2-202/3

2-202/3

Belgische Senaat

ZITTING 1999-2000

8 DECEMBER 1999


Wetsontwerp betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk


Evocatieprocedure


VERSLAG

NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE BINNENLANDSE EN DE ADMINISTRATIEVE AANGELEGENHEDEN UITGEBRACHT DOOR MEVROUW NAGY


1. INLEIDENDE UITEENZETTING VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN

1.1. Voorbereiding en uitvoering

Het wetsontwerp dat door de Senaat is geëvoceerd, is eerst en vooral het resultaat van een proces dat op gang kwam tijdens de samenstelling van de huidige regering, in juli laatstleden.

Wij hebben de uiterst gevoelige situatie die is ontstaan door de jarenlange aanwezigheid van illegale vreemdelingen op ons grondgebied, openlijk willen aanpakken.

Het fenomeen is tijdens de voorbije zittingsperiode op de voorgrond getreden. Deze regering heeft besloten daar zonder verwijl een structurele oplossing voor te vinden en te voorkomen dat de behandeling van een kwestie die de toekomst van duizenden mensen zal beïnvloeden en die, indien ze onopgelost blijft, problemen op het vlak van de openbare orde zal veroorzaken, onnodig wordt uitgesteld.

De omzetting van het koninklijk besluit in een wet heeft de grondslagen en de werkingsprincipes van de regularisatie niet veranderd maar heeft er integendeel de juridische zekerheid van versterkt.

Er wordt een belangrijke inspanning gevraagd van de gemeenten, die belast worden met het verzamelen en overzenden van de aanvragen, die vergezeld moeten gaan van een sociaal verslag dat het mogelijk maakt de argumenten in te schatten die aangevoerd worden door de aanvrager van de regularisatie. Om het bijkomende werk dat voortvloeit uit het wetsontwerp op te vangen, wordt voorzien in overleg.

1.2. Een overkoepelend asiel- en immigratiebeleid

Dit wetsontwerp is niet enkel het resultaat van maandenlang overleggen en bespreken : het is ook een van de belangrijkste manieren waarop het totale asiel- en immigratiebeleid dat de regering op 1 oktober heeft goedgekeurd, in de praktijk wordt omgezet.

De regularisatie is onlosmakelijk verbonden met de twee andere hoofdelementen van het beleid terzake, namelijk de hervorming van de asielprocedure en de effectieve verwijdering van vreemdelingen die geen recht op verblijf in België kunnen laten gelden.

Het is totaal nutteloos een dergelijke eenmalige en kortstondige regularisatieoperatie te overwegen indien er tegelijkertijd niets wordt gedaan om de oorzaken van de clandestiniteit in de toekomst te bestrijden. Die clandestiniteit zoals wij ze vandaag kennen, is een gevolg van de traagheid van de huidige asielprocedure en van de ontoereikende uitvoering van de bevelen tot verwijdering.

De asielprocedure moet dus hervormd worden zodat ze sneller kan verlopen, terwijl ook de kwaliteit van de beslissingen gegarandeerd dient te zijn.

De asielprocedure dient niet alleen hervormd te worden opdat de aanvragen sneller kunnen worden behandeld. Wanneer de asielprocedure eindigt met een negatief advies, moet dit werkelijk worden uitgevoerd, op strikte wijze, doch met alle nodige duidelijkheid en waarborgen.

De doelstellingen van de regularisatie zijn veelvuldig.

Zoals ik reeds zei, beantwoordt ze aan de noodzaak om de situatie te verbeteren. De realiteit verplicht ons te zeggen dat er in de voorbije jaren tienduizenden bevelen tot verlaten van het grondgebied onuitgevoerd zijn gebleven. Het zou overdreven zijn hieruit te besluiten dat er op dit ogenblik evenveel mensen clandestien in het land verblijven als er onuitgevoerde bevelen tot verlaten van het grondgebied zijn : sommige vreemdelingen zijn vertrokken zonder dat te melden, anderen zijn geregulariseerd, misschien zijn er die betrokken zijn bij een gezinshereniging, ...

Toch kunnen we in een redelijke schatting spreken van tienduizenden vreemdelingen die momenteel illegaal op het grondgebied verblijven, waaronder sommigen reeds verschillende jaren.

De regularisatie maakt het mogelijk de situatie gezond te maken, de problemen van openbare orde in te dijken en de netwerken die voordeel halen uit de ellende door middel van prostitutie of economische uitbuiting, doeltreffender te bestrijden.

Het zou schijnheilig zijn te beweren dat de Staat geen verantwoordelijkheid draagt voor de toestand waarmee wij vandaag geconfronteerd worden.

Ik ben het echter niet eens met de interpretatie volgens welke de Staat nu verplicht is deze mensen te regulariseren enkel omdat hij niet over de middelen beschikt om ze te verwijderen.

De aanpak van de regering vertrekt vanuit een volstrekt positieve instelling : men moet de personen die tot nog toe, ondanks de moeilijkheden meegebracht door hun clandestiniteit, gepoogd hebben zich te integreren en die, zij het op illegale wijze, hebben bijgedragen tot de ontwikkeling van het Belgische sociaal-economische leven, de kans bieden die wil tot integratie openlijk te laten blijken.

Vele vreemdelingen maken nu integraal deel uit van onze samenleving. Het enige wat hun werkelijke, langdurige integratie nog tegenhoudt is een juridische hindernis. Met uitzondering van kwesties van openbare orde of nationale veiligheid, is het raadzaam die hindernis weg te nemen.

Dit wetsontwerp streeft er niet naar de werkelijke oorzaken van het probleem aan te pakken. Die komen immers voort uit de ontwikkelingskloof die bestaat tussen ons land en de landen waaruit de clandestiene vreemdelingen afkomstig zijn. De mensen waarover het hier gaat, zijn overwegend ongelukkige mensen die op de vlucht zijn voor armoede of gewapende conflicten. Ik pleit dus voor een hierop afgestemde ontwikkelingssamenwerking.

Onvermijdelijk zal men sommigen de regularisatie van het verblijf weigeren en dus van het grondgebied verwijderen. Ik hoop dat hun terugreis voor België een aanleiding zal vormen om hun land van herkomst te helpen. De minister van Buitenlandse Zaken en de staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking zullen hier, samen met gespecialiseerde internationale organisaties zoals de IOM (Internationale Organisatie voor migraties), een essentiële rol in moeten spelen.

1.3. De organisatie van de regulariseringsoperatie

De organisatie van de regulariseringsoperatie berust op de volgende beginselen :

­ strenge criteria

­ een « one shot »-operatie

­ de beoordeling verloopt geval per geval

­ een procedure die de noodzakelijke gerechtelijke waarborgen biedt en tegelijkertijd misbruiken en bedrog onmogelijk maakt.

Het wetsontwerp bepaalt vier regularisatiecriteria.

Twee criteria beogen een antwoord te bieden voor situaties waarin het menselijk gezien niet denkbaar is om een mens terug naar zijn land van oorsprong te sturen : hetzij omdat hij ernstig ziek is en zijn terugwijzing gelijk zou staan met het weigeren van medische hulp aan een persoon in gevaar, hetzij omdat de toestand in zijn land van die aard is dat het moeilijk is om de persoon terug te sturen. Er is ter attentie van de Commissie voor regularisatie een lijst van onveilige landen opgesteld.

In naam van de humanistische waarden die gedeeld worden door alle democratische partijen, zal het verblijf van vreemdelingen die zich in een dergelijke situatie bevinden, zonder voorbehoud geregulariseerd worden, op voorwaarde dat ze het bewijs kunnen leveren van de gegevens die hun aanvraag moeten staven.

De twee andere criteria hebben niet onmiddellijk betrekking op de absolute onmogelijkheid om de vreemdeling naar zijn land terug te sturen, zelfs al doen er zich vaak « gemengde » situaties voor.

In het eerste geval gaat het om asielzoekers voor wie de Staat geen beslissing heeft kunnen nemen binnen een termijn van vier jaar.

In het tweede geval wil men een oplossing zoeken voor de toestand van illegalen die sinds meer dan zes jaar in België verblijven, die duurzame sociale banden hebben ontwikkeld en die humanitaire redenen kunnen laten gelden.

De duur van het verblijf in België en het geïntegreerd zijn vormen hier dus de twee belangrijkse ­ los van elkaar staande ­ gegevens die bewezen moeten worden als men aanspraak wil maken op de toepassing van dit wetsontwerp.

