Vragen en Antwoorden

Belgische Senaat


Bulletin 2-9

ZITTING 1999-2000

Vragen van de Senatoren en antwoorden van de Ministers

(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans


Vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken

Vraag nr. 354 van de heer Kelchtermans d.d. 12 januari 2000 (N.) :
Uitbouw van een eigen EU-nucleaire strategie. ­ Gevolgen voor de NAVO. ­ Verhoudingen tussen de Verenigde Staten en Europa.

Volgens internationale waarnemers maken de Europese regeringen zich in toenemende mate zorgen om de slechter wordende verhouding met de Verenigde Staten, dit onder meer naar aanleiding van de Amerikaanse plannen om een verdedigingsmechanisme op te bouwen tegen vijandelijke raketaanvallen dat zich alleen zou uitstrekken over het Amerikaanse continent.

Volgens de Duitse minister van Buitenlandse Zaken, Joschka Fischer, zou de invoering van dit raketsysteem zonder twijfel leiden tot gescheiden veiligheidsnormen binnen het NAVO-bondgenootschap. In hetzelfde interview te Washington verklaarde hij dat Duitsland zich nooit genoodzaakt had gevoeld een eigen nucleair arsenaal op te bouwen omdat « we het vertrouwen hadden dat de Verenigde Staten onze belangen zouden verdedigen ». Hiermee verwoordde hij openlijk zijn twijfel aan de bereidheid van de Verenigde Staten om zorg te blijven dragen voor de veiligheid van Europa en suggereerde hij zelfs dat Europa eventueel bereid zou moeten zijn na te denken over de ontwikkeling van een eigen nucleaire capaciteit. Bijna tegelijkertijd betreurde de Franse president Chirac in een toespraak tot een internationaal gezelschap van ambtenaren, diplomaten en journalisten « de Amerikaanse neiging om zijn eigen gang te gaan ».

Naar aanleiding hiervan verkreeg ik van de geachte minister graag antwoord op volgende vragen :

1. Deelt hij de vaststelling van de internationale waarnemers dat « de verhoudingen tussen de Verenigde Staten en Europa lange tijd niet zo slecht zijn geweest » ? Zo ja, hoe verklaart hij de verwijdering tussen beide ? Zo neen, in welke mate nuanceert of distantieert hij zich van dergelijke uitspraken ?

2. Wordt er op dit ogenblik inderdaad op Europees niveau gedacht aan de uitbouw van een eigen EU-nucleaire strategie ? Zo ja, welke zijn de door ons land in deze thematiek ingenomen standpunten ? Zo neen, ziet hij de uitbouw van een eigen EU-leger mogelijk zonder een Europese nucleaire strategie, die deze van Groot-Brittannië en Frankrijk overstijgt ? Zal dit niet leiden tot een tweespalt binnen de NAVO ?

3. Over welke zekerheden beschikt onze regering dat de Verenigde Staten in de « worst case » hoe dan ook zorg zullen blijven dragen voor de veiligheid van Europa ?

Antwoord : De vragen die het geachte lid opwerpt, zijn van een fundamenteel belang voor het Belgisch en Europees buitenlands beleid.

Het bestek van deze vragen en mijn beperkte antwoorden daarop, zijn eerder te beschouwen als een aanzet tot een bredere bezinning over deze materie, die ten andere in een bestendige evolutie verkeert.

Het is essentieel vast te stellen dat de transatlantische relatie stoelt op gemeenschappelijke waarden, een lotsgebondenheid en wederzijdse belangen die wel begrepen en erkend zijn. Deze aspecten werden nog onderstreept tijdens de Top van Washington en herhaald in het Strategisch Concept dat door alle bondgenoten werd aanvaard.

Men zou de huidige discussie over de transatlantische relatie in de domeinen van veiligheid en defensie in twee thema's kunnen onderverdelen.

Enerzijds is er het debat rond de « Europese defensie », meer bepaald de opbouw van een capaciteit in Europa om beslissingen te nemen en acties te voeren met militaire middelen, zoals beschreven in de Verklaringen van Keulen en Helsinki van 1999.

