2-373/2 | 2-373/2 |
28 MAART 2000
De minister verwijst naar de memorie van toelichting (zie Stuk Kamer, nr. 50-0441/001).
Ten gevolge van de inwerkingtreding van de wet betreffende de regularisatie van illegalen en het groot aantal ingediende dossiers tijdens de maand januari 2000, kan de Raad van State een groot aantal beroepen tot nietigverklaring tegen de beslissingen van weigering van regularisatieaanvragen verwachten. Opdat een beslissing over deze beroepen voor de Raad van State niet te lang op zich zou laten wachten, wat zou indruisen tegen de geest van de actie van de regering inzake de regularisatie, is het belangrijk dat de personeelsformatie van de Raad van State verhoogd wordt en dat een versnelde procedure door de Koning kan worden ingesteld voor het contentieux betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van de vreemdelingen.
Een lid heeft bedenkingen bij het voorliggende wetsontwerp omdat het bijzondere regels invoert inzake procedure, termijnen en samenstelling van de kamer voor de geschillen in verband met vreemdelingen. De rechtspleging voor de Raad van State lijkt dus discriminerend voor de andere categorieën van personen wier zaak bij de Raad aanhangig is.
De minister wijst erop dat het Arbitragehof erkent dat een bijzondere procedure voor de behandeling van beroepen ingesteld in geschillen die voortvloeien uit de toepassing van de wet van 15 december 1980 in overeenstemming is met het gelijkheidsbeginsel. Het Arbitragehof heeft zich herhaaldelijk kunnen uitspreken over de verenigbaarheid met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. De minister verwijst in het bijzonder naar de volgende arresten :
Arrest van het Arbitragehof nr. 61/94 van 14 juli 1994 (Belgisch Staatsblad van 9 augustus 1994)
Consideransen B.5.9.5. en B.5.9.6. :
« In een aangelegenheid waarin een aanzienlijk aantal ongerechtvaardigde aanvragen bij de overheid worden ingediend, is het evenwel niet onredelijk passende maatregelen te nemen om dilatoire beroepen te voorkomen en het verloop van de procedure te versnellen, door de klaarblijkelijk niet-ontvankelijke of klaarblijkelijk ongegronde aanvragen van meet af aan te weren. Aldus wil de wetgever de overheid de mogelijkheid bieden zich toe te leggen op het onderzoek van de ernstige aanvragen, zonder vertraging op te lopen met het onderzoek van de andere aanvragen.
(...) Die laatste doelstelling moet evenwel worden verzoend met de zorg geen zinvol beroep te ontzeggen aan diegene die zou staande houden dat zijn terugzending naar het land waaruit hij is gevlucht, hem aan een onmenselijke of vernederende behandeling blootstelt.
Ingeval een dergelijk gevaar in ernst zou worden aangevoerd, blijkt de mogelijkheid om voor de Raad van State een beroep tot vernietiging in te stellen, niet de uitoefening te zijn van een daadwerkelijke rechtshulp, aangezien de proceduretermijnen het in de meeste gevallen onmogelijk maken te gepasten tijde een arrest te verkrijgen. »
Considerans B.6.2. :
« De specifieke kenmerken, de toename en het dringende karakter van de geschillen ontstaan uit de toepassing van de wet van 15 december 1980 en van de wetten waarbij zij is gewijzigd, verantwoorden de goedkeuring van bijzondere regels, die geschikt zijn om de behandeling van de beroepen tot vernietiging te versnellen. Door de Koning toe te staan te voorzien in dergelijke regels met betrekking tot de procedure en de termijnen, en door toe te staan dat de beroepen worden onderzocht door kamers met één enkele raadsheer, heeft de wetgever maatregelen genomen die verband houden met het doel dat hij nastreeft. Dergelijke afwijkende regels doen geen afbreuk aan de fundamentele waarborgen van de jurisdictionele wettigheidstoetsing die aan de Raad van State is toevertrouwd. Zij kunnen niet als onevenredig worden beschouwd. »
Arrest van het Arbitragehof nr. 83/94 van 1 december 1994 (Belgisch Staatsblad van 17 januari 1995)
Considerans B.8. :
« De wetgever vermag maatregelen te nemen om misbruik van procedure tegen te gaan : (NB : bij de rechtspleging voor de Raad van State). »
Arrest van het Arbitragehof nr. 65/96 van 13 november 1996 (Belgisch Staatsblad van 27 januari 1997)
Considerans B.8. :
« Het is weliswaar niet onredelijk om, in een aangelegenheid waarin bij de overheid een aanzienlijk aantal aanvragen worden ingediend die ongegrond lijken, maatregelen te nemen die geschikt zijn om het verloop van de procedure te versnellen. »
De minister voegt eraan toe dat in de memorie van toelichting bij het wetsontwerp vrij uitvoerig wordt aangegeven waarom het noodzakelijk is bijzondere procedureregels in te voeren voor geschillen die ontstaan uit de toepassing van de vreemdelingenwet. Het is immers zo dat bij die geschillen de meeste vorderingen tot schorsing voorkomen waarbij de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd. Het is belangrijk dat de behandeling ten gronde ook zo snel mogelijk kan verlopen. Dit kan door af te wijken van de gewone procedure. De toepassing van een bijzondere procedure impliceert niet noodzakelijk een discriminatie, zoals hierboven is aangetoond. Het verschil in behandeling is verantwoord.