Wat duurzame sociale banden betreft, kan men het voorbeeld aanhalen van een duurzame verhouding met een Belg of een Belgische of met een vreemdeling of vreemdelinge die wettig in België gevestigd is; of het ten laste zijn van kinderen die zelf wettig in België verblijven, of om medische of familiale redenen gedwongen zijn bij hen te wonen; zich kunnen beroepen op het feit dat een kind of een echtgenoot wettig in België verblijven; kunnen aantonen dat men vóór de leeftijd van 18 jaar wettig in België heeft verbleven (in het geval van minderjarigen die meerderjarig zijn geworden of vaak kinderen van immigranten die hun terugkeerrecht niet hebben kunnen uitoefenen); een kind hebben dat in België school loopt; een baan hebben of een belofte tot indienstneming kunnen voorleggen; een beroepsopleiding volgen of gevolgd hebben; zich op persoonlijk of familiaal vlak in een zodanige situatie bevinden dat alleen regularisatie de zaak kan oplossen (in sommige gevallen van scheiding, persoonlijke mishandeling, economische uitbuiting, ...).

Deze verschillende situaties, die een paar voorbeelden zijn, kunnen slechts in aanmerking worden genomen indien de andere voorwaarden vervuld zijn.

De verblijfsduur is het doorslaggevende element maar volstaat niet. Men moet immers nagaan of er echte en duurzame banden ontstaan zijn maar ook of de wil bestaat om de Belgische wetten na te leven.

Anderzijds vallen de vreemdelingen die over een verblijfsrecht beschikken, krachtens het gemeenschapsrecht dat omgezet is in de wet van 15 december 1980 (hoofdzakelijk het recht op gezinshereniging), niet onder deze wet. De minister van Binnenlandse Zaken is immers bevoegd voor de toegang tot het grondgebied maar kan zich niet mengen in de wetgeving betreffende de verblijfsvergunningen.

Van elke persoon zal het dossier individueel onderzocht worden. De Staat was dus verplicht de regularisatie zo te regelen dat elk het recht heeft om individueel behandeld te worden. Deze regering gaat nog verder en belast een onafhankelijke commissie met deze taak.

Deze regulariseringsoperatie zal slechts gedurende een bepaalde tijd lopen want de regering heeft beslist de toestand uit het verleden te saneren en tegelijkertijd een beleid te voeren dat deze toestant van illegaliteit in de toekomst moet voorkomen.

Om het aanzuigeffect te vermijden waardoor vreemdelingen steeds meer België binnenstromen, moet men bewijzen dat men werkelijk in België verbleef vóór 1 oktober 1999. De regularisatie mag geen buitenkans worden voor « verstekelingen » uit de ons omringende landen en al evenmin voor personen die hun land bij die gelegenheid zouden verlaten om redenen die de Belgische wet niet erkent.

Het is dus ondenkbaar een procedure van geïnstitutionaliseerde en blijvende regularisatie op gang te brengen. Uiteindelijk zou dat het nut van de asielprocedure in gevaar brengen en in een ruimer perspectief ook de voorwaarden die de wet op de toegang tot het grondgebied stelt.

Ik kan mijn steun niet toezeggen aan de blijvende regularisatieregeling zoals de Kamercommissie voor de Binnenlandse Zaken die voorstelt als wisseloplossing voor dit ontwerp. De regering wijst die handelwijze af. Dat zou bovendien betekenen dat men niet in staat is de toegang tot het grondgebied onder controle te houden.

Om bedrog te vermijden voert het wetsontwerp eerst een aantal stringente voorwaarden in om de toepassing van de regularisatieregels te kunnen aanvragen.

Bovendien komt een verblijf niet in aanmerking voor regularisatie wanneer de openbare orde of de nationale veiligheid gevaar lopen.

Voor de minister van Binnenlandse Zaken blijft zo de mogelijkheid bestaan om de toepassing van de wet af te wijzen om redenen ingegeven door de openbare orde of de nationale veiligheid, wanneer hij te maken heeft met vreemdelingen die een gevaar betekenen voor onze samenleving.

Ook al wordt de regularisatie toegestaan, dan nog houdt zij hoe dan ook bovendien geen enkele vorm van amnestie in. Dat men personen uit de illegaliteit haalt, betekent nog niet dat men hun met de wet strijdige gedragingen door de vingers ziet.

1.4. Een onafhankelijke commissie voor regularisatie

De eenmalige regularisatieoperatie verwacht dat er een onafhankelijke commissie komt die zo is samengesteld dat zij alle aanvragen tot regularisatie binnen een redelijke termijn kan afhandelen.

Een koninklijk besluit regelt de samenstelling en de werking van deze commissie. Het besluit wordt overlegd in de Ministerraad opdat iedereen kan vaststellen dat de commissie uit onafhankelijke leden bestaat. Haar kamers zijn samengesteld uit magistraten, advocaten en vertegenwoordigers van organisaties die actief zijn in het domein van de mensenrechten.

De ontworpen regularisatie krijgt alle waarborgen inzake procedure mee : procedure op tegenspraak, toegang tot het dossier, hulp van een advocaat of een tolk, ...

Om erg scheeftrekkende toestanden te vermijden moet men de juiste verhouding bepalen tussen de strikte voorwaarden om de toepassing van de wet te kunnen genieten en de wens van de onafhankelijke commissie die de wet moet toepassen, om de nodige soepelheid aan de dag te leggen.

Ik verbind mij ertoe de adviezen van de Commissie voor regularisatie over te nemen. Het ligt niet in mijn bedoeling de bevoegdheid van de minister inzake de toegang tot het grondgebied definitief over te dragen aan een of andere commissie.

Ik verbind mij ertoe mij neer te leggen bij de adviezen van de commissie zolang deze procedure aan de gang is.

Het moet mogelijk blijven iedere vreemdeling uit te sluiten die om de toepassing van de wet vraagt en die een gevaar betekent voor de openbare orde of de nationale veiligheid. Orde en veiligheid behoren tot de eigen bevoegdheden van de minister van Binnenlandse Zaken. Dat kan niet alleen voor de regularisatieprocedure gelden.

2. ALGEMENE BESPREKING

Advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer

Een lid geeft aan dat, gelet op de inhoud van het voorliggende ontwerp en de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, de commissie best eerst het advies zou inwinnen van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

De wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van perssonsgegevens bepaalt immers in artikel 6 dat de verwerking van persoonsgegevens met betrekking tot het ras, de etnische afstamming, het seksueel gedrag of de overtuiging of activiteit op politiek, levensbeschouwelijk of godsdienstig gebied, het lidmaatschap van een vakbond of ziekenfonds slechts voor de krachtens de wet vastgestelde doeleinden is toegestaan.

Daarbij geeft de tweede regularisatiegrond van het huidige ontwerp aanleiding tot het verzamelen van die gegevens als bedoeld in artikel 6 van de wet van 8 december 1992.

Verschillende dossiers zullen dus bijgevolg gevoelige gegevens bevatten zoals omschreven in deze wet.

De vraag rijst nu of deze specifieke gegevens uitsluitend mogen worden gebruikt in het kader van deze regularisatiecampagne of ook daarbuiten. De wet zelf zegt hierover niets en het gebrek aan die informatie zou tot problemen kunnen leiden.

Momenteel is er immers geen informatie met betrekking tot de wettelijkheid van het gebruik van deze gegevens door bijvoorbeeld de Dienst Vreemdelingenzaken om een bevel tot uitwijzing te motiveren.

En bovendien weten we ook niet of de Veiligheid van de Staat deze duizenden individuele verklaringen over de politieke situatie in derde landen mag gebruiken als zeer belangrijke bron van informatie.

Deze vragen zouden, vóór het debat ten gronde, beantwoord moeten worden. Stel immers dat een asielzoeker minder dan drie jaar geleden een aanvraag deed en dat hij nog altijd geen beslissing heeft ontvangen, zoals vele andere duizenden personen die in deze situatie verkeren. Bij de inwerkingtreding van deze wet doet die persoon een aanvraag tot regularisatie op basis van de tweede regularisatiegrond en hij voorziet zijn dossier van de nodige persoonlijke gegevens. Dat verzoek wordt afgewezen en zijn dossier wordt overgezonden aan de Dienst Vreemdelingenzaken, die zijn verklaring gebruikt om hem uit te wijzen. Uiteindelijk stapt de man met de verklaring van de Dienst Vreemdelingenzaken naar de Raad van State. De Raad van State stelt vast dat de beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken nietig is omdat die persoonsgegevens heeft gebruikt buiten de doeleinden waarin de wet van 8 augustus 1992 voorziet.

In een dergelijk scenario kunnen duizenden bevelen tot uitwijzing de prullenmand in. Het is dus raadzaam om eerst het advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in te winnen met betrekking tot dit ontwerp en om zo te weten of in de wet niet gestipuleerd moet worden met welke doeleinden de ingewonnen gegevens gebruikt mogen worden.

