(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans
Artikel 7, § 1, 2º, c) , van het WIB bepaalt dat men het totale bedrag van de huurprijs en de huurvoordelen van goederen die verhuurd zijn aan een rechtspersoon of die door de huurder worden gebruikt voor het uitoefenen van zijn beroepswerkzaamheid, moet aangeven bij de personenbelasting, maar dat dit bedrag niet lager mag zijn dan het geïndexeerd kadastraal inkomen, verhoogd met 40 %.
Ik stel echter vast dat steeds meer eigenaars-verhuurders worden belast voor een hoger bedrag dan de werkelijke bruto-huurprijs.
Aangezien de laatste kadastrale aanpassing dateert van 1 januari 1975, vindt men voor steeds meer handelspanden geen huurder meer voor een huurprijs die ook de onderhoudskosten en de belastingen dekt.
Door de opkomst van grote winkelcentra aan de rand van de stad en de niet te ramen inkomsten van de kleine zelfstandigen, is de vraag naar kleine handelspanden erg gedaald.
Ter illustratie een van de vele gevallen uit de praktijk :
| Werkelijke huurprijs in 1997 : 42 500 × 12 | 510 000 |
| Ten laste van de verhuurder : | |
| onroerende voorheffing | - 209 942 |
| personenbelasting (KI = 390 000 + 40 % + jaarlijkse indexering 20,84 %) | - 395 850 |
| Negatief saldo | - 95 792 |
De belasting is dus hoger dan het inkomen, zelfs zonder rekening te houden met de onderhoudskosten en andere incidentele belastingen op gebouwen.
Het interessante van dit voorbeeld is bovendien dat het uitgaat van een werkelijk geïnde huurprijs. De belasting blijft volstrekt gelijk ook indien de huurprijs geheel of gedeeltelijk onbetaald blijft, wat voor de verhuurder nog een grotere tegenvaller is.
Die belasting heeft veel weg van een verholen onteigening. Dat is in strijd met artikel 16 van de Grondwet.
Vindt u niet dat artikel 2, 2º, van het koninklijk besluit van 20 december 1996 dat dit nadelige systeem invoert, dringend dient te worden gewijzigd ?
Antwoord : De gegevens van de vraag stellen me niet in staat een nauwkeurig antwoord te verstrekken.
Aangezien het geachte lid klaarblijkelijk een welbepaald geval inzake de toepassing van de bepalingen van artikel 7, § 1, 2º, c), van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 beoogt, ben ik evenwel bereid een onderzoek te laten instellen voor zover hij me de volledige identiteit en het adres van de betrokken belastingplichtige meedeelt.
De resultaten van dit onderzoek zullen hem dan rechtstreeks worden meegedeeld.