2-417/1 | 2-417/1 |
26 APRIL 2000
Artikel 488bis, a), van het Burgerlijk Wetboek bepaalt het volgende : « De meerderjarige die, geheel of gedeeltelijk, zij het tijdelijk, wegens zijn gezondheidstoestand, niet in staat is zijn goederen te beheren, kan met het oog op de bescherming ervan, een voorlopige bewindvoerder toegevoegd worden, als hem nog geen wettelijke vertegenwoordiger werd toegevoegd. »
De vrederechter is belast met de toevoeging van de voorlopige bewindvoerder. Wettelijk gezien is het niet mogelijk verschillende personen toe te wijzen, wat vaak noodzakelijk kan zijn wanneer de persoon al zijn kinderen als voorlopig bewindvoerder wenst aan te wijzen. Op die manier vermijdt men dat er in de familie achterdocht ontstaat.
De wetgever heeft zich bovendien beperkt tot het beschermen van de goederen van een persoon die niet in staat is zijn goederen te beheren.
Met de huidige hoge levensverwachting (in België 82 jaar voor vrouwen en 76 jaar voor mannen) is het volstrekt normaal dat een afhankelijk of fysiek onbekwame persoon een bewindvoerder kiest om zaken in verband met zijn persoon te beheren.
Sinds een aantal jaren wensen heel wat burgers deze keuze zelfs vooraf te maken, dat wil zeggen nog vóór ze zelf totaal afhankelijk of totaal onbekwaam worden.
De notarissen krijgen steeds vaker met dit probleem te maken want vele cliënten wensen zelf hun toestand van onbekwaamheid te regelen door een vertegenwoordiger of een lasthebber aan te wijzen die kan optreden vanaf het ogenblik dat hun onbekwaamheid erkend wordt.
Onze wetgeving is op dat vlak jammer genoeg onvolledig. Het Burgerlijk Wetboek beschikt voor de bescherming van onbekwamen over het volgende juridisch instrumentarium :
de wet van 29 juni 1973 tot invoering van de staat van verlengde minderjarigheid (artikel 487bis);
de wet van 18 juli 1991 tot invoering van de voorlopige bewindvoerder (artikel 488bis);
de onbekwaamverklaring (artikel 489);
de bijstand van een gerechtelijk raadsman (artikel 513);
de algemene en/of occasionele bevoegdheden die aan een echtgenoot verleend worden (machtiging door de rechtbank van eerste aanleg artikelen 219, 220 en 1420).
In al deze gevallen (behalve in artikel 219) gaat het om een gerechtelijke lasthebber of om een wettelijke lasthebber (voogd). Deze wordt door de rechtbank aangewezen, nadat de onbekwaamheid zich heeft voorgedaan, dus zonder overleg en a fortiori zonder de uitdrukkelijke toestemming van de onbekwame zelf.
De vraag rijst of er een middel bestaat om een lasthebber of een vertegenwoordiger voor de toekomst aan te wijzen, dat wil zeggen of de te beschermen persoon de overdracht van bevoegdheden ten gunste van de lasthebber kan uitstellen tot de onbekwaamheid zich voordoet en, zo ja, op welk ogenblik de bevoegdheden dan overgedragen worden.
Men is het erover eens dat wanneer de te beschermen persoon onbekwaam wordt, dit een einde maakt aan de lastgeving, maar dan alleen indien de onbekwaamheid invloed heeft op de handelingen waartoe in de lastgeving opdracht is gegeven.
Een bedongen lastgeving komt eerst vanaf de aanvaarding door de lasthebber tot stand. In ons geval wordt het precieze ogenblik waarop de lastgeving aanvaard wordt, overgelaten aan de vrije beoordeling van de lasthebber (aangezien de te beschermen persoon geacht wordt onbekwaam te zijn om zijn wil te uiten op het ogenblik waarop de lastgeving uitwerking zou moeten krijgen).
Men moet dus drie gevallen onderscheiden :
1º ofwel is de te beschermen persoon bekwaam op het ogenblik van de handeling die krachtens de lastgeving verricht wordt en kan deze lastgeving bijgevolg uitgevoerd worden;
2º ofwel is de te beschermen persoon onbekwaam geworden zonder dat een gerechtelijke maatregel ten aanzien van hem is genomen en zonder dat zijn staat als dusdanig door een gerechtelijke instantie erkend is. In dat geval is de lastgeving onuitvoerbaar;
3º ofwel wordt de te beschermen persoon krachtens een gerechtelijke beschikking onbekwaam verklaard en dan vallen we onder de toepassing van verschillende wetsbepalingen zoals de voogdij, het voorlopig bewind, de onbekwaamverklaring, de gerechtelijk raadsman of de specifieke bevoegdheden.