De onderzoekstermijn van dit wetsontwerp geeft onze Commissie de kans om, rekening houdend met de schorsing van de termijn tussen 24 december en 7 januari, voor half januari dit dossier tot een goed einde te brengen. Het lid stelt daarom voor om aan de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer te vragen of dit wetsontwerp, omdat het niet omschrijft waarvoor de ingezamelde gegevens mogen dienen, niet strijdig is met artikel 6 van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer. De Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer hoeft geen dagen of weken aan dit onderwerp te wijden. Maar het lid is wel van oordeel dat die vraag beantwoord moet worden vóór de commissie met de algemene bespreking begint.

Een ander lid is van mening dat voorgaande redenering op de premisse steunt dat het dossier, op basis waarvan de regularisatie wordt goedgekeurd of verworpen, automatisch door de Dienst Vreemdelingenzaken gebruikt wordt als basis om over een uitwijzing te beslissen. Die premisse is niet bewezen aangezien over de regularisatie wordt geadviseerd door een onafhankelijke commissie. Het dossier gaat wel naar de minister die dan, al of niet conform het advies van deze commissie, een beslissing zal nemen. Nergens staat dat op dat ogenblik het volledige dossier met de argumentatie van de betrokkene aan de Dienst Vreemdelingenzaken wordt overgezonden.

Alleen de onrechtmatige aanwezigheid van een vreemdeling mag voor de Dienst Vreemdelingenzaken de basis zijn om de verwijderingsprocedure in werking te stellen. Eventueel kan de Dienst Vreemdelingenzaken nog een bijkomende vraag stellen of een onderzoek instellen. In geen enkele wet staat echter dat het dossier voor de aanvraag van de regularisatie de basis vormt om achteraf, na een negatieve beslissing door de minister, al of niet te besluiten tot uitwijzing.

Hij denkt dan ook dat de vraag van het andere lid niet echt gegrond is.

Tenuitvoerlegging van de regularisatieprocedure

Een lid benadrukt het belang van dit ontwerp : het houdt de eerste algemene regularisatieoperatie in sinds de jaren '70. Het beantwoordt aan de verwachtingen van mensen die illegaal op het Belgisch grondgebied verblijven en zal misschien uitmonden in een echt debat over de problemen van immigratie, verblijfsvergunning en arbeidsvergunning.

Het welslagen van deze operatie zal evenwel niet alleen een kwestie zijn van goede voornemens, maar ook afhangen van de manier waarop de tekst in de praktijk wordt toegepast. Uit de hoorzittingen met burgemeesters en OCMW-voorzitters is gebleken dat de praktische toepassing tot problemen kan leiden, vooral ook omdat de regering bijzonder korte termijnen heeft vastgesteld. Dat wekt ook vragen op over de middelen die de regering vrijmaakt om het ontwerp tot een goed einde te brengen.

Het lid wil weten hoe het miljard waarmee men de operatie wil financieren, precies zal worden verdeeld en wanneer het ter beschikking zal zijn. Hoeveel zullen de gemeenten en hun OCMW's precies krijgen ? Zal alles klaar zijn begin januari ?

De burgemeester moet het sociaal verslag opstellen, maar bepaalde materies behoren tot de bevoegdheid van de OCMW's. Hoe moeten burgemeesters en OCMW's hierover met elkaar in contact treden ? Welk overleg zal plaatsvinden tussen de Staat, de gewesten en ten slotte de gemeenschappen, die bevoegd zijn voor de sociale bijstand ?

Hoe zal het sociaal onderzoek worden gevoerd met betrekking tot personen die bij een OCMW ingeschreven zijn, maar die niet in de desbetreffende gemeente verblijven ? Welke burgemeester wordt dan met het sociaal onderzoek belast ? Deze situatie komt heel vaak voor.

Het lid wil ook meer uitleg over de manier waarop de leden van de Commissie voor regularisatie worden aangewezen, en dan vooral de leden die de NGO's vertegenwoordigen. Zijn bepaalde organisaties al gepolst en op welke basis zijn ze gekozen ?

Sommige commissieleden stellen zich vragen bij de afwezigheid van bepaalde landen ­ zoals Algerije en Burundi ­ op de lijst van de onveilige landen. Zal dat geen problemen scheppen voor de regularisatieaanvragen van burgers van landen die niet op de lijst staan, maar van wie men weet dat zij in moeilijkheden zullen komen als zij naar dat land terugkeren ? In de praktijk zijn er geen uitwijzingen naar deze landen.

De minister heeft uitgelegd dat de duur van het verblijf op zich niet volstaat om voor regularisatie in aanmerking te komen. Het wetsontwerp bepaalt dat er ook duurzame sociale bindingen moeten zijn. Een lid vraagt of duurzame en duidelijke sociale bindingen gekoppeld aan een iets te kort verblijf wel in aanmerking worden genomen.

Een laatste vraag heeft betrekking op de ontvankelijkheid van de aanvragen van uitgeprocedeerde vluchtelingen die een bevel om het grondgebied te verlaten hebben ontvangen. Artikel 2, 1º, is duidelijk : regularisatie is uitgesloten indien er een voorafgaande uitvoerbare beslissing is geweest. Het lid wenst te vernemen hoe de ontvankelijkheidscriteria toegepast worden voor de vluchtelingen die een bevel om het grondgebied te verlaten hebben ontvangen.

Wat daarentegen de vreemdelingen betreft die niet naar hun land kunnen terugkeren om redenen onafhankelijk van hun wil (artikel 2, 2º), merkt het lid op dat de toestand in dat land kan veranderen. Kan de situatie van deze personen dan ook herzien worden ?

Een ander lid wijst op de betekenis van het ontwerp, dat een grote stap vooruit vormt. Op grond van zijn ervaring als burgemeester van een gemeente stelt hij een groot menselijk probleem aan de kaak : de bevelen om het grondgebied te verlaten die een opsplitsing van gezinnen tot gevolg hebben. Dat is een fenomeen dat hij enkele jaren geleden meegemaakt heeft. Moeder en kinderen werden uitgewezen terwijl twee andere kinderen, van Belgische nationaliteit, konden blijven. Recentelijk hebben zich dezelfde feiten opnieuw voorgedaan. Het lid verbaast zich hierover want hij vindt het vanzelfsprekend dat leden van een zelfde gezin niet door uitwijzingsbevelen gescheiden worden.

Spreker haalt het geval aan van een persoon die sinds 1991 in België verblijft, die normalerwijze aan de regularisatievoorwaarden zou voldoen maar die enkele dagen geleden een bevel om het grondgebied te verlaten heeft ontvangen. Het mag niet zo zijn dat er opeens vele bevelen om het grondgebied te verlaten worden gegeven, alleen om te verhinderen dat deze mensen alsnog gebruik maken van de voorgestelde maatregel.

Wat de rol van de gemeenten betreft, zou het wenselijk zijn de procedure eenvormig toe te passen over heel het Belgische grondgebied. Het zou goed zijn dat de minister van Binnenlandse Zaken overlegt met de gewestministers die bevoegd zijn voor het administratief toezicht, opdat overal een minimum aan goede wil getoond wordt. Men moet absoluut voorkomen dat de mogelijkheid om in de procedure te stappen en het verkrijgen van een gunstig of ongunstig sociaal verslag afhankelijk is van de gemeente waar men verblijft.

Vanzelfsprekend zal de werklast voor de gemeenten zeer sterk verschillen naar gelang van de structuur van de vreemde bevolking die er woont. Spreker merkt op dat de diensten van zijn gemeente reeds overbelast zijn en krachttoeren zullen moeten uithalen om het nieuwe stelsel van regularisaties correct te laten functioneren.

Dit wetsontwerp sluit aan bij het gehele regeringsbeleid. Het lid betreurt dat het regeringsbeleid niet altijd op een algemene en samenhangende wijze voorgesteld wordt.

De voorzitster merkt op dat het verslag over het immigratiebeleid van de regering, voorbereid door mevrouw Nagy en de heren Wille en Daif, juist probeert aan te tonen dat er wel samenhang is tussen de verschillende beleidskeuzen.

Bezuaren tegen het wetsontwerp

Een senator verwijst naat het door de Raad van State vernietigde koninklijk besluit dat op verschillende punten onwettig was. Hij is tevreden dat het initiatief is genomen om onmiddellijk beroep in te stellen, want de situatie zou heel wat erger zijn geweest indien het besluit onwettig was verklaard terwijl er al uitvoering aan was gegeven.

Zowel de voorstanders als de tegenstanders van het wetsontwerp stellen hetzelfde vast, namelijk dat tienduizenden personen illegaal in België verblijven en dat die toestand niet wenselijk is. Om dit probleem te verhelpen, zijn er twee soorten oplossingen. Ofwel voert men een beleid dat is toegespitst op de uitzetting van illegalen, ofwel voert men een regularisatiebeleid op grote schaal. In het voorliggende wetsontwerp is gekozen voor de tweede oplossing. Niettemin wenst spreker een overzicht te geven van de voor- en de nadelen van de beide oplossingen.

