(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans
In het kader van de parlementaire besprekingen met het oog op de instemming met het associatie-akkoord tussen de EU en Israėl, verzoek ik de geachte minister om enkele verduidelijkingen bij de artikelen 2, 76, 79 en 83 van de overeenkomst.
1. In artikel 2 van de overeenkomst wordt « de eerbiediging van de mensenrechten en de democratische beginselen » omschreven als een « essentieel onderdeel » van de overeenkomst. Kunnen we daaruit besluiten dat de opname van een dergelijk artikel in alle Euro-mediterrane verdragen bedoeld is om voor de hele betreffende regio bij te dragen tot de bevordering van vrede, stabiliteit en welvarendheid door nieuwe, bilaterale voorwaarden te stellen in verband met de vermindering van de schendingen van de mensenrechten ? Moeten we daaruit ook afleiden dat de verplichtingen inzake respect voor de mensenrechten in elk van de verschillende Euro-mediterrane verdragen dezelfde zijn ?
2. Houdt de term « eerbiediging van de mensenrechten » in deze overeenkomst ook het respect in voor de dwingende bepalingen van de door de partijen geratificeerde internationale verdragen inzake mensenrechten, en van het internationaal humanitair recht ? Zijn de termen « mensenrechten » en « eerbiediging », zoals ze in de overeenkomst gebruikt worden, omschreven door deze instrumenten ?
3. Zou de schending van de bepalingen van de door de partijen geratificeerde internationale verdragen inzake mensenrechten, en van het internationaal humanitair recht, ook een schending betekenen van artikel 2 van de overeenkomst ?
4. Mocht één van de partijen handelingen stellen die in strijd zijn met het internationaal humanitair recht en de internationale wetgeving op gebied van de mensenrechten, waarbij artikel 2 van de overeenkomst zou geschonden worden, zou dan artikel 76 van de overeenkomst kunnen worden ingeroepen om te voorkomen dat de uitvoering van de overeenkomst verhinderd wordt ?
5. Wat betekent de term « bijzonder dringende gevallen » in artikel 79 van de overeenkomst ? Moet deze term begrepen worden zoals omschreven in de gezamenlijke verklaringen die horen bij de samenwerkingsakkoorden van de EU die al bekrachtigd werden (bijvoorbeeld met Marokko) en die stellen dat « ... de term `bijzonder dringende gevallen' betekent gevallen van materiėle schending van de overeenkomst door één van de partijen ? Een materiėle schending van de overeenkomst bestaat uit :
de verwerping van de overeenkomst die niet gerechtvaardigd wordt door de algemene regels van het internationaal recht;
de schending van de essentiėle elementen van de overeenkomst, meer bepaald artikel 2 ».
6. Zou de verderzetting door de regering van Israėl van illegale vestigingen, de verlegging van de Palestijnse waterrijkdommen, de onwettige onteigeningen en andere schendingen van de bepalingen van de vierde conventie van Genčve inzake de bescherming van burgers (1949) ook een schending inhouden van de verplichting die in artikel 2 van de overeenkomst wordt omschreven, en dus een « materiėle schending » zijn van de overeenkomst ?
7. Het Hoge Gerechtshof van Israėl heeft onlangs een historische beslissing getroffen waardoor de veiligheidsdiensten niet langer gebruik mogen maken van folterpraktijken. Kort daarna toonde eerste minister Barak zich bereid om een nieuwe wetgeving in te voeren die het verbod van het Hooggerechtshof zou vernietigen. Een wetsontwerp terzake werd voorgelegd aan de Knesset. Zou het hervatten van de officieel toegelaten folterpraktijken de in artikel 2 van de overeenkomst omschreven verplichting schenden ?
8. Sinds 1975 zijn opeenvolgende regeringen in Israėl er niet in geslaagd om de douanediensten van Israėl de zogenaamde regels van oorsprong te doen toepassen overeenkomstig de territoriale bepalingen in de akkoorden met de EG. Zou de weigering van Israėl om de regels van oorsprong in de nieuwe overeenkomst en meer bepaald op basis van artikel 83 toe te passen, een « verwerping van de overeenkomst die niet gerechtvaardigd wordt door de algemene regels van het internationaal recht » betekenen ?
Antwoord : De kwalificatie van de eerbiediging van de mensenrechten en de democratische beginselen als « essentieel onderdeel » van de overeenkomst (artikel 2) betekent dat de niet-naleving van deze voorschriften door de ene partij aanleiding kan geven tot passende maatregelen getroffen door de andere partij (artikel 79).
Het spreekt voor zich dat de eerbiediging van de mensenrechten en de democratische beginselen kan bijdragen tot vrede, stabiliteit en welvaart, zonder dat dit daarom betekent dat deze voorschriften specifiek daartoe bedoeld zijn.
Men mag geredelijk aannemen dat de term « eerbiediging van de mensenrechten » mede doelt op de dwingende bepalingen die de partijen op het vlak van de mensenrechten verdragsrechterlijk hebben onderschreven.
De niet-naleving van verdragsrechterlijke verbintenissen op het vlak van de mensenrechten kan derhalve als een schending van artikel 2 van het associatieakkoord beschouwd worden. Maar die appreciatie wordt aan de partij gelaten die oordeelt dat de andere partij zijn verplichtingen uit hoofde van het associatieakkoord niet is nagekomen (artikel 79).
Het concept « mensenrechten » en het concept « internationaal humanitair recht » zijn onderscheiden begrippen. Het associatieakkoord spreekt in zijn artikel 2 enkel over mensenrechten.
Beide partijen moeten nagaan of de andere partij de verplichtingen die voortvloeien uit het associatieakkoord nakomen. Artikel 79 bepaalt inderdaad : « als een partij die mening is toegedaan dat de andere partij een uit dit akkoord voortvloeiende verplichting niet nakomt ... ».
Beide partijen moeten tevens nagaan of het om een speciaal « noodgeval » gaat. Dit begrip werd echter niet nader gedefinieerd.
Naast artikel 75 van het akkoord werd in een mechanisme voorzien dat voorziet in de regeling van geschillen tussen de partijen betreffende de toepassing of de interpretatie van het akkoord.
Artikel 2 van het associatieakkoord bepaalt dat « de relaties tussen de partijen en alle bepalingen van het huidig akkoord gebaseerd zijn op de naleving van de mensenrechten en de democratische beginselen, die hun binnen- en buitenlands beleid inspireert en een essentieel onderdeel is van het akkoord ».
Het is de taak van de partijen de Europese Unie enerzijds en Israėl anderzijds om na te gaan of de andere partij, al dan niet, die beginselen naleeft en om, zo niet, de maatregelen overeenkomstig artikel 79 te overwegen.
Het Hoge Gerechtshof van Israėl heeft op 6 september 1999 besloten dat het gebruik van fysiek geweld bij ondervragingen door de geheime dienst onwettelijk is. Desalniettemin heeft het Hof gepreciseerd dat als de regering de binnenlandse geheime dienst (Shin Bet) in welbepaalde gevallen de mogelijkheid wil geven om fysiek geweld te gebruiken, de Knesset een wet zal moeten opstellen. Desgevallend zou de nieuwe wet de Israėlische basiswetgeving inzake mensenrechten moeten naleven (Basic Law on Human Dignity and Liberty).
Premier Barak heeft naar aanleiding van het arrest van het Hof een commissie ingesteld om te bepalen of het nuttig zou zijn een nieuwe wetgeving over het gebruik van « fysieke druk » op te stellen.
Die commissie kon geen overeenstemming bereiken en heeft haar rapport aan de regering overgemaakt, die zich nog niet uitgesproken heeft.
Anderzijds heeft de Likoedpartij een wetsontwerp neergelegd dat het gebruik van fysieke druk zou toelaten, in het geval dat de veiligheid van de Staat in gevaar zou zijn.
Daarnaast bereidt de minister van Justitie een wetsontwerp voor dat foltering zou verbieden en dat gebaseerd is op de door Israėl getekende conventie van de Verenigde Naties van 10 december 1984 tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of vernederende straffen of behandelingen.
Algemeen wordt aangenomen dat het ontwerp van Likoed niet zal worden goedgekeurd en dat als dat wel het geval is, er opnieuw een beroep bij het Hoge Gerechtshof zal worden ingediend.
Hier moet ook, in het kader van het associatieakkoord, onderstreept worden dat het de taak is van de partijen de Europese Unie enerzijds en Israėl anderzijds om na te gaan of de andere partij de beginselen van artikel 2 al dan niet naleeft en om, zo niet, de maatregelen overeenkomstig artikel 79 te overwegen.
De kwestie van de regels van oorsprong werd meerdere malen in de Raad algemene zaken besproken en de Commissie zet haar inspanningen bij de Israėlische overheid voort.
Die kwestie is nauw verbonden met de afbakening van de grenzen en is dus een essentieel onderdeel van de onderhandelingen over het uiteindelijke statuut van Palestina. Er kan worden aangenomen dat de nieuwe vredesdynamiek de Israėliėrs en de Palestijnen ertoe zal aanzetten om hun meningsverschillen inzake de toepassing van de interimaire bepalingen op te lossen.