(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans
Als minister van Buitenlandse Zaken hebt u op maandag en dinsdag 25 en 26 oktober 1999 een bezoek gebracht aan Libië, dat op dinsdag gekenmerkt werd door het uitblijven van een ontmoeting met de leider van de Libisch-Arabische Socialistische Volks-Jamahiriyyah, Mouammar Kadhafi.
Hoewel men moet vaststellen dat Libië dit jaar de vruchten heeft geplukt van een handig diplomatiek optreden dat op 5 april 1999 geleid heeft tot de opheffing van de internationale sancties die in 1992 door een VN-resolutie waren opgelegd, zou ik er willen aan herinneren dat Libië nog steeds beschuldigd wordt van betrokkenheid bij de aanslag op een Amerikaanse Boeing boven Lockerbie in 1988 en op een Franse DC10 in Niger in september 1989. Kolonel Kadhafi zou de uitlevering aanvaard hebben van twee Libische agenten die berecht zouden worden in Nederland, waar het proces over de aanslag van Lockerbie begin 2000 van start zou moeten gaan. De Parijse onderzoeksrechter Jean-Louis Brugière heeft evenwel op 6 oktober 1999 beslist de klacht te onderzoeken die is ingediend tegen kolonel Kadhafi wegens medeplichtigheid aan opzettelijke doodslag. Het onderzoek naar de aanslag had op 10 maart 1999 geleid tot de veroordeling bij verstek door het bijzondere hof van assisen van Parijs van de zes Libische onderdanen die ervan beschuldigd werden de terreurdaad te hebben georganiseerd, onder wie Abdallah Senoussi, schoonbroer van kolonel Kadhafi, thans voorgesteld als de nummer twee van het regime.
Onze minister heeft zich ondanks zijn expeditie in de Libische woestijn blijkbaar tevreden moeten stellen met het bekijken van de foto van de kolonel. Men kan derhalve vragen stellen over de voorbereiding van die reis door het hoofd van onze diplomatieke diensten. Uw twee Europese voorgangers, de Italiaanse minister van Buitenlandse Zaken, Lamberto Dini, en de Oostenrijkse staatssecretaris voor Buitenlandse Zaken, Benita Ferrero-Waldner, hadden immers meer geluk dan u en werden wel in audiëntie ontvangen door de « leider van de revolutie ».
1. Hoe verklaart u het uitblijven van een ontmoeting met het hoofd van de Libische Staat ?
2. Hebt u de Libische nummer twee, de heer Abdallah Senoussi ontmoet ?
3. U hebt deze reis verantwoord door te wijzen op de belangstelling van kolonel Kadhafi voor Centraal-Afrika. Denkt u dat zijn invloed beslissend en gunstig is, in het bijzonder in het licht van zijn betrokkenheid bij het Congolese conflict ? Denkt u dat hij de ontwikkeling van de democratie op het Afrikaanse continent kan bevorderen als hij beweert dat « een veelpartijensysteem het aborteren van de democratie » is ? Wat is het resultaat van uw ontmoetingen in dit verband ?
4. Beschouwt u de verklaring van Syrte van 9 september 1999 naar aanleiding van de buitengewone top van de OAE, waarop de oprichting van de Verenigde Staten van Afrika binnen twee jaar in het vooruitzicht wordt gesteld, als geloofwaardig ? Wanneer u de rol kent die kolonel Kadhafi in dit project gespeeld heeft, denkt u dan dat het daar om zijn laatste waanvoorstelling gaat ?
5. U hebt eveneens uw reis verantwoord door te wijzen op de noodzakelijke behartiging van de economische belangen van België. In de delegatie waren inderdaad drie bedrijven vertegenwoordigd : Tractebel, Siemens Atea en Pauwels. Een van de zakenlui heeft gemeend dat gelet op de Libische context er sprake was van een positieve zending. Is dit oordeel dat, komende van zakenlui, volstrekt aanvaardbaar is, ook het oordeel van de minister van Buitenlandse Zaken ? Heeft de behartiging van de Belgische economische belangen in uw ogen voorrang boven de verdediging van de mensenrechten ?