Als voorstander van de eerste mogelijke oplossing legt de senator uit dat die oplossing het voordeel biedt dat de aanwezigheid van illegale vluchtelingen op korte termijn tot een minimum kan worden teruggebracht. Daarenboven wordt met een dergelijk beleid voorkomen dat in de toekomst grote aantallen vluchtelingen aankomen, daar zij weten dat zij snel gevat en uitgezet zullen worden en dat de kansen op regularisatie miniem, ja zelfs niet bestaande zijn. Dit beleid zou er eveneens op gericht zijn de uitgeproceerde asielzoekers onmiddellijk te repatriëren, wat natuurlijk ontradend zou werken, de asielaanvragen zou beperken en een nog snellere afhandeling van het geringe aantal ingediende aanvragen mogelijk zou maken.

Daarentegen biedt de weg die het ontwerp volgt duidelijk nadelen. De meerderheid van de illegalen en de asielzoekers zullen immers op korte termijn geregulariseerd worden. Men verliest uit het oog dat al die mensen gekozen hebben om naar België te komen, de grens illegaal over te steken en asiel te vragen, terwijl ze toch wisten dat hun kans om hier wettig te verblijven gering was. Ook al legt men de klemtoon op het feit dat die regularisatieoperatie slechts eenmaal zal plaatsvinden, toch zullen die mensen blijven komen. Met een dergelijke oplossing mag men niet verwachten dat het probleem voor de toekomst geregeld zal zijn.

Over dit wetsontwerp verklaarde de heer Jan Peeters in het Kamerdebat het volgende : « Het regularisatieontwerp krijgt onze steun niet alleen om humanitaire redenen maar ook om de redenen van eigenbelang. De grote groep illegalen ondermijnt immers onze eigen maatschappij. De uitbuiting van illegalen ontwricht momenteel al te veel economische sectoren : textielateliers, tuinbouwbedrijven. Het is vrijwel niet meer mogelijk voor bonafide bedrijven om te concurreren met bedrijven die werken met illegale werknemers. »

Van waar haalt de minister het idee dat de illegalen van vandaag niet vervangen zullen worden door illegalen van morgen ? In dit wetsontwerp zit geen enkel element dat asielzoekers zal afschrikken. Integendeel, voor velen onder hen is het niet zeker dat andere regularisaties niet die operatie op grote schaal zullen volgen. In Frankrijk, in Spanje en in Italië zijn grote regularisatieoperaties gevolgd door andere, telkens aangekondigd zoals die ervoor. Bovendien is het heel normaal dat andere regularisaties volgen, aangezien er vanzelfsprekend een discriminatie zal bestaan van hen die later gekomen zijn.

De omstandigheden die aan de grondslag liggen van het voorgelegde ontwerp, zullen zich in de toekomst opnieuw voordoen wanneer, op korte of middellange termijn, zowat tienduizend « sans papiers » opnieuw aanwezig zullen zijn. Men kan niet slechts eenmaal regulariseren zonder zich genoodzaakt te zien die operatie later over te doen. Dat opent de weg voor een politiek van open grenzen die altijd meer avonturiers en delinquenten aantrekt dan brave mensen. Dit is het tweede fundamenteel gebrek van het ontwerp. Diegene die illegaal is binnengekomen, wordt beloond. Diegene die een asielaanvraag heeft ingediend om redenen die niet gegrond zijn, maar van wie de fraude niet bewezen kan worden, wordt beloond.

Spreker wenst nog een ander bezwaar aan te halen dat het gehele ontwerp ondermijnt : Schengen.

In het advies van de Raad van State wordt slechts zeer terloops verwezen naar de Schengen-overeenkomst, wat lijkt te suggereren dat deze overeenkomst in casu irrelevant zou zijn. Niets is minder waar. Het voorliggende wetsontwerp is duidelijk in strijd met de bepalingen van Schengen-overeenkomst.

Het wetsontwerp betreft 4 verschillende categorieën vreemdelingen. Het is van toepassing op de aanvragen tot regularisatie die ingediend worden door vreemdelingen die reeds daadwerkelijk in België verbleven op 1 oktober 1999, en die op het ogenblik van de aanvraag,

­ hetzij de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling hebben aangevraagd zonder een uitvoerbare beslissing te hebben ontvangen binnen een termijn van vier jaar,

­ hetzij om redenen onafhankelijk van hun wil niet kunnen terugkeren naar het land of de landen waar ze voor hun aankomst in België gewoonlijk verbleven hebben, noch naar hun land van herkomst, noch naar het land waarvan zij de nationaliteit hebben,

­ hetzij ernstig ziek zijn,

­ hetzij humanitaire redenen kunnen laten gelden en duurzame sociale bindingen in het land hebben ontwikkeld.

Uit de voorgeschiedenis van het ontwerp, de memorie van toelichting en de eigenlijke tekst, meer bepaald de verschillende categorieën en het in aanmerking genomen mecanisme, blijkt duidelijk dat het ontwerp beoogt aan tienduizenden personen die illegaal de buitengrenzen van België hebben overschreden, of via een ander land illegaal zijn binnengedrongen, een verblijfsmachtiging van onbepaalde duur te verlenen. Aldus vermeldt het advies van de Raad van State uitdrukkelijk : « Het voorontwerp van wet strekt ertoe een uitgebreide regularisatieoperatie op te zetten om het verscheidene categorieën vreemdelingen mogelijk te maken een machtiging tot verblijf te verkrijgen die niet beperkt is in de tijd. »

Het gaat dus niet om vluchtelingen in de zin van de Conventie van Genève. Vluchtelingen zijn immers personen die hun land ontvluchten, wegens een gegronde vrees voor vervolging wegens ras, godsdienst of nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of politieke overtuiging. Het gaat daarentegen wel om personen die om economische redenen in Europa hun geluk komen zoeken (uitgeprocedeerde vluchtelingen die 5 jaar lang zijn ondergedoken, mensen die illegaal de grens zijn overgestoken omdat zij maar al te goed weten dat zij niet in aanmerking komen voor het statuut van vluchteling).

Zowel het toepassingsgebied ratione personae , als het mechanisme vervat in voorliggend wetsontwerp, maken het mogelijk dat illegalen op een systematische manier worden geregulariseerd. De Belgische overheid heeft nauwelijks enig beleid gevoerd terzake, is nalatig geweest en probeert deze situatie nu recht te zetten. Nochtans zou de Staat goed moeten beseffen dat hij niet alleen « statelijke » verplichtingen heeft tegenover zijn onderdanen, maar ook Europeesrechtelijke verplichtingen tegenover zijn Europese verdragspartners.

Spreker meent dat het voorliggende wetsontwerp in strijd is met de Uitvoeringsovereenkomst van Schengen van 19 juni 1990. Na de recente inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam is deze overeenkomst in principe Europees gemeenschapsrecht geworden, en aldus onderdeel van de Europese Unie. De Europese context, waarbij de strijd tegen illegale immigratie boven op de agenda staat, kan als volgt worden samengevat. Eerst maakten de verworvenheden van Schengen deel uit van twee internationale overeenkomsten, waarbij België internationaalrechtelijke verplichtingen had tegenover de andere verdragspartners. Na de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam werden die internationaalrechtelijke verplichtingen Europeesrechtelijke verplichtingen, waardoor de Europese instellingen bevoegd zijn om over deze verplichtingen te waken. De kern van de Schengen-overeenkomst is een vrij personenverkeer aan de binnengrenzen, met als corollarium een versterking van de buitengrenzen. Het is vanzelfsprekend dat zowel uit de letter als de geest van Schengen voortvloeit dat elke verdragspartij een beleid moet voeren ter versterkte bestrijding van illegale immigratie. Zo bepaalt artikel 17 van het Akkoord van 14 juni 1985 dat de verdragspartijen, waaronder België, aanvullende maatregelen ter bescherming van de veiligheid en tot vermindering van de illegale immigratie van niet-EEG-onderdanen moeten nemen. De Overeenkomst van 1990 legt de verdragspartij de verplichting op om het illegaal overschrijden van de buitengrenzen strafbaar te stellen (artikel 3, tweede lid). Voor België bestond deze strafbaarstelling weliswaar reeds in artikel 75 van de wet van 15 december 1980.

Het betreft hier dus een internationaalrechtelijke verplichting die is ingeschreven ter vrijwaring van de belangen van alle verdragsstaten. Dit betekent dat het niet aangaat dat België deze bepaling eenzijdig zou interpreteren, laat staan terzijde schuiven, naar eigen nationaal goeddunken. Ook het Verdrag van Maastricht beschouwde het immigratiebeleid en het beleid ten aanzien van derde landen als een aangelegenheid van maatschappelijk belang. Ook hier werd de problematiek van de strijd tegen de illegale immigratie dus aangesneden.

