2-22 | 2-22 |
De heer Michiel Maertens (AGALEV). - In de regeringsverklaring wordt verwezen naar de top van Keulen van juni, meer bepaald naar de zogenaamde Petersbergtaken, namelijk peace-keeping en peace-making met militaire middelen.
In die lijn werkt de minister van Buitenlandse Zaken zijn nota Buitenlands Beleid uit, maar vermeldt daarin véél meer, namelijk het volgende.
Ten eerste zegt hij dat de defensiebegroting niet "aanzienlijk" zal worden verhoogd. Wat bedoelt hij met niet aanzienlijk?
Ten tweede vermeldt hij dat artikel 5 van het Verdrag van Brussel op termijn in het verdrag van de Unie kan worden opgenomen en dat het in ieder geval, in de tussenperiode, een juridisch toepasbaar kader vormt voor de tien volle leden van de WEU. Wat is "kan"? Wat is een "toepasbaar kader"?
Ten derde vermeldt hij dat de EU voortaan verantwoordelijk is voor crisisbeheer en de Petersbergtaken en zich de nodige middelen moet aanschaffen voor operaties van handhaving en herstel van de vrede. Dat wisten we al, maar wat zijn de "nodige middelen"?
Ten vierde zegt hij dat Europese multilaterale eenheden ook voor operaties "buiten de unie" kunnen worden ingezet. Dat is nieuw en niet zo evident. Ik kom daarop nog terug.
(Voorzitter: mevrouw Sabine de Bethune, eerste ondervoorzitter.)
Ten vijfde zegt hij dat België de nieuwe missies van de Top van Washington onderschrijft, maar dat die wel moeten passen in een internationaal wettelijk kader. Wat is dit "internationaal wettelijk kader"? Zijn dat de VN? Dat is niet duidelijk.
Ten zesde zegt hij dat de akkoorden van de Top van Washington moeten worden omgezet in specifieke criteria die het mogelijk maken bijna automatisch middelen en troepen ter beschikking te stellen. Wat is "bijna automatisch" ter beschikking stellen? Duidelijk is dit alles nog niet.
Op militair gebied roept de nota van minister Michel dan ook vele vragen op, die een verduidelijking én een grondig debat noodzakelijk maken. De voorzitter van de Kamer en de premier zelf hebben een dergelijk debat trouwens al toegezegd.
In dit verband wil ik vooral wijzen op het Nieuw Strategisch Concept dat op 23 juni in Washington werd aanvaard. Het breidt het oude NAVO-verdrag uit 1949 uit met de zogenaamde "niet-artikel-5-opdrachten", de out-of-area-politiek, die we ondertussen goed kennen als peace-keeping en peace-enforcement, de humanitaire missies en reddingsoperaties, de crisisbeheersing én conflictpreventie. Een heel opsomming van mogelijkheden. Merkwaardig genoeg valt dit samen met de Petersbergmissies. Het Nieuw Strategisch Concept betekent dan ook een ingrijpende wijziging van het buitenlands en veiligheidsbeleid van België als NAVO-partner. Dat is een tweede reden voor een grondig debat in het parlement. We moeten immers vermijden dat we een internationale politiek van voldongen feiten gaan voeren. Het parlement moet de kans en de tijd krijgen over deze fundamentele koerswijzigingen te debatteren. Dit is pas goed bestuur.
In artikel 5 van het NAVO-verdrag staat enkel de centrale opdracht geformuleerd, namelijk de "collectieve zelfverdediging". De nieuwe niet-artikel-5-opdrachten van Washington komen erop neer dat de NAVO voortaan militaire interventies kan uitvoeren als bijdrage tot conflictpreventie en als actieve bijdrage tot crisismanagement, met inbegrip van crisis-response-operaties. Ik verwijs hier onder meer naar paragraaf 10. Die interventies kunnen ook out of area plaatsvinden, buiten het NAVO-grondgebied. Dat is een totaal nieuw feit, dat volgens het internationaal oorlogsrecht een schending betekent van de territoriale integriteit van niet-NAVO-bondgenoten. Zoiets is in Kosovo inderdaad ook gebeurd. Zulke interventies kunnen alleen met een VN-mandaat, maar dat ziet de NAVO wel anders.
Het NAVO-verdrag uit 1949 werd destijds door het Belgisch Parlement geratificeerd, maar de recente wijziging ervan nog steeds niet. Volgens artikel 167, § 1, 1ste lid van de Grondwet moet het Nieuw Strategisch Concept als internationaal verdrag worden geratificeerd. Dat moet duidelijk door een fundamenteel debat worden voorafgegaan en is even duidelijk een specifieke bevoegdheid van de Senaat.
