst onredelijk.
Enerzijds wordt een belastingplichtige die op financieel vlak een moeilijke periode kent, geholpen door zijn naaste verwanten en meest intieme vrienden, en niet door derden of door banken (deze laatste kan hij immers geen zekerheden bieden). Het heeft geen zin de waarde van mondelinge of schriftelijke getuigenissen te loochenen alleen omdat de betrokken personen een nauwe band hebben met de belastingplichtige.
Anderzijds levert het ontbreken van geldstromen via de bank die een concreet bewijs zouden zijn van de financiële hulp aan de belastingplichtige al evenmin een gegronde reden op voor achterdocht. Een handelaar moet een aantal stukken van zijn boekhouding gedurende een bepaalde tijd bewaren om ze aan de belastingdiensten te kunnen voorleggen. Dat geldt evenwel niet voor documenten die het privé-leven betreffen. Schriftelijke bewijzen (zoals geldstromen via de bank) worden alleen opgebouwd als de partijen (de schenker en de ontvanger) bij voorbaat weten dat zij rekenschap zullen moeten afleggen. In dit geval kunnen ze dat evenwel niet weten, omdat het onderzoek van de indiciën altijd een periode uit het verleden betreft, en niet een lopende periode. Ten slotte bieden familie en vrienden vaak vooral hulp in natura (huisvesting, maaltijden, nieuwe kleren, wassen van kleren). Het bestaan van deze hulp kan alleen worden bewezen door de verklaringen van degenen die ze hebben verleend.
Vindt de geachte minister het niet absoluut noodzakelijk en dringend nodig om de belastingdiensten instructies te geven om meer respect en tact aan de dag te leggen bij het aanvaarden van dergelijke verklaringen ?