Alleen dit laatste geval wordt in de huidige wetgeving reeds geregeld. In ons land krijgen de beschermingsmaatregelen ten aanzien van een onbekwame uitwerking vanaf de aanvaarding van de aanwijzing tot voorlopig bewindvoerder of vanaf de dag van het vonnis.
De bevoegdheden van de vertegenwoordiger vloeien voort uit de wet en krijgen dus uitwerking zodra de rechtbank zich uitgesproken heeft. De vertegenwoordigers zijn niet bevoegd om op te treden voordat de rechtbank de opdracht verleend heeft.
Volgens de huidige wet heeft de betrokkene niet de mogelijkheid om zelf zijn lasthebber of vertegenwoordiger aan te wijzen, en evenmin om te bepalen welke bevoegdheden hem verleend zullen worden, noch vanaf wanneer de overdracht van bevoegdheden uitwerking heeft. Het Belgische Burgerlijk Wetboek geeft dus niemand de mogelijkheid om zijn eigen onbekwaamheid zelf te regelen.
Ons land staat zeker niet alleen in Europa maar de toestand is niet overal gelijk. Sommige landen staan op dit vlak al een stuk verder.
In Frankrijk bestaat er bijvoorbeeld iets wat de lettre d'intention wordt genoemd, waarin de toekomstig onbekwame persoon de rechter verzoekt de persoon van zijn keuze als voogd aan te wijzen. Deze praktijk heeft geen wettelijke grond maar heeft slechts een indicatieve waarde.
Andere Europese landen zijn zich reeds bewust geworden van het bestaan van het probleem en hebben wetten aangenomen :
1. In Ierland bestaat de power of attorney, de bevoegdheid of de lastgeving inzake vrijwillige vertegenwoordiging (ingevoerd bij een wet van 1 juni 1996), die georganiseerd en aangewezen wordt in tempore non suspecto. De lastgeving of de bij lastgeving verleende bevoegdheden blijven van kracht zelfs nadat de onbekwaamheid ingetreden is (enduring power). Er wordt een bijzonder register aangelegd en de overdracht van bevoegdheden wordt verdaagd tot de afgifte van een doktersattest.
2. In Schotland is de toestand vergelijkbaar : tenzij het tegendeel bepaald is, behoudt de lasthebber zijn bevoegdheden nadat de onbekwaamheid ingetreden is voor alle opdrachten die na 31 december 1990 verleend zijn.
3. Catalonië heeft een soort « zelf-voogdij » ingevoerd (bij de wet van 29 juli 1996), een orgaan voor wettelijke vertegenwoordiging : de toekomstig onbekwame persoon wijst zijn voogd aan en bepaalt diens bevoegdheden.
4. In Duitsland heeft de wet van 1 januari 1992 de volgende mogelijkheden geschapen :
De betrokkene kan een Betreuer (curator) kiezen aan wie bij het vonnis van onbekwaamverklaring beperkte bevoegdheden worden verleend. De rechter in voogdijzaken is (behalve om ernstige redenen) verplicht de door de betrokkene gekozen persoon als Betreuer aan te wijzen.
De Vorsorgevollmacht is de aanwijzing van een algemene lasthebber in geval van een toekomstige onbekwaamheid. De bevoegdheidsverdracht gaat eerst in vanaf de (gerechtelijke) onbekwaamverklaring.
5. In Engeland en Griekenland kan de toekomstige onbekwame het beheer van zijn vermogen door middel van een stichting of een trust opdragen aan een trustee. De Angelsaksische trust gaat echter veel verder dan de lastgeving of de vertegenwoordiging.
In al deze verschillende systemen treffen we overeenstemmende elementen aan. Een aantal daarvan, en niet de minste, bestaan niet in ons systeem :
a) de toekomstig onbekwame wijst in tempore non suspecto zijn lasthebber of vertegenwoordiger aan. De gerechtelijke macht bekrachtigt die keuze in voorkomend geval.
b) De draagwijdte van de volmacht wordt in principe overgelaten aan de vrije beoordeling van de toekomstig onbekwame. Indien de volmacht niet duidelijk afgelijnd is, zal de rechter de grenzen ervan bepalen. Over het algemeen beschikt de lasthebber slechts over een beheersmandaat.
c) In bijna alle gevallen gaat de overdracht van bevoegdheden pas in wanneer de onbekwaamheid zich voordoet, hetgeen bij rechterlijke beslissing bepaald wordt.
d) Het toezicht op het beheer van de lasthebber wordt bijna altijd opgedragen aan de rechterlijke macht en verloopt periodiek (jaarlijks) en/of incidenteel.
e) De lastgeving kan altijd herroepen worden (door de rechterlijke macht).
f) De openbaarheid verschilt naar gelang van het geval : in Spanje, Schotland en Ierland bestaat er een ad-hocregister, in Duitsland niet.
g) Ten slotte geldt overal de regel van het persoonlijk initiatief van de toekomstige onbekwame in de keuze van de lasthebber of de vertegenwoordiger, zowel in geval van vrijwillige als van wettelijke vertegenwoordiging.
Dit voorstel beoogt dus al deze leemten aan te vullen. Zonder onze wetgeving terzake te moeten wijzigen, kan men er in ons land voor zorgen dat iemand zijn eigen onbekwaamheid kan regelen, door een vrij eenvoudige aanvulling van artikel 488bis van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 2
Artikel 488bis van het Burgerlijk Wetboek waarborgt het recht van elke zieke om de aanwijzing van een voorlopig bewindvoerder over zijn vermogen te vragen wanneer zijn verslechterende gezondheidstoestand hem doet vrezen dat zijn goederen slecht beheerd zullen worden.
Hier wordt aleen de toestand beoogd wanneer iemand « wegens zijn gezondheidstoestand geheel of gedeeltelijk niet in staat is zijn goederen te beheren ». Er wordt geen rekening gehouden met de persoon die zich in goede gezondheid bevindt maar die aan zijn toekomst wil denken door vooraf de lasthebber aan te wijzen die, wanneer zijn gezondheid sterk achteruitgaat, zijn goederen zal beheren.
Het artikel maakt ook melding van slechts één voorlopig bewindvoerder. Er wordt geen rekening gehouden met het geval waarin de persoon er de voorkeur aan geeft zijn goederen collegiaal te laten beheren door al zijn kinderen.
Ten slotte beperkt het artikel zich tot het « beheer van goederen ». Er wordt niets voorzien voor het geval waarin het individu ook iemand zou willen belasten met de zorg voor de fysieke, morele, psychische, enz. kant van zijn bestaan.
Artikel 3
Het voorgestelde artikel 488ter behandelt de toestand waarin de volwassene zelf vooraf zijn bescherming regelt wetende dat hij op een bepaald ogenblik niet meer in staat zal zijn zijn belangen waar te nemen.
Daartoe verleent hij door middel van een eenzijdige wilsbeschikking vertegenwoordigingsbevoegdheden aan een of meer personen van zijn keuze.
De hier beoogde toestand wordt gekenmerkt door het feit dat de vertegenwoordiger deze bevoegdheden eerst kan beginnen uit te oefenen nadat de volwassene die ze verleend heeft, zijn belangen niet meer kan waarnemen. Voor de totstandkoming van de bevoegdheden is een beslissing van de rechter vereist waarin de onbekwaamheid vastgesteld wordt.
De aldus verleende bevoegdheden kunnen zeer uiteenlopend zijn. Ze hebben betrekking op zowel het beheer van de goederen van de volwassene als de verzorging die hij als persoon nodig heeft. Zo kan men de lasthebber ook de instructie geven om in geval van ongeneeslijke ziekte af te zien van het hardnekkig voortzetten van uitzichtloze therapieën.
Deze voor een staat van onbekwaamheid verleende lastgeving verschilt helemaal van de gewone lastgeving die door een volledig bekwame volwassene aan een persoon verleend wordt voor het beheer van zijn belangen.
Deze laatste lastgeving, die onmiddellijk ingaat en volgens de meeste nationale wetten een einde neemt wanneer de onbekwaamheid van de volwassene zich voordoet of wanneer diens onbekwaamheid om zijn belangen waar te nemen vastgesteld wordt, valt in het internationaal privaatrecht onder het Verdrag van Den Haag van 14 maart 1978 betreffende het recht dat van toepassing is op de overeenkomsten van tussenpersonen en op de vertegenwoordiging. Bij gebreke van een rechtskeuze wordt de overeenkomst in principe beheerst, zo stelt het verdrag, door de wet van het land waar de tussenpersoon zijn bedrijf heeft gevestigd of waar hij gewoonlijk verblijft en is die wet met name van toepassing op de beëindiging van de volmacht van de tussenpersoon.
De lastgeving in geval van onbekwaamheid wordt daarentegen beheerst door de wet van de Staat waar de volwassene op het ogenblik van de eenzijdige wilsbeschikking gewoonlijk verblijft. Het bestaan, de omvang en de beëindiging van de vertegenwoordigingsbevoegdheden die door deze volwassene verleend zijn, worden eveneens beheerst door de wet van de Staat waar hij gewoonlijk verblijft.
| Olivier de CLIPPELE. |
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Art. 2
In artikel 488bis, a), van het Burgerlijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 18 juli 1991, worden de woorden « kan met het oog op de bescherming ervan, een voorlopige bewindvoerder » vervangen door de woorden « kunnen, met het oog op de bescherming ervan, een of meer voorlopige bewindvoerders ».
Art. 3
In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 488ter ingevoegd, luidende :
« Art. 488ter. § 1. Eenieder die de leiding van zijn persoon en het beheer van zijn goederen wenst te regelen, kan een volmacht opstellen die in werking zal treden de dag waarop de vrederechter vastgesteld heeft dat de voorwaarden voor het voorlopig bewind overeenkomstig artikel 488bis vervuld zijn.
In dat geval handelen de lasthebber of lasthebbers binnen de grenzen van hun opdracht onder toezicht van de vrederechter.
§ 2. Wanneer de lastgever meer dan een persoon als lasthebber aanwijst en een van deze lasthebbers van zijn opdracht afziet, oefenen de anderen hun opdracht onbelemmerd uit.
§ 3. De volmacht moet in authentieke vorm worden opgesteld. Zij kan bovendien bepalen dat de lasthebber of lasthebbers elke handeling kunnen verrichten met het oog op de bescherming van de persoon die de last geeft en in het algemeen met het oog op diens moreel en materieel welzijn.
§ 4. Zonder afbreuk te doen aan de algemene strekking van het voorgaande, kan de lastgeving met name betrekking hebben op :
1º de passende maatregelen voor de bewaring en het onderhoud van de lastgever indien hij kennelijk niet meer in staat is voor zichzelf te zorgen en er de lasten van te voldoen;
2º het verlenen van toestemming voor de verzorging van welke aard ook die de gezondheidstoestand van de lastgever vergt, voor zover deze verzorging gunstige gevolgen heeft, in de gegeven omstandigheden opportuun is en de gevaren die eraan verbonden zijn, niet buiten verhouding staan tot de verwachte heilzame gevolgen.
§ 5. De lastgeving kan ook betrekking hebben op de weigering om de lastgever in leven te houden door kunstmatige, buiten elke verhouding staande middelen zodra hij niet meer in staat is zijn wil te uiten en de voorgestelde behandeling geen enkel uitzicht op herstel biedt.
§ 6. Aangezien de lastgeving alleen bezoldigd wordt indien de lastgever daarvoor kiest en anderzijds noodzakelijkerwijs uitgaat van de welwillendheid en de vriendschap van de lasthebber of lasthebbers, zijn deze laatsten in hun opdracht vrijgesteld van de verplichting tot opbrengst van vruchten en vermogensaanwas; de lasthebber of lasthebbers zijn voor het resultaat van het beheer enkel aansprakelijk voor zijn of hun fouten of nalatigheden.
§ 7. Onverminderd artikel 488bis, c), §§ 2 en 3, kan de lastgever nauwkeurig zijn wilsbeschikkingen vermelden met betrekking tot zijn persoon, zijn onroerende en roerende goederen alsmede andere goederen als huisraad, werktuigen, boeken, linnengoed, persoonlijke voorwerpen, juwelen en kunstwerken, vrijetijdsartikelen en andere minder waardevolle kleine voorwerpen of goederen van welke aard ook.
§ 8. De lastgeving wordt alleen binnen het kader van het voorlopig bewind uitgeoefend. De rechter kan in zijn vonnis melding maken van alle bevoegdheden die in de lastgeving opgedragen zijn.
Indien de lasthebber in de loop van zijn opdracht besluit hieraan een einde te maken, voorziet de lastgever of, bij diens ontstentenis, de vrederechter in zijn vervanging. »
| Olivier de CLIPPELE. |