De vraag moet trouwens nog worden beantwoord of onze KFOR-troepen in Kosovo een al dan niet grondwettelijk verantwoorde opdracht uitvoeren. Persoonlijk ben ik immers van oordeel dat de Grondwet zowel in Kosovo als in Washington op manifeste wijze werd geschonden. Ik sta met deze overtuiging niet alleen. Ik heb medestanders, ook in het buitenland. Ex-bondskanselier Helmut Schmidt heeft hierover zijn bezorgdheid geuit in het jubileumnummer van de NAVO-Kroniek en de PDS heeft in oktober van dit jaar bij het Duitse grondwettelijke hof een procedure ingespannen om het parlementair ratificatierecht af te dwingen. Ook het departement Volkerenrecht van de RUG situeert het NSC buiten het oorspronkelijke NAVO-verdrag. Het advies van professor Marc Celen luidt : "Waar paragraaf 10 van het NSC de opdrachten van de Alliantie uitbreidt met crisismanagement, en daardoor het actieterrein van de NAVO verruimt, treedt het NSC wel degelijk buiten het Verdrag. In die zin is duidelijk dat het Verdrag de facto geamendeerd werd." Hij refereert hiermee aan het advies van Sven Biscop van het International and European Research Unit.
Ik wijs nog op enkele belangrijke vaststellingen.
Terwijl de minister er in zijn nota duidelijk op wijst dat de missies in een internationaal wettelijk kader moeten passen, wat ik als een VN-resolutie begrijp, werd in Washington het Franse voorstel tot het invoegen van de zinsnede "onder het gezag van de VN voor wat betreft humanitaire interventies" weggestemd, precies om operaties buiten de wil van de VN, zoals in Kosovo, mogelijk te maken. Kan de minister ons hierover meer duidelijkheid verschaffen?
De minister zegt dat het defensiebudget niet aanzienlijk zal worden verhoogd. Het is echter overduidelijk dat België voor het eerst de kaap van 100 miljard voor defensie zal overschrijden. De NAVO heeft een stijging van 3% geëist. Via een indexering van ongeveer 1,8 miljard en een aparte enveloppe voor "humanitaire operaties" van 1,4 miljard, samen 3,2 miljard, camoufleert de regering de grootste stijging van haar defensiebudget van het laatste decennium. Dit budget was sedert 1993 bevroren op 98 miljard. Eigenlijk bedraagt de stijging meer dan 3%, want dat zou slechts 2,94 miljard betekenen. Zij bedraagt dus 3,26%. De minister van defensie kondigde bovendien aan dat hij bij de volgende budgetcontrole nog bijkomende middelen zal vragen.
In de nota van de minister wordt een volledige pagina gewijd aan de OVSE, het pan-europees instrument voor preventieve diplomatie en crisispreventie, dat door België ten volle wordt gesteund. De nota erkent dat dit orgaan erin geslaagd is gevaarlijke brandhaarden te doven. Tot daar het goede nieuws, want de regering heeft beslist de Belgische bijdrage aan de OVSE drastisch in te krimpen.
Voor 1999 gaat het om 350 miljoen, of 3,55% van het totale OVSE-budget. De regering verschuilt zich hiervoor achter het argument dat andere kleinere staten ook minder bijdragen. Dat argument houdt mijns inziens echter weinig steek omdat kleinere landen als Denemarken en Noorwegen in verhouding tot hun bruto nationaal product veel meer aan ontwikkelingssamenwerking uitgeven dan België en op deze wijze een veel belangrijker bijdrage tot geweldpreventie leveren. Die drastische inkrimping van onze OVSE-bijdrage contrasteert ook sterk met onze budgettaire inspanningen voor de NAVO, namelijk ongeveer een miljard frank, of driemaal meer dan de huidige OVSE-bijdrage.
Ik kom dan ook tot de vaststelling dat België duidelijk en zonder enige kritiek ingaat op de vraag van Robertson en Cohen om meer geld uit te geven voor defensie in plaats van de traditionele Belgische vredeswil en ontwapeningsvoorstellen te respecteren. Ingaan tegen de wil van het Parlement en van de bevolking kan moeilijk verenigbaar genoemd worden met de nieuwe geest en de nieuwe politieke cultuur die de regering zo hoog in het vaandel voert.
(Voorzitter: de heer Armand De Decker.)