Een lid vestigt de aandacht op het feit dat het beroep bij de Raad van State niet opschortend is. De verwijderingsprocedure kan worden voortgezet ondanks het beroep voor de Raad van State.
Hetzelfde lid vraagt daarenboven meer uitleg over de termijn waarbinnen de beroepen behandeld worden.
De minister antwoordt dat het debat over de schorsende werking van het beroep dat werd gevoerd in de periode 1989-1991 niet opnieuw moet worden gevoerd. De automatisch schorsende werking van het beroep is in 1991 afgeschaft en vervangen door het administratieve kort geding in geval van uiterst dringende noodzakelijkheid. De minister geeft het voorbeeld van een persoon die dreigt uitgewezen te worden en die in de luchthaven wordt vastgehouden. Hij kan de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid vorderen en vragen om persoonlijk op de terechtzitting te verschijnen. Dit schort ipso facto de tenuitvoerlegging van de uitwijzing op.
Het voorliggende wetsontwerp wijzigt de bestaande procedures niet. Voor de geschillen in verband met vreemdelingen blijven er drie soorten procedures bestaan, namelijk de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid die het mogelijk maakt om, indien nodig binnen een uur, de zitting vast te stellen, de gewone schorsingsprocedure en de procedure tot nietigverklaring. Het wetsontwerp past alleen de concrete proceduregels aan voor de verschillende soorten geschillen. Het heeft tot doel dilatoire beroepen sneller te weren en andere vorderingen sneller en efficiënter te behandelen. Dit doel sluit perfect aan bij wat de regularisatiewet beoogt, die immers mensen uit de illegaliteit wil halen die, doordat de procedures zoveel tijd in beslag nemen, in een onzekere en marginale toestand zijn beland. Het is de bedoeling de behandeling van de geschillen in verband met vreemdelingen sneller te laten verlopen waarbij de fundamentele rechtswaarborgen behouden blijven.
De minister legt daarenboven uit dat de behandelingstermijn afhangt van het soort van toegepaste procedure. Bij een vordering tot schorsing in geval van uiterst dringende noodzakelijkheid, kan de rechtsdag bepaald worden binnen een uur. Het is niet uitzonderlijk dat de Raad van State 's nachts per fax een verzoekschrift ontvangt en dat de terechtzitting plaatsheeft diezelfde morgen. De terechtzitting kan ook in het weekend plaatshebben. In de gewone schorsingsprocedure is thans een schriftelijk verslag van de auditeur vereist. De termijn voor dit soort procedure kan, naar gelang van het aantal beroepen, variëren van verschillende weken tot verschillende maanden. In het kader van de huidige procedure tot nietigverklaring (termijn voor de uitwisseling van memories, verslag van de auditeur) verstrijkt er ten minste acht maanden tussen de dag waarop het beroep is ingesteld en het arrest. Het wetsontwerp kort die termijnen in tot acht dagen voor de gewone schorsingsprocedures en tot een à twee maanden voor de beroepen tot nietigverklaring, naar gelang van het aantal beroepen.
Een commissielid merkt op dat het advies van de Raad van State over het voorontwerp van wet zeer gunstig blijkt (Stuk Kamer, nr. 50-0441/001, blz. 13).
Uiteraard moet men rekening houden met het feit dat de Raad van State hier niet helemaal objectief is, daar die tegelijkertijd rechter en partij is. Het voorliggende wetsontwerp kan in ieder geval de achterstand van de Raad van State daadwerkelijk verminderen.
De artikelen 1 tot met 7 geven geen aanleiding tot verdere opmerkingen. Deze artikelen, alsook het wetsontwerp in zijn geheel, worden aangenomen met 7 stemmen bij 3 onthoudingen.
Vertrouwen wordt geschonken aan de rapporteur voor het opstellen van dit verslag.
| De rapporteur, Olivier de CLIPPELE. |
De voorzitter, Anne-Marie LIZIN. |