(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans
De nieuwe hypotheekwet bepaalt dat de notaris de identiteit van de partijen kan waarmerken aan de hand van het identificatienummer in het Rijksregister. Hij kan dat alleen doen met de uitdrukkelijke instemming van de partijen (artikel 139, § 1, van de wet van 9 februari 1995 tot wijziging van de hypotheekwet van 16 december 1851, Belgisch Staatsblad van 18 maart 1995, blz. 6168).
Volgens de plannen zal de informatisering van de hypotheekkantoren operationeel zijn op 1 februari 2000.
Om de juistheid van de gegevens te garanderen zijn de identificatienummers in het Rijksregister gebruikt als basis voor de databanken.
Sommige hypotheekkantoren vragen derhalve aan de notarissen het identificatienummer in het Rijksregister mee te delen voor de akten en documenten die openbaar gemaakt worden.
Het identificatienummer in het Rijksregister is een van de vertrouwelijke gegevens van iedere persoon.
Daarom kan iedere Belg weigeren dat zijn nummer in het Rijksregister op zijn identiteitskaart wordt vermeld.
Hoe kan de notaris dat nummer dan kennen en verifiėren ?
Moet de geheimhouding niet gelden voor de notarisakten ? Wanneer die akten integraal worden overgeschreven in het hypotheekkantoor, heeft dit immers tot gevolg dat om het even wie kennis kan nemen van het identificatienummer in het Rijksregister.
Antwoord : Artikel 139, § 1, van de wet van 9 februari 1995 tot wijziging van de hypotheekwet van 16 december 1851 voorziet in de mogelijkheid om de identiteit van de natuurlijke persoon waar te merken, op wiens naam de openbaarmaking van een authentieke akte of van een wettelijke hypotheek moet geschieden in een hypotheekkantoor, op basis van het Rijksregister met vermelding van het identificatienummer in dit register met de uitdrukkelijke instemming van de partijen.
Naar aanleiding van het verzoek van de Koninklijke Federatie van Belgische notarissen betreffende het gebruik van het identificatienummer van het Rijksregister in deze context, heeft de minister van Binnenlandse Zaken de zaak bij de Commissie ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer aanhangig gemaakt. Deze heeft hierover een gunstig advies gegeven (advies nr. 35/95 d.d. 22 december 1995) waarvan de conclusie luidt : « De commissie stelt vast dat de notarissen gemachtigd zijn bij wet het identificatienummer van het Rijksregister te gebruiken, overeenkomstig artikel 139, § 1, van de hypotheekwet en voor de door dit artikel bepaalde doelstellingen. »
Het nummer van het Rijksregister kan dus bij de betrokkenen worden bekomen (vermelding op alle socialezekerheidskaarten krachtens de wet tot invoering van een kaart voor sociale zekerheid, vermelding op de meeste identiteitskaarten) of, met de instemming van de betrokkenen, bij het Rijksregister, volgens een procedure die wordt uitgewerkt.
Aangezien de wet van 9 februari 1995 een uitzondering voorziet op de vertrouwelijkheid in het specifiek geval waar de openbaarmaking en de juistheid van de identificatiegegevens van de partijen van openbare orde zijn, is het beroepsgeheim van de notarissen niet in het geding.