Dit is een ongrondwettelijke en gevaarlijke evolutie in ons buitenlands en militair beleid. Een fundamenteel debat over deze en andere opties van het Nieuw Strategisch Concept en de NAVO-WEU-EU-politiek in het algemeen is dan ook noodzakelijk. Een dergelijk debat behoort niet enkel tot de grondwettelijke reflectieopdracht van de Senaat, maar valt, deeluitmakend van het internationaal verdragsrecht, ook volkomen binnen zijn bevoegdheid. Ik pleit er sterk voor dat we ons aansluiten bij de Kamerbeslissing en een minidebat ter zake organiseren.
Graag vernam ik van de minister waarom het Franse amendement tot invoeging van de zinsnede "onder het gezag van de VN" door de vorige regering te Washington niet werd gesteund? Deelt hij ook deze opvatting? Zo ja, waarom? Is hij het eens met het inleiden van de ratificatieprocedure van het NSC bij de Senaat en waarom? Waarom werden ondertussen de niet-militaire opties voor een veiligheidspolitiek en de preventieve aanpak van de conflicten teruggeschroefd door bijvoorbeeld het OVSE-budget zwaar te verminderen? Kan de minister ons voorstel steunen om in de Senaat een fundamenteel debat te organiseren over de Belgische en Europese veiligheidspolitiek, dus niet alleen over de militaire, maar ook over de niet-militaire componenten ervan, vooral nu er op de top van de EU verregaande beslissingen werden genomen over de Europese Veiligheids- en Defensiepolitiek en de vorming van een Europees leger?
De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Ik heb met belangstelling kennis genomen van de inhoud van de vraag om uitleg van de heer Maertens. Hoewel ik zeker niet dezelfde analyse maak en dezelfde verregaande conclusies trek, ben ik het met hem wel eens dat het nieuwe Strategisch Concept van de NAVO een fundamenteel en belangrijk document is.
In antwoord op zijn concrete vragen kan ik het volgende meedelen.
De herziening van het Strategisch Concept werd binnen de NAVO gedurende meer dan een jaar voorbereid. In de loop van dat jaar heeft mijn voorganger het parlement daarover regelmatig op de hoogte gehouden.
De heer Maertens verwijst naar een vermeend Frans amendement in Washington. Dit is mij niet bekend. Bij de evolutie naar een consensus was er weliswaar een tendens om de verwijzingen naar het VN-handvest explicieter in de tekst op te nemen. Ook België is steeds bekommerd geweest om de internationale rechtsorde. Uiteindelijk kwam een consensus tot stand rond de ondertussen bekende formulering. Ik wijs erop dat de preambule van het NAVO-verdrag uitdrukkelijk verwijst naar het Handvest van de Verenigde Naties.
Het Strategisch Concept is geen verdrag en wijzigt het NAVO-verdrag niet. Een ratificatieprocedure is in dit geval niet de gepaste vorm om zijn politieke steun aan dit Concept te tonen. De vorige regering heeft haar methode gekozen om het parlement erbij te betrekken.
Met de beoogde vermindering van zijn bijdrage aan het OVSE-budget wil België enkel een anomalie in de verdeelsleutel wegwerken. De Belgische bijdrage is immers abnormaal hoog vastgelegd, zonder enige objectieve referentie naar koopkracht of BNP. Deze anomalie, die ik bij de eerstkomende gelegenheid zal doen wegwerken, heeft historische oorzaken. Dit betekent echter geenszins dat België zich afkeert van de OVSE of van de preventieve diplomatie. Integendeel, we willen dat er meer werk gemaakt wordt van conflictpreventie en van civiel crisisbeheer. Ik verwijs naar mijn nota Buitenlands Beleid, waarin ik precies pleit voor een versterking van de rol van de Europese Unie en van de OVSE bij crisispreventie en voor de oprichting, op langere termijn, van een kader withelmen.
Het verheugt me dat het parlement een grote belangstelling toont voor de veiligheidspolitiek in Belgisch, Europees en NAVO-verband. Ik ben steeds bereid erover te discussiëren, zowel in de commissies als in de plenaire vergadering.
De heer Michiel Maertens (AGALEV). - Het verheugt me dat de minister openstaat voor het debat. We zullen daarover een resolutie indienen.
Het verwondert me evenwel dat hij zegt dat het Nieuw Strategisch Concept het NAVO-verdrag niet wijzigt. Dat is trouwens niet de mening van verschillende juristen en ook niet die van Duitsland. We moeten op deze kwestie zeker nog terugkomen.
- Het incident is gesloten.