2-226/5

2-226/5

Belgische Senaat

ZITTING 1999-2000

22 DECEMBER 1999


Wetsontwerp ter bevordering van de werkgelegenheid


Evocatieprocedure


AMENDEMENTEN

ingediend na de goedkeuring van het verslag


Nr. 33 VAN DE HEER VAN QUICKENBORNE

Art. 23

A. In § 1 van dit artikel, de woorden « bij een tekort aan jongeren zoals bepaald in 1º » en de woorden « bij een tekort aan jongeren zoals bepaald in 1º en 2º » doen vervallen.

B. In dit artikel, de paragrafen 2 en 3 doen vervallen.

Verantwoording

Het is veel beter om onmiddellijk de volledige doelgroep van jongeren aan te spreken in plaats van ingewikkelde procedures in te lassen, mede gelet op het feit dat de eerste doelgroep van de cascade voor Vlaanderen uiterst klein is en de procedure van de subregionale tewerkstellingscomités te veel tijd in beslag neemt om aan te passen.

Nr. 34 VAN DE HEER VAN QUICKENBORNE

Art. 23

Paragraaf 3 van dit artikel vervangen als volgt :

« § 3. De Koning bepaalt wat men verstaat onder tekort en legt de procedure vast.

De subregionale tewerkstellingscomités of, wat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreft, het beheerscomité van de Brusselse gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling stellen de eventuele toestand van tekort vast en informeren de minister van Werkgelegenheid.

Bij gebrek aan andersluidende beslissing van de minister van Werkgelegenheid binnen de acht dagen na ontvangst van deze informatie, leidt de vaststelling van de toestand van tekort tot de gevolgen voorzien in de paragrafen 1 en 2.

De rol die aldus wordt toebedeeld aan de subregionale tewerkstellingscomités evenals aan de Brusselse gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling maakt het voorwerp uit van een samenwerkingsakkoord tussen de Staat en de deelstaten. »

Verantwoording

Door deze vervanging gaat de minister wel degelijk de regio's en de subregionale tewerkstellingscomités betrekken bij het beleid.

Het argument dat de Raad van State de minister heeft aangezet om dit te schrappen uit het oorspronkelijk wetsontwerp gaat niet op aangezien de minister twee maten en twee gewichten hanteert. Ze laat met name artikel 43 van het huidig wetsontwerp volledig intact waarin gesproken wordt van samenwerkingsakkoorden, en dit ondanks eenzelfde kritiek van de Raad van State.

Nr. 35 VAN DE HEER VAN QUICKENBORNE

Art. 27

In het eerste lid, 3º, van dit artikel, het woord « twaalf » vervangen door de woorden « minstens de duur van een schooljaar ».

Verantwoording

Dit amendement dient samen gelezen te worden met amendement 11 dat expliciet voorziet in het toevoegen van de categorie deeltijds werkenden-deeltijds lerenden.

Indien dit laatste amendement niet wordt aanvaard, blijft het achterpoortje waarvan sprake in mijn inleidende uiteenzetting. Daaromtrent heeft de minister heel wat tegenstrijdige signalen uitgezonden. Eerst kwam zij in de commissie van 14 december verklaren en ik citeer uit het verslag : « De maatregel zal niet gelden voor jongeren in een stelsel van deeltijds werken-deeltijds leren tussen 16 en 18 jaar. Zij wil namelijk vermijden dat de federale overheid door deze maatregelen onrechtstreeks (financieel) gaat tussenkomen in de onderwijsbevoegdheden van de deelstaten. » Op een volgende bijeenkomst, die van 16 december, luidt het dan weer dat « de minister de redenering van de senator beaamt ... de redenering die hierin bestaat dat er een lek in de wet staat aangezien jongeren tussen 16 en 18 jaar niet kunnen ressorteren onder categorie 1 maar wel onder 2 of 3 indien ze zich inschrijven bij de RVA ... bijgevolg dat het stelsel wel van toepassing is op de deeltijds werkenden-deeltijds lerenden ».

Aangezien deze categorie van jongeren enkel werkt tijdens het schooljaar dient de wetgeving te worden aangepast.

Nr. 36 VAN DE HEER VAN QUICKENBORNE

Art. 34

Dit artikel doen vervallen.

Verantwoording

Jongeren krijgen in het kader van de wet betreffende de arbeidsovereenkomsten reeds genoeg kansen om te solliciteren.

Nr. 37 VAN DE HEER VAN QUICKENBORNE

Art. 35

Dit artikel doen vervallen.

Verantwoording

De opzegtermijnen in het kader van de wet betreffende de arbeidsovereenkomsten zijn reeds soepel genoeg.

Nr. 38 VAN DE HEER VAN QUICKENBORNE

Art. 36

In dit artikel, de woorden « nieuwe werknemer » vervangen door het woord « werkgever ».

Verantwoording

De minister heeft zelf in de commissie toegegeven dat het moeilijk denkbaar is dat laaggeschoolde jongeren dit zullen doen. Bovendien dient de werkgever sowieso reeds te voldoen aan een meldingsplicht in het kader van artikel 32. Tenslotte verliest de jongere die vergeet te melden het voordeel van artikel 45 zoals de minister dit heeft verklaard in de commissie (blz. 36 van het verslag).

Nr. 39 VAN DE HEER VAN QUICKENBORNE

(in subsidiaire orde op amendement nr. 31)

Art. 42

In § 1, 1º, van dit artikel, het cijfer « 0,15 % » vervangen door het cijfer « 0,10 % ».

Verantwoording

De bepaling van het cijfer 0,15 % is puur arbitrair en op maat geschreven van bepaalde sectoren, onder meer de bouwsector. De referentie aan het interprofessioneel akkoord waarin dit cijfer zou bepaald zijn, een referentie die de minister aanbracht op de zitting van 14 december klopt niet. In dat akkoord staat namelijk letterlijk te lezen dat « de sociale partners de sectoren vragen om door middel van een nieuwe of voortgezette CAO de inspanning van 0,10 % voor de vorming of tewerkstelling van risicogroepen voort te zetten tijdens de jaren 1999 en 2000 in dezelfde voorwaarden en modaliteiten als tijdens de jaren 1997 en 1998 ».

Conclusie, ofwel komt de minister tegemoet aan de eisen van een lobbygroep, ofwel kent de minister de inhoud van het interprofessioneel akkoord niet.

Nr. 40 VAN DE HEER VAN QUICKENBORNE

Art. 47

Paragraaf 1, eerste lid, van dit artikel vervangen als volgt :

« Indien een jaar na de inwerkingtreding van dit hoofdstuk wordt vastgesteld dat de verplichting zoals bedoeld in artikel 39, § 1, niet werd nageleefd, is de werkgever uit de private sector verplicht een compenserende vergoeding van 3 000 Belgische frank te betalen. »

Verantwoording

Er is geen reden om strenger te zijn voor de private sector dan voor de publieke sector.

Nr. 41 VAN DE HEER VAN QUICKENBORNE

Art. 56

Dit artikel aanvullen als volgt :

« indien de aanpassing bekrachtigd wordt bij wet binnen een termijn van drie maanden na de aanpassing ».

Verantwoording

Dit artikel is ongrondwettelijk indien op zijn minst geen bekrachtiging bij wet volgt.

Vincent VAN QUICKENBORNE.