Anderzijds is er het Amerikaans initiatief om een defensiesysteem op te bouwen tegen aanvallen van ballistische raketten, de « National Missile Defense ».

Sommigen menen uit beide initiatieven elementen te kunnen afleiden die de transatlantische solidariteit zouden reduceren.

Deze perceptie moet genuanceerd en gecorrigeerd worden.

Laat mij vooraf duidelijk bevestigen dat de opbouw van de Europese veiligheid en defensie de versterking van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU beoogt. De beweging is niet ontstaan uit een wrevel inzake de transatlantische relatie maar is wel positief te beschouwen als een logische, natuurlijke evolutie van de Europese integratie.

Het betreft de mogelijkheid voor de Europese Unie om Petersbergtaken uit te voeren, om crisissen ook met militaire middelen te beheersen. Dit moet de Europese Unie toelaten haar rol ten volle te spelen op de internationale scène en haar belangen geloofwaardiger te behartigen.

Deze versterking zal ook met zich meebrengen dat Europa meer verantwoordelijkheden binnen de NAVO kan opnemen, en niet steeds noodzakelijkerwijze een beroep moet doen op de militaire capaciteiten van de Verenigde Staten voor crisissen die Europa aangaan.

Het verbeteren van het militair vermogen van de EU versterkt meteen de Europese zuil binnen de NAVO. Dit verbetert de transatlantische relatie door deze evenwichtiger te maken.

De uitvoering van Petersbergtaken laat onverlet de collectieve defensie die vervat is in artikel 5 van het Verdrag van Washington. Het verdedigen van het grondgebied van de bondgenoten blijft een materie die de Alliantie als een geheel aanbelangt. Dit is voor de Belgische regering de zekerheid waarnaar het geachte lid in zijn vraag refereert. Deze collectieve defensie bevat tevens een nucleaire strategie, die men niet terugvindt in de uitwerking binnen de EU van een capaciteit om Petersbergtaken uit te voeren.

De National Missile Defence (NMD) is voor Europa inderdaad een probleem. Ik heb daarnaar gewezen in mijn antwoord op de vraag nr. 150 van de heer Kelchtermans van 19 november 1999. Dit Amerikaans project is technisch ingewikkeld en geavanceerd, en bovendien heel duur. De mislukte test van 18 januari 1999 stelt de haalbaarheid van het project in vraag.

De Europese bondgenoten zijn daarover in dialoog met de Verenigde Staten.

De bezwaren, tegenargumenten en bekommernissen worden voorgelegd aan de Amerikaanse zijde.

Indien de Verenigde Staten ­ wat momenteel niet de doelstelling is ­ het systeem zouden uitbreiden, zodat het niet alleen de luttele aantallen raketten van « rogue States » kan onderscheppen, maar ook de grote aantallen van Rusland, dan zou NMD een fundamenteel concept van de veiligheid wijzigen, namelijk de ultieme wederzijdse afschrikking op basis van de wederzijdse kwetsbaarheid.

Europa vreest dat, vooral na de realisatie van zulke uitgebreide NMD, de Verenigde Staten zich in een fundamenteel verschillend veiligheidssituatie zullen bevinden. Hun territorium is dan beschermd tegen ballistische raketten. Europa is dat niet. Zulke ontkoppeling van de respectievelijke veiligheidssituaties kan leiden tot divergerende veiligheidspolitieken.

Rusland waarschuwt tegen deze eventualiteit en meent dat het ABM-Verdrag (Anti Ballistic Missile) door NMD wordt aangetast. Wij hopen dat de Verenigde Staten en Rusland hun onderling ABM-Verdrag kunnen aanpassen. Wij weten dat er actief gesprekken gevoerd worden tussen Washington en Moskou.

Een weg die tot nu toe bewandeld wordt, ook door Europa, tegen de mogelijke raketten met massavernietigingswapens van « rogue States » is de diplomatie voor ontwapening, wapenbeheersing en tegen proliferatie. Het NMD mag deze ontwapeningsinspanningen niet doorkruisen.