In het kader van de intergouvernementele samenwerking inzake Justitie en Binnenlandse Zaken vaardigde de Raad op 22 december 1995 aanbevelingen uit inzake de harmonisatie van middelen ter bestrijding van illegale immigratie en illegale arbeid en inzake de verbetering van het daartoe strekkende controlemiddel en betreffende overleg en samenwerking bij de tenuitvoerlegging van de verwijderingsmaatregel en op 26 december 1996 inzake de bestrijding van illegale tewerkstelling van onderdanen van derde landen. Ook de besluiten van de Raad van 16 december 1996 inzake het volgen van de tenuitvoerlegging van reeds door de Raad genomen akten betreffende illegale immigratie-overname, illegale arbeid van onderdanen van derde landen en samenwerking bij de tenuitvoerlegging van besluiten tot verwijdering, dienen te worden vermeld. Tenslotte werden op 26 mei 1997 besluiten genomen inzake de uitwisseling van informatie over hulp bij vrijwillige terugkeer van onderdanen uit derde landen.

Het voorliggende ontwerp geeft illegalen een verblijfsmachtiging van onbepaalde duur.

Deze gronden betreffen evenwel niet enkel omstandigheden die België alleen aanbelangen. Zo is het humanitaire aspect van het toelatingsbeleid niet enkel een zaak van nationale soevereine beleidsinterpretatie maar ook van de verplichting die de verdragspartijen internationaal en gezamenlijk op zich hebben genomen. Zowel de letter als de geest van het Schengen-systeem vereisen dat illegalen bij ontdekking onmiddellijk en onherroepeljk worden uitgezet. Artikel 23 van de overeenkomst stelt dat de vreemdelingen die niet of niet meer voldoen aan de op het grondgebied van een der overeenkomstsluitende partijen geldende voorwaarden inzake kort verblijf, in beginsel het grondgebied van de overeenkomstsluitende partij onverwijld dienen te verlaten. De eerste zin van het derde lid van hetzelfde artikel 23 luidt dat, indien het vrijwillige vertrek van de vreemdeling niet plaatsvindt of indien een vermoeden bestaat dat dit vertrek niet zal plaatsvinden, of indien het onmiddellijke vertrek van de vreemdeling om redenen van openbare orde of nationale veiligheid geboden is, de vreemdeling overeenkomstig de in de nationale wetgeving van die partij neergelegde voorwaarden dient te worden verwijderd van het grondgebied van de overeenkomstsluitende partij waar hij werd aangehouden.

In tegenstelling tot zijn internationaalrechtelijke en Europeesrechtelijke verplichtingen, die gebieden illegalen het land uit te zetten, zal de Belgische Staat hen massaal regulariseren.

Spreker toetst de in het ontwerp vermelde voorwaarden tot regularisatie aan de in artikel 5 van de Schengen-overeenkomst bepaalde uitzonderingsmogelijkheden.

Vooreerst moet worden onderstreept dat de Belgische Staat, strikt gezien, zich sowieso niet kan beroepen op de in de overeenkomst geboden uitzonderingsmogelijkheden, aangezien deze enkel een verblijf van korte duur (drie maanden) betreffen. Het regularisatieontwerp daarentegen verschaft een verblijf van onbepaalde duur.

Ook andere omstandigheden maken duidelijk dat de Belgische Staat de door hem goedgekeurde Europese regeling niet respecteert.

Zo betreft artikel 2, 1º, van het voorliggende ontwerp de personen die de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling hebben aangevraagd zonder een uitvoerbare beslissing te ontvangen binnen een termijn van vier jaar. Benevens het feit dat deze regel niet valt onder een van de drie limitatief opgesomde afwijkingen van de Schengen-overeenkomst, beroept de Belgische Staat zich, tegenover de andere verdragspartners, op zijn eigen nalatigheid om op een systematische en limitatieve manier verblijfstitels voor onbepaalde duur toe te kennen.

Een tweede categorie die volgens het voorliggende ontwerp in aanmerking komt voor regularisatie, zijn de personen die om redenen onafhankelijk van hun wil niet kunnen terugkeren naar hun land. Uit juridisch oogpunt is deze categorie overbodig. Deze personen zijn immers asielzoekers die aanspraak kunnen maken op de status van vluchteling, zoals bepaald in de Conventie van Genève.

Artikel 5, tweede lid, van de overeenkomst bepaalt dat de verplichting tot weigering van een vreemdeling die aan de binnenkomstvoorwaarden niet voldoet, niet geldt voor asielzoekers. Ofwel wordt de asielaanvraag gunstig beoordeeld en krijgt de betrokkene de status van vluchteling, ofwel wordt het dossier ongunstig beoordeeld en moet de betrokkene terugkeren.

Het nieuwe artikel 63, punt 2, van het EEG-verdrag bepaalt overigens dat de Raad inzake vluchtelingen en ontheemden minimumnormen vaststelt voor het verlenen van tijdelijke bescherming aan ontheemden uit derde landen, die niet naar hun land kunnen terugkeren. Artikel 63, punt 1, b tot d, bepaalt dat de Raad binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van het verdrag van Amsterdam de nodige maatregelen zal treffen voor onder andere het aanvaarden van onderdanen van derde landen als vluchteling en voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de status van vluchteling.

Een derde categorie betreft dan de personen die ernstig ziek zijn; dezen vallen wel onder de toepassing van de afwijkingsmogelijkheden van artikel 5 van de Schengen-overeenkomst (humanitaire redenen).

De vierde categorie is die van de vreemdelingen die humanitaire redenen kunnen laten gelden en duurzame sociale bindingen in het land hebben ontwikkeld. Dit is de cruciale bepaling van de doorsluisoperatie.

Vreemdelingen moeten bij het overschrijden van de buitengrenzen nochtans over de nodige documenten beschikken. Zo niet verplicht de Schengen-overeenkomst de desbetreffende verdragsstaat de persoon uit te zetten (artikel 23). Afwijkingen gelden alleen in een welbepaald geval. Verder worden de limitatief opgesomde afwijkingen niet op een nationaal-, maar wel op een Europeesrechtelijke manier gedefinieerd. In casu heeft echter een nationale regularisatiecommissie de bevoegdheid het begrip « humanitaire redenen » te interpreteren. Tevens is het begrip « duurzame sociale binding » een zeer vaag en elastisch begrip. Op deze wijze kan iedereen in aanmerking komen voor regularisatie. Tekenend in dit verband is de zogenaamde vereiste minimumduur van 5 à 6 jaar, zoals nu en dan bepaald in de memorie van toelichting, die in feite een rookgordijn is. In feite wordt het begrip louter naar goeddunken geïnterpreteerd door de regularisatiecommissie.

Het Verdrag van Amsterdam heeft vele van voornoemde bepalingen van het Schengen-verdrag geïncorporeerd in de regelgeving van de Europese Unie. Na de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam zal de Raad van ministers met deze omzettingsoperaties beginnen conform de procedurevoorschriften van de nieuwe EEG-artikelen. Praktisch gesproken zullen de honderden besluiten van het uitvoerend comité worden aangepast aan de communautaire context. Deze omzetting dient in beginsel binnen een periode van 5 jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam plaats te vinden. Tijdens die operatie wordt met ingang van de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam het « Schengen-acquis » direct van toepassing in de dertien lidstaten van de Europese Unie. Het pakket maatregelen die dienen te worden genomen, bevat onder andere maatregelen om het vrije verkeer van personen te bevorderen en de met deze aangelegenheid rechtstreeks verband houdende begeleidende maatregelen die betrekking hebben op controles aan de buitengrenzen, asiel en immigratie.

Men kan besluiten dat er duidelijk een Europese context bestaat waarbinnen de bestrijding van illegale immigratie als een topprioriteit wordt beschouwd en na het Verdrag van Amsterdam zelfs als een volwaardig Europeesrechtelijke materie. De Belgische Staat die het Verdrag van Amsterdam nochtans heeft geratificeerd, wijkt duidelijk van deze trend af. De Europese Unie heeft met de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam een rechtsgrond om deze internationale bepalingen om te zetten. Tijdens deze overgangsperiode zijn de bepalingen van de Schengen-overeenkomst echter direct van toepassing in de dertien lidstaten, dus ook in België. Illegale immigratie werd reeds een zaak van gemeenschappelijk belang genoemd door het Verdrag van Maastricht in 1991. Nadien werden tal van aanbevelingen en besluiten inzake een versterkte bestrijding van illegale immigratie genomen. Het Verdrag van Amsterdam verleent ook hier een rechtsgrond en deze strijd is meer dan ooit een prioriteit.

Tegen deze achtergrond onderstreept spreker dat de Belgische Staat in strijd met Schengen handelt, alsook in strijd met de geest van de Europese verdragen en tal van aanbevelingen en besluiten.

Het lid is niet in staat klacht in te dienen tegen deze schending van het Verdrag door België, aangezien hij persoonlijk niet als verdragsluitende partij kan worden beschouwd. Hij zal echter wel gebruik maken van zijn persoonlijk klachtrecht bij de Europese Commissie.

Gezien de incorporatie van Schengen in het recht van de Europese Unie rekent hij op de Commissie om een procedure tegen België in te stellen.

Toepassingsregels

Een lid stelt zich vragen bij de arbeidsvergunning. Het lijkt hem logisch dat mensen die na de regularisatieprocedure over een verblijfsvergunning van onbepaalde duur beschikken, ook een arbeidsvergunning van onbepaalde duur krijgen.

Een tweede opmerking betreft de memorie van toelichting bij het wetsontwerp (Stuk Kamer, nr. 0234-001, blz. 9), waarin wordt vermeld dat de secretarissen van de commissie de dossiers in vooronderzoek nemen. Als zij vaststellen dat er in een dossier stukken ontbreken die onontbeerlijk zijn voor het onderzoek, bezorgen zij onmiddellijk een negatief advies aan de minister voor beslissing. Spreker vraagt zich af waarom hier sprake is van onontbeerlijke « stukken », in het meervoud.

Een senator verklaart dat haar fractie wil dat de regularisatieoperatie een succes wordt. De kandidaten moeten beseffen dat hun hier een enige kans wordt geboden om hun situatie te regulariseren. Als men de operatie wil laten slagen, moeten in de wet evenwel eenvoudige criteria worden vastgesteld. De tekst dient te worden verduidelijkt.

Spreekster benadrukt dat het van de rechtspraak van de Commissie voor regularisatie zal afhangen hoeveel dossiers tot een goed einde worden gebracht. Zal deze rechtspraak blijk geven van een open geest ? Zal het überhaupt mogelijk zijn magistraten te vinden voor deze commissie, gezien hun geringe beschikbaarheid ? Bovendien zal de onduidelijke formulering van de tekst het werk van de magistraten bemoeilijken.

De derde vraag die moet worden gesteld, is of de minister het advies van de commissie zal volgen. Aangezien de commissie geen onafhankelijk noch een gerechtelijke orgaan is, bieden de teksten op dat vlak geen juridische waarborgen. Hoewel ze kenmerken heeft van een gerechtelijk orgaan, blijft ze een bestuurlijke commissie.

Vervolgens stelt spreekster zich vragen bij de bijzonder belangrijke rol die aan het secretariaat wordt toegewezen. Het secretariaat heeft een enorme macht op het vlak van de beoordeling van de bewijsstukken, wat betekent dat erop moet worden toegezien dat zijn samenstelling borg staat voor zijn onafhankelijkheid.

Een meer algemene opmerking betreft de rol van de gemeenten. Aangezien het sociaal verslag facultatief is, zullen op dat niveau onvermijdelijk ongelijke situaties ontstaan. De aanvragers zullen zich zeker afvragen waar ze hun dossiers het best kunnen indienen. In bepaalde gemeenten zullen ze zo goed mogelijk worden geholpen bij het invullen van de nodige documenten. De gemeentelijke ambtenaren spelen dus een essentiële rol.

Spreekster besluit dat de betrokkenen een unieke kans wordt geboden om hun situatie te regulariseren. Toch mag men niet uit het oog verliezen dat zij soms een beetje bang zijn om hun dossier in te dienen en dat zij hun regularisatieaanvraag dan beschouwen als een soort zwaard van Damocles.

Tenslotte wil spreekster enkele specifieke vragen stellen. Zij verwijst naar de opmerkingen van de Raad van State die gewezen heeft op het probleem van de naleving van het gelijkheidsbeginsel en van het non-discriminatiebeginsel in de tijd. De vraag rijst of personen die geregulariseerd worden, niet bevoordeeld zullen worden ten opzichte van andere personen die zich in een grijze zone bevinden wegens onduidelijk gedefinieerde criteria. Wat na deze « one shot »-operatie ?

Zij neemt eveneens de opmerking over van de Raad van State wat de maatschappelijke bijstand betreft. Het recht op maatschappelijke bijstand is een algemeen recht. Het zou jammer zijn dat er via regularisatie afbreuk wordt gedaan aan dat recht.

Een andere concrete vraag houdt verband met de gevolgen van de regularisatieaanvraag voor de bevelen om het grondgebied te verlaten. Wordt het bevel om het grondgebied te verlaten systematisch opgeschort door de indiening van een regularisatieaanvraag ? Zijn er uitzonderingen op deze regel ? Wat is het verband met de hangende asielaanvragen ? Hoe staat het met de verwijderingen ?

Wat gebeurt er met de zieken ? Quid indien zij opnieuw gezond worden ?

De samenvoeging van twee criteria, namelijk humanitaire redenen en het feit dat de betrokkene duurzame sociale bindingen in het land heeft ontwikkeld (artikel 2, 4º), lijkt haar evenzeer problematisch. De meeste aanvragers van een regularisatie zullen verwijzen naar dit criterium, waarvan de strekking onduidelijk is. Hoe is artikel 9, 9º, te interpreteren ? Gaat het om samen te voegen of om alternatieve criteria, om hoofdcriteria of bijkomende criteria ?

Tenslotte heeft spreekster vragen over het statuut van de verblijfstitel na de regularisatie. De verwijzing naar artikel 13 van de wet van 15 december 1980 doet hierover enige twijfel rijzen. Gaat het wel degelijk om een titel met onbeperkte duur ?

Communautaire dimensie

Een ander lid onderstreept dat het voorliggende ontwerp een belangrijke communautaire dimensie heeft. Men mag niet uit het oog verliezen dat de meeste asielzoekers naar Vlaanderen zijn gekanaliseerd. Er bestaat slechts één asielcentrum in Wallonië. Een recente studie (Het statuut van Brussel , Larcier, 1999, blz. 146) toont aan dat Vlaanderen 50 % van de asielbevolking ten laste heeft. Voor Brussel is dit 40 % terwijl Wallonië slechts 10 % voor zijn rekening neemt.

Het is dan ook logisch dat de tolerantiedempel in Vlaanderen is overschreden. Een recente opiniepeiling toont aan dat Vlaanderen minder enthousiast reageert op de komst van zigeuners en asielzoekers. In Vlaanderen steunen alle partijen (behalve Agalev) het uitwijzingsbeleid. De Waalse partijen lijken, met een ethische superioriteit, te praten over een vraagstuk waarmee zij in feite niet worden geconfronteerd. Het is fout, in de marge van de voorgeschiedenis van het ontwerp, uit te halen naar de Vlaamse partijen. Uitlatingen als zouden zij onder druk staan van het Vlaams Blok zijn ongepast. De Vlaamse partijen staan enkel onder druk van hun eigen kiezers.

De grootste toevloed van geregulariseerden mag opnieuw in Vlaanderen worden verwacht. Het evenwicht zal dus verstoord blijven. Als het ontwerp wordt aangenomen, moet dit communautaire probleem worden aangepakt. Welke maatregelen zal de minister nemen om de regio die het meeste kritiek levert op het uitwijzingsbeleid, het merendeel van de geregulariseerden te doen aanvaarden ? Spreker is van oordeel dat de verhoudingen die vandaag gelden, moeten worden omgekeerd. Zijn vragen zijn zeer concreet. Handhaaft de minister de uitspraak over de Vlaamse partijen dat zij vreemdelingenonvriendelijk zijn of nuanceert hij deze uitspraak na de aangehaalde studie ? Kan hij de verhoudingen aangetoond door deze studie wijzigen ?

Andere opmerkingen

Een lid vestigt de aandacht op het feit dat het succes van de regularisatiecampagne afhankelijk is van de duidelijkheid van de tekst. De verduidelijkingen van de minister in de Kamer van volksvertegenwoordigers lijken hem niet voldoende. Het is nochtans van het allergrootste belang dat de potentiële aanvragers van regularisatie duidelijk weten of zij enig risico lopen bij een eventuele aanvraag.

Vervolgens vraagt spreker of de minister enig idee heeft van het aantal personen die in aanmerking komen voor regularisatie. De personen die vandaag in clandestiniteit verblijven, leven vaak in mensonwaardige omstandigheden, zowel op het vlak van huisvesting als op het vlak van inkomen en gezondheidszorg. Het is belangrijk dat de criteria voor het toekennen van de regularisatie voldoende ruim zijn indien de operatie wil slagen. Men moet voorkomen dat de regularisatiecampagne uitmondt in een uitzettingsoperatie. De eventuele kandidaten moeten worden overtuigd om het risico van de aanvraag te nemen en elke twijfel moet worden weggewerkt.

Spreker heeft enkele concrete vragen in verband met de in artikel 2 van het voorliggende ontwerp gestelde criteria.

Artikel 2, 2º, betreft de personen die om redenen onafhankelijk van hun wil niet kunnen terugkeren naar hun land. Bestaat er een volledige en bijgewerkte lijst met een opsomming van landen waarnaar niet mag worden uitgewezen ? Spreker is van oordeel dat het momenteel even gevaarlijk is in bijvoorbeeld Tsjetsjenië als in Sierra Leone. Tevens moet dit criterium ook worden bepaald met inachtmening van het risico dat de persoon zelf loopt.

Artikel 2, 3º, betreft zieke personen. Sommige ziekten kan men in België onder controle houden terwijl er in bepaalde landen geen enkele behandeling voor bestaat, bijvoorbeeld AIDS. De minister verklaarde tijdens het Kamerdebat dat men rekening zou kunnen houden met de « situation sanitaire » in het betreffende land. Wat betekent dit juist ? Verder moet men zich ook de vraag stellen op welke basis de artsen die een advies moeten geven aan de regularisatiecommissie worden gerecruteerd.

De formulering van artikel 2, 4º, is weinig duidelijk.

Wat betreft de procedure, is het lid van oordeel dat aan het secretariaat een buitensporige bevoegdheid wordt toegewezen. Als de secretarissen vaststellen dat er in het dossier stukken ontbreken die onontbeerlijk zijn voor het onderzoek, bezorgen zij onmiddellijk een negatief advies aan de minister voor beslissing.

Vervolgens onderstreept spreker dat vele personen in de onmogelijkheid zijn het door de wet vereiste bewijs te leveren van hun verblijf in België. Dit is het geval voor vele Polen, zoals blijkt uit een brief van de Raad van de Poolse Gemeenschap van België. Zou de minister bij wijze van uitzondering ander bewijsmateriaal kunnen aanvaarden ?

Een laatste vraag betreft het statuut van de geregulariseerde personen. Kunnen zij definitief op het Belgische grondgebied verblijven ?

Een lid herinnert eraan dat zijn fractie het wetsontwerp principieel goedkeurt en de tenuitvoerlegging van deze wet niet in de weg wil staan. Naar zijn oordeel moet de Senaat er niettemin een bespreking aan wijden omdat de bespreking in de Kamer weliswaar een aantal punten tot klaarheid heeft gebracht doch niet alle onduidelijkheden, twijfelgevallen, moeilijkheden, enz. heeft opgelost. Sedert de ontwerptekst gepubliceerd is, komt daar nog bij dat het lid zeer vaak aangesproken wordt door een hele reeks personen die nog zeer veel onduidelijkheden menen te ontwaren in de ontwerptekst. Om aan deze operatie slaagkansen te bieden, behoort men de grootst mogelijke duidelijkheid te betrachten.

Belangrijk is volgens spreker dat de grote meerderheid van illegalen in België ook werkelijk een regularisatiedossier kunnen indienen. Daartoe moeten er zowel objectieve en transparante criteria als procedures komen. Zo mogelijk behoren er ruime criteria te gelden opdat het maximumaantal personen hun regularisatiedossier kunnen indienen en behoren er ook duidelijke criteria te gelden.

Het mag immers niet zo zijn dat wat thans wordt voorgesteld als een ruime regularisatieoperatie gevolgd door een aantal verwijderingen, uiteindelijk neerkomt op een kleinschalige regularisatieoperatie gevolgd door een ruime verwijderingsoperatie.

Het lid spreekt de hoop uit dat de regering niet daarnaar streeft. Daarom heeft zijn fractie voorgesteld deze zaak in de Senaat te behandelen en de ontwerptekst op enkele punten te amenderen.

Het lid neemt de bespreking op over enkele punten die om extra toelichting vragen.

Eerst zijn er de criteria. Een van de criteria bepaalt dat men niemand kan terugzenden naar een bepaald land wegens omstandigheden waarop hij geen vat heeft. Naar het schijnt bestaat er thans een voorlopige lijst van als gevaarlijk te beschouwen landen. Op die lijst zouden staan Sierra Leone, Afghanistan en Angola. Het zou interessant zijn te vernemen of die lijst nog aan te vullen is en op basis waarvan hij is opgesteld. Hoe komt het voorts dat zulke gevaarlijke landen als Tsjetsjenië (?) bijvoorbeeld niet op die lijst voorkomen ?

Voorts lijkt het ook interessant enige toelichting te krijgen over een mogelijke inaanmerkingneming van persoonlijke risico's die mensen in andere landen kunnen lopen. Over welk soort risico's gaat het ?

Wat betreft personen die niet voor verwijdering in aanmerking komen om gezondheidsredenen, zou er ook extra toelichting moeten komen omdat dit criterium al evenzeer aanleiding kan geven tot discussie en interpretatie.

Men zou toch moeten aanvaarden dat in bijzondere omstandigheden (iemand die seropositief is of aan aids lijdt) bepaalde documenten waarin het wetsontwerp thans niet voorziet, niettemin onderzocht kunnen worden. Het wil het lid voorkomen dat de minister zich, per geval en naar gelang van de bijzondere omstandigheden, een ruimere beoordelingsmarge moet kunnen toemeten. Uit de aard van de zaak zelf kunnen illegalen thans in het merendeel van de gevallen maar heel weinig documenten voorleggen omtrent de duur van hun verblijf. Het zou niet meer dan redelijk zijn dat men ten minste de mogelijkheid onder ogen neemt een aantal van die documenten te onderzoeken ofschoon die bij de huidige stand van het ontwerp niet als een volwaardig bewijsstuk kunnen gelden.

Wat betreft de status van de geregulariseerden, wijst de bespreking in de Kamer uit dat die personen als gevolg van hun regularisatieaanvraag geen aanspraak kunnen maken op maatschappelijke hulp. Dat is moeilijk te begrijpen omdat zij op dat ogenblik in feite in België bekend zijn. Er kan dus geen sprake meer zijn van een volstrekte illegaliteit. Het lijkt belangrijk dat ze sociale steun kunnen krijgen. Het gaat om een van de belangrijke sleutels tot het succes van deze operatie. Men moet aan de betrokkenen duidelijk kunnen maken dat zij er alle belang bij hebben uit de illegaliteit te treden.

Wat betreft de manier waarop de verwijdering plaatsheeft, vraagt het lid om uitleg over het bevel om het grondgebied te verlaten dat aan de aids-patiënt gegeven zal worden.

Kan die persoon worden verwijderd of voldoet die aan de criteria van artikel 2, 3º ? Het is immers zo dat die personen een veel hogere levensverwachting hebben in ons land dan in het land waarnaar zij verwijderd kunnen worden. Dat geldt evenzeer voor een reeks andere chronische ziekten, kanker en hartkwalen.

In de Kamer heeft de minister ook verklaard dat de toestand van de gezondheidszorg in de landen waarnaar de persoon wordt teruggewezen, in aanmerking komt bij het inschatten van het risico. Kan de minister zijn verklaring nader toelichten ?

Hoe wil men de artsen werven die van advies moeten dienen in de Commissie voor regularisatie ? Op welke basis ? Rekening houdend met welke onderlegdheid ?

Wat de procedure betreft is het belangrijk er nogmaals op te wijzen dat de fractie van spreker ervan uitgaat dat het secretariaat van de Commissie voor regularisatie een uiterst uitgebreide en zelfs buitensporige bevoegdheid bezit. Dat geldt bijvoorbeeld in het geval waarin een dossier niet volledig is en onmiddellijk aan de minister kan worden overgezonden met een negatief advies. Die bevoegdheid lijkt in te gaan tegen het hier gehanteerde grondbeginsel, te weten de onafhankelijkheid van de Commissie.

Wat het bewijs betreft, de bewijsstukken die de aanvragers van de regularisatie moeten indienen, dit wil zeggen officiële en andere documenten, kan men moeilijk aanvaarden dat ze met alle wettelijke middelen aangebracht kunnen worden. De kans bestaat dat die personen van regularisatie worden uitgesloten.

Binnen welke termijn zullen zij het bevel krijgen om het grondgebied te verlaten ? Wat zal er op dat moment exact gebeuren ? Overweegt de minister een verwijderingscampagne ? Zal hij systematisch onderzoek laten verrichten naar personen die geen regularisatiedossier hebben ingediend ? Er zullen wellicht tienduizenden personen zijn die zich in deze toestand bevinden en wier aanvraag afgewezen wordt. Is er een tijdsschema opgesteld voor de verwijderingscampagne ?

Het lid wijst erop dat de idee van een eenmalige regularisatieoperatie in verschillende Europese landen niet haalbaar is gebleken. In veel van die landen is men moeten overgaan tot nieuwe regularisatiecampagnes. Zou men niet beter van bij het begin voorzien in een permanente regeling of op z'n minst in een bepaling die bij een latere regularisatiecampagne opnieuw toegepast kan worden ?

Is het waar dat sommige gemeenten van de kandidaten een document eisen waarin die kandidaten verklaren zich niet te zullen verzetten tegen uitzetting ingeval hun regularisatieverzoek wordt afgewezen ?

Bij de aanvang van deze regularisatiecampagne heeft de minister verklaard dat deze wet eerst na nieuwjaar in het Belgisch Staatsblad zal verschijnen. Het lid verheugt zich daarover.

Wat zijn volgens de minister de oorzaken van de migratiestromen ? Welke concrete verbintenissen heeft de regering hieromtrent aangegaan ? Er is daarover veel gezegd in het Parlement. De regering heeft mooie verklaringen afgelegd over de hulp die absoluut gegeven moest worden aan de Slowaakse regering om een oplossing te zoeken voor de sociaal-economische problemen van de zigeuners en het racisme en de vreemdelingenhaat waarvan die zigeuners het slachtoffer zijn. Voor zover spreker weet, is er echter geen enkele specifieke maatregel genomen om bijvoorbeeld de zigeuners te helpen die naar Slowakije zijn teruggestuurd.

Welke acties zijn er geweest, welke voorstellen zijn er gedaan en welke kredieten zijn er uitgetrokken ? Het lid meent dat de verklaringen en vrome wensen die hij heeft gehoord over de oorzaken van de migratie nu in concrete acties vertaald moeten worden.

Een ander lid komt terug op zijn vraag over de arbeidsvergunningen. Aangezien het om personen gaat die een definitieve verblijfsvergunning zullen krijgen, moet er volgens dit lid overleg gepleegd worden met de minister van Tewerkstelling om aan die personen ook een arbeidsvergunning type A voor onbepaalde tijd te geven zodat ze zonder problemen kunnen werken. Overigens moeten de gewestministers van de beslissing op de hoogte gebracht worden.

Voor de ernstig zieke personen moet een medisch attest worden overhandigd. Spreker vraagt of een arts van een medisch centrum of een particuliere arts dat attest mag afgeven. Op welke manier moet dat attest worden afgegeven ?

Hoe kan men het medisch beroepsgeheim beschermen ? Komt er controle achteraf ? Hoe wil men de artsen aanwijzen die ermee belast worden ?

Er zijn ook zwaar gehandicapte illegalen. Kunnen ook zij een verblijfsvergunning krijgen ?

Een andere categorie van illegalen zijn studenten die hier vaak langer dan vijf jaar verblijven.

Wat nu de bewijsstukken betreft, wil de minister rekening houden met bankuittreksels ? In vele gevallen pogen illegalen die in België werken, hun familie financieel te helpen door hen geld te sturen via de banken.

De ontwerptekst spreekt niet van een rappel inzake oproeping. Het lid wenst dat die er komt omdat de oproeping bij gewone brief verstuurd wordt. Het gaat hier toch om een procedure die bepalend is voor het verdere leven van een mens

De huidige illegalen aarzelen om hun werkelijke verblijfplaats op te geven. Waarom past men hier niet dezelfde werkwijze toe als voor de daklozen, die een verblijfplaats krijgen bij de OCMW's, de advocaten of vzw's. Zodoende biedt men meer morele zekerheid aan de betrokkenen opdat zij zonder achterdocht hun regularisatie-aanvraag kunnen indienen.

Het lid stelt vast dat het sociaal verslag niet nodig is. Hij spreekt zijn tevredenheid uit over die mogelijkheid. Wenselijk is het niettemin volgens hem dat de burgemeesters weten dat dit verslag niet hoeft.

Het lid spreekt dan over de mogelijkheid dat de rijkswacht helpt bij de regularisatieprocedure, meer bepaald met bewijsstukken. De rijkswacht kent die mogelijkheid niet. Spreker wenst dat de minister de rijkswacht daarvan officieel op de hoogte brengt.

Hij spreekt ten slotte de wens uit dat de regularisatie, die slechts een verblijfsmaatregel is, automatisch recht geeft op een arbeidskaart.

Een volgend commissielid wenst het te hebben over de vier categorieën die in artikel 2 worden opgesomd. Na lectuur van de werkzaamheden in de Kamer blijft over de precieze voorwaarden nog een grote onduidelijkheid hangen.

Spreekster stoort zich vooral aan de vaagheid van de criteria. In de Kamer sprak de minister eerst over vier categorieën die in aanmerking komen voor regularisatie. Daarna had de minister het over criteria. Daarbij verwijst hij opnieuw naar artikel 2. De vraag rijst dan ook of het in artikel 2 gaat over categorieën van aanvragers dan wel over criteria. Het lid meent immers dat die twee zaken totaal verschillend zijn. Aangezien de ministers het onderscheid niet maakt, zal dit ongetwijfeld leiden tot vaagheid met alle interpretatiemoeilijkheden vandien.

Deze interpretatiemoeilijkheden zullen tot gerechtelijke procedures leiden waarbij het helemaal niet zeker is wat het standpunt van de rechtbanken zal zijn. Indien zij bijvoorbeeld oordelen dat er sprake is van discriminatie inzake voorwaarden, zal de wet zijn tijdelijk karakter verliezen en kunnen zij aangeven dat na het verstrijken van de oorspronkelijke termijn van één jaar, er illegalen zijn die nog recht hebben op regularisatie. Bijgevolg is het noodzakelijk dat die criteria duidelijk zijn.

Men moet er ook over oordelen of een verblijf relevant is. Betekent dit automatisch dat indien een verblijf niet relevant is, de betrokkene niet voor regularisatie in aanmerking komt ? Om te oordelen of het verblijf relevant is, moet men rekening houden met het criterium bedoeld in artikel 2, 4º, namelijk de humanitaire redenen en de duurzame sociale bindingen. Is het relevant verblijf een criterium voor de minister ? Zijn deze voorwaarden overigens cumulatief of gelden ze ook apart ?

Naast het ontbreken van documenten en bedrog wordt er in het wetsontwerp en in de verklaringen van de minister gesteld dat de minister de regularisatie kan weigeren op grond van verstoring van de openbare orde en andere veiligheidsoverwegingen. Het lid neemt aan dat hiertoe ook de algemene volksgezondheid behoort. Nochtans is dit in conflict met de derde categorie die voor regularisatie in aanmerking komt, namelijk zij die ernstig ziek zijn. De minister weigert dit criterium beter te omschrijven uit vrees ongewild bepaalde categorieën uit te sluiten.

Heeft de minister in dit verband contact opgenomen met zijn collega bevoegd voor Volksgezondheid ? Professor P. Vandenbrande, immunoloog verbonden aan het ziekenhuis van Duffel en het universitair ziekenhuis te Leuven, heeft in een werk de gevaren van TBC uiteengezet. Dit gevaar is zeer groot voor kinderen en bejaarden. In zijn werk is een volledig hoofdstuk gewijd aan de instroom van vreemdelingen. Volgens hem is de dreiging van een TBC-epidemie reëel.

Volgens spreekster poogt het ontwerp de publieke opinie te bespelen onder het mom dat het de bedoeling is om onder andere iets te doen aan schrijnende toestanden van mensen die door hun langdurig verblijf hier reeds geïntegreerd zijn. Eén van die criteria zou kunnen zijn, met name vooral voor de eerste en de vierde categorie van aanvragers, de wil tot integratie. De wil tot integratie zou bijvoorbeeld kunnen worden aangetoond door de bereidheid de taal te spreken van de streek waar men verblijft. Het lid is van oordeel dat dit aspect wezenlijk deel uitmaakt van de integratie. Dit criterium wordt echter nergens vermeld.

Daarnaast wordt nergens vermeld welke criteria er zijn waarop men zich zou kunnen baseren om de regularisatie niet toe te kennen. Dat zou bijvoorbeeld kunnen zijn, illegalen die een misdrijf hebben begaan waarop een correctionele straf van vijf jaar staat of een drugsmisdrijf. Deze categorieën dienen volgens het lid het recht op een regularisatieaanvraag te worden ontnomen. Dit zou er toe kunnen bijdragen de administratieve overlast voor de gemeenten te beperken. Het aantal aanvragen waarmee zij geconfronteerd zullen worden, mag immers niet onderschat worden. In Italië werden voor een soortgelijke operatie 70 000 aanvragen verwacht en het zijn er uiteindelijk 200 000 geworden.

Een laatste punt dat deze spreekster in het ontwerp mist, is de bevoegdheid voor de minister om de regularