2-194/1 | 2-194/1 |
24 NOVEMBER 1999
De diepe vertrouwenscrisis van de jongste maanden vraagt om grondige hervormingen. Alleen een nieuwe politieke cultuur en een doorgedreven democratisering en modernisering van ons politiek bestel kunnen het vertrouwen in de instellingen van ons land herstellen.
Het voorliggend wetsvoorstel heeft tot doel de betekenis van de lijststem te beperken en aldus het toewijzen van een zetel aan een kandidaat vooral door de kiezer zelf te laten bepalen. Diverse politologen stellen dat onze democratie duidelijke elementen van een particratie bevat, gezien het momenteel de politieke partijen zijn die de facto de verkozenen des volks aanwijzen. Dit wetsvoorstel heeft dan ook tot doel de lijststem enkel nog te doen meetellen voor de berekening van de zetelverdeling tussen de verschillende lijsten. Het toewijzen van de zetels aan deze of gene kandidaat van een lijst zal echter uitsluitend op basis van het aantal uitgebrachte naamstemmen geschieden, dus zonder dat de lijststem nog in rekening wordt gebracht.
Dit systeem heeft als voordeel dat enkel die kandidaten verkozen zullen worden die de meeste voorkeurstemmen behalen, ongeacht hun plaats op de lijst. Daardoor wordt niet alleen de impact van de lijstsamenstellende partijorganen sterk afgezwakt, maar wordt eveneens het kiessysteem voor de kiezer zelf veel doorzichtiger. De kiezer weet immers meestal niet dat een lijststem in feite overeenkomt met een bevestiging van de volgorde van de lijst, wat de facto neerkomt op een stem voor de kandidaat bovenaan de lijst.
Door het neutraliseren van de lijststem voor de gemeente- en provincieraadsverkiezing kan dus iedere kandidaat op de lijst met meer gelijke kansen naar de gunst van de kiezer dingen.
Deze wijzigingen hebben tot doel aan de stem van de kiezer een groter gewicht te geven en aldus de invloed van de politieke partijen op de toewijzing van de mandaten in belangrijke mate terug te schroeven.
| Vincent VAN QUICKENBORNE. |
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Art. 2
Artikel 9bis , § 7, van de wet van 19 oktober 1921 tot regeling van de provincieraadsverkiezingen, ingevoegd bij de gewone wet van 16 juli 1993, wordt vervangen als volgt :
« § 7. Wanneer de stemming gesloten is, maakt het stembureau een staat op van de kiezers die met toepassing van § 4 tot de stemming worden toegelaten ofschoon zij op de kiezerslijsten van de stemafdeling niet waren ingeschreven. »
Art. 3
In artikel 11, § 2, eerste lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij dezelfde wet, worden de woorden « dan er leden te kiezen zijn » vervangen door de woorden « dan het dubbele van het aantal te kiezen leden ».
Art. 4
Artikel 16 van dezelfde wet, gewijzigd bij dezelfde wet, wordt vervangen als volgt :
« Art. 16 . De kiezer kan zijn stem uitbrengen ofwel door een lijststem uit te brengen in het stemvak bovenaan op een lijst ofwel door op een zelfde lijst maximaal zoveel stemmen uit te brengen als er kandidaten zijn. »
Art. 5
In artikel 21 van dezelfde wet, gewijzigd bij dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1º in § 1, tweede lid, worden de derde, de vierde en de vijfde volzin geschrapt;
2º paragraaf 1, derde lid, wordt opgeheven;
3º paragraaf 2, tweede lid, wordt opgeheven.
Art. 6
In artikel 21bis , eerste lid, tweede volzin, van dezelfde wet, ingevoegd bij dezelfde wet, worden de woorden « en geen enkele van de stemmen die uitgebracht zijn ten gunste van de volgorde van voordracht wordt aan hem toegekend » geschrapt.
Art. 7
Artikel 26, tweede lid, van dezelfde wet wordt opgeheven.
Art. 8
Artikel 23, laatste lid, van de gemeentekieswet, gecoördineerd op 4 augustus 1932, wordt aangevuld met de woorden « verhoogd met het aantal mandaten in het college van burgemeester en schepenen ».
Art. 9
In artikel 24bis , eerste lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 30 juli 1938, worden de woorden « mag de voordracht van kandidaten, behalve de lijst bedoeld in artikel 23, ook een lijst van drie kandidaat-opvolgers omvatten » vervangen door de woorden « mag de voordracht, waarop niet meer kandidaten mogen voorkomen dat er raadsleden te kiezen zijn, ook een lijst van kandidaat-opvolgers omvatten waarvan het aantal niet hoger mag zijn dat het aantal mandaten in het college van burgemeester en schepenen ».
Art. 10
In artikel 28, tweede lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij dezelfde wet, worden de woorden « en derde opvolger » vervangen door de woorden « , derde opvolger, enz. ».
Art. 11
Artikel 40, § 1, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 5 juli 1976 en de gewone wet van 16 juli 1993, wordt vervangen als volgt :
« § 1. De kiezer kan zijn stem uitbrengen ofwel door een lijststem uit te brengen in het stemvak bovenaan op een lijst ofwel door op een zelfde lijst maximaal zoveel stemmen uit te brengen als er kandidaten te begeven zijn. »
Art. 12
Artikel 41 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 5 juli 1976 en de gewone wet van 16 juli 1993, wordt vervangen als volgt :
« Art. 41. Wanneer de stemming gesloten is, maakt het stembureau een staat op van de kiezers die met toepassing van artikel 142 van het Kieswetboek tot de stemming worden toegelaten ofschoon zij op de kiezerslijsten van de stemafdeling niet waren ingeschreven. »
Art. 13
In artikel 57 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 5 juli 1976, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1º in het tweede lid, worden de derde, de vierde en de vijfde volzin geschrapt;
2º het derde lid wordt opgeheven.
Art. 14
Artikel 58, tweede lid, van dezelfde wet wordt opgeheven.
| Vincent VAN QUICKENBORNE. |
(1) Dit wetsvoorstel werd in de Senaat reeds ingediend op 27 maart 1997, onder het nummer 1-601/1 1996/1997.