Antwoord : Naar aanleiding van de aanslagen op een Uta-vliegtuig en een Panam-vliegtuig (Lockerbie), waarbij de Libische verantwoordelijkheid, in het geval Uta, bevestigd werd terwijl het dossier-Lockerbie nog steeds gerechtelijk behandeld wordt, had de internationale gemeenschap sancties tegenover Libië ingesteld.
Het is door de positieve evolutie in deze twee dossiers dat de sancties tegen Libië opgeschort werden (UNO) en dat zij anderzijds ook opgeheven werden (EU behalve het wapenembargo). Het is binnen deze nieuwe politieke context, wat de betrekkingen tussen Libië en de internationale gemeenschap aangaat, dat ik mijn bezoek aan Libië heb ondernomen. Naast deze politieke dimensie heeft mijn bezoek eveneens een economische en een commerciële dimensie gehad, daar een aantal ministeriële contacten hebben plaatsgehad in aanwezigheid van vertegenwoordigers uit de Belgische privé-sector.
Mijn belangrijkste gesprekspartner was mijn ambtgenoot, minister Muntasser. Wij hebben vraagstukken van internationale politiek en vraagstukken van interne aard aangehaald. Bij de internationale vraagstukken onder andere ook de toestand in Centraal-Afrika. Minister Muntasser heeft de geprivilegieerde relaties van de kolonel met de staatshoofden uit de regio's onderlijnd.
Betreffende Congo, heeft minister Muntasser opgemerkt dat België ertoe kan bijdragen om de situatie positief te laten evolueren en dat Libië jegens dit bereid is op economisch en politiek vlak met Brussel samen te werken. Ik heb ook de gelegenheid gehad enkele vragen aan het hoofd van de Libische diplomatie te stellen, meer bepaald over het nationale debat in Centraal-Afrika en de operationele aspecten van de opstelling van een militaire macht. Minister Muntasser was optimistisch over het eerste punt en dacht dat een nationaal debat met de betrokken partijen mogelijk was. Wat de opstelling van een militaire macht betreft, was hij van mening dat de Verenigde Naties een belangrijke rol moesten spelen, waaraan Libië op materieel vlak zou kunnen deelnemen en waarvoor men de vereiste financiële middelen en de manschappen zou kunnen vinden.
Onderhoud met Dr. A Jumaa, minister van Landbouw
De minister heeft mij laten weten dat er miljoenen hectaren grond, geschikt voor landbouw, in Libië bestaan, langs de oevers van grote, kunstmatig aangelegde rivieren. De minister zou graag contacten leggen met zijn Belgische ambtsgenoot, met het oog op samenwerking.
Onderhoud met de heer M.A. Zlitni, minister van Handel en Economie
De minister verklaarde zich bewust te zijn van de eisen van de globalisering. Libië zal deze beweging moeten volgen. De zakenlui (Siemens, Tractebel en Pauwels) legden hun belangen in Libië uit.
Onderhoud met de heer J.A. El-Talhi, minister van het Plan en met de heer A. El-Hanshari, minister van Telecommunicatie en Vervoer
Na een korte inleiding heb ik het woord gelaten aan de aanwezige economische vertegenwoordigers. Wat betreft Siemens, hoopte de minister van Communicatie dat er weldra een keuze zou gemaakt worden over de installatie en vestigde hij de aandacht op het belang van de overdracht van technologie en kennis.
Dezelfde minister beschuldigde Europa ervan in zijn politieke keuzes beïnvloed te zijn door Washington. Op deze beschuldiging heb ik onmiddellijk gereageerd door duidelijk de Belgische autonomie ten opzichte van de USA aan te tonen en dat mijn aanwezigheid in zijn land hiervan getuigde. Ik stond erop, duidelijk en vastberaden, het Belgisch standpunt over het terrorisme uit te spreken, door hem de aanslagen op de twee vliegtuigen van Panam en Uta in herinnering te brengen.
Wat het project betreft over de oprichting van de Verenigde Staten van Afrika, moet dit gezien worden in het licht van verschillende gelijkaardige projecten, die steeds van korte duur zijn geweest.
Een ontmoeting met kolonel Kadhafi was voorzien, maar werd uiteindelijk afgelast om redenen die mij niet bekend zijn. Een ontmoeting met de heer Abdallah Senoussi was niet in het programma van mijn bezoek voorzien.