2-218/1 | 2-218/1 |
6 DECEMBER 1999
Het blijkt dat op de identiteitskaarten, die de gemeente uitreikt aan vreemde vrouwen die werden verstoten door hun echtgenoot, soms de vermelding « uit de echt gescheiden door verstoting » wordt aangebracht.
De verstoting kan worden omschreven als de duidelijke, onvoorwaardelijke, eenzijdige en willekeurige, schriftelijke of mondelinge verklaring van de man, waarbij hij een einde maakt aan het huwelijk (Rommel, G., « De verstoting in het Belgisch recht », RW, 1983, 1281).
Deze daad, waarbij de man het voorrecht krijgt om naar eigen goeddunken een einde te maken aan zijn huwelijk, is regelrecht in strijd met onze opvatting inzake het gelijkheidsbeginsel tussen man en vrouw en inzake de waardigheid van de menselijke persoon.
Het is dan ook uitermate verbazingwekkend dat de vermelding « uit de echt gescheiden door verstoting » wordt aangebracht op door de Belgische overheid uitgereikte identiteitsdocumenten. Dit wekt immers de indruk dat de verstoting niet alleen een te gedogen, maar ook zelfs te onderschrijven traditie vormt.
Het spreekt bovendien voor zich dat een dergelijke vermelding voor de vrouw in kwestie zeer vernederend is.
Aan deze kwalijke praktijk moet dan ook dringend een einde worden gemaakt. Dit wetsvoorstel beoogt het daarom onmogelijk te maken dat de identiteitskaar van een uit de echt gescheiden persoon melding maakt van de wijze waarop de echtscheiding tot stand is gekomen.
| Sabine de BETHUNE. |
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Art. 2
Artikel 6, § 3, van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen wordt aangevuld met de volgende zin :
« De identiteitskaart van een uit de echt gescheiden persoon mag geen melding maken van de wijze waarop deze echtscheiding is totstandgekomen. »
| Sabine de BETHUNE. Anne-Marie LIZIN. Meryem KAÇAR. Mia DE SCHAMPHELAERE. |