2-14/3 | 2-14/3 |
9 MEI 2000
De indiener van het wetsvoorstel verklaart dat dit voorstel tot doel heeft in artikel 4 van de wet van 7 februari 1994, die het beleid van ontwikkelingssamenwerking toetst aan de eerbied voor de rechten van de mens, een punt 7 in te voegen dat voorziet in een evaluatie van de toestand van de werkende kinderen.
De indiener merkt op dat artikel 3 van de wet van 7 februari 1994 om het beleid van ontwikkelingssamenwerking te toetsen aan de eerbied voor de rechten van de mens, bepaalt dat « de regering jaarlijks, voor 31 maart, aan de Kamer van volksvertegenwoordigers en aan de Senaat een schriftelijk verslag overmaakt omtrent de eerbiediging van de internationaal erkende mensenrechten, en dit voor elk land waarmee België een algemene overeenkomst inzake ontwikkelingssamenwerking afgesloten heeft ». Hij heeft de indruk dat die verplichting niet volledig wordt nageleefd.
Het wetsvoorstel wil daarenboven de wet aanvullen met een artikel 6, luidende : « De regering ziet toe op de eerbiediging van de rechten van het kind in de ontwikkelingssamenwerking van België met de andere Staten, als gedefinieerd in het Verdrag van New York van 20 november 1989 inzake de rechten van het kind, en bepaalt welke maatregelen genomen moeten worden in geval van schending van deze rechten. »
De indiener van het wetsvoorstel preciseert dat hij in de toelichting verwezen heeft naar de regel die in 1973 door de Internationale Arbeidsorganisatie is vastgesteld en volgens welke men ten hoogste tot de leeftijd van 15 jaar kind is. Men kan hierbij voorbehoud maken, maar de IAO heeft bij de bepaling van die leeftijd rekening moeten houden met uiteenlopende situaties in de verschillende landen van de wereld. Indien men de bescherming van de kinderen op een voluntaristische manier wil aanpakken, moet men er evenwel voor zorgen dat aan de landen van het Zuiden geen verplichtingen worden opgelegd die hun economische activiteiten in gevaar brengen.
Artikel 1
Dit artikel geeft geen aanleiding tot opmerkingen.
Het wordt door de 8 aanwezige leden eenparig aangenomen.
Artikel 2
De regering dient amendement nr. 1 in (zie stuk Senaat, nr. 2-14/2, blz. 1) dat ertoe strekt punt 7 (nieuw) van de wet van 7 februari 1994, dat in artikel 2 wordt voorgesteld, aan te vullen als volgt : « , meer bepaald in het licht van conventie nr. 182 van de Internationale Arbeidsorganisatie over de ergste vormen van kinderarbeid ».
De indiener van het wetsvoorstel geeft er de voorkeur aan dat punt 7 wordt aangevuld met de volgende bepaling : « , meer bepaald wat betreft de aanbevelingen van de Internationale Arbeidsorganisatie ».
De staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking wenst meer duidelijkheid en vraagt dat uitdrukkelijk verwezen wordt naar conventie nr. 182 van de IAO.
Een lid merkt op dat die conventie door ons land nog niet is geratificeerd.
Een ander commissielid antwoordt dat de tekst van die conventie bestaat, ook al heeft België hem nog niet geratificeerd, en kan dienen als basis voor een evaluatie. Hij vestigt eveneens de aandacht op de woorden « meer bepaald » die in het amendement voorkomen en die impliceren dat de evaluatie niet uitsluitend op grond van conventie nr. 182 van de IAO zal worden uitgevoerd.
Amendement nr. 1 van de regering wordt door de 8 aanwezige leden eenparig aangenomen.
Het aldus geamendeerde artikel 2 wordt door de 8 aanwezige leden eenparig aangenomen.
Artikel 3
Dit artikel geeft geen aanleiding tot opmerkingen.
Het wordt door de 8 aanwezige leden eenparig aangenomen.
Het aldus geamendeerde wetsvoorstel wordt door de 8 aanwezige leden eenparig aangenomen.
Vertrouwen wordt geschonken aan de rapporteurs voor het opstellen van dit verslag.
| De rapporteurs, Jacinta DE ROECK. Erika THIJS. |
De voorzitter, Marcel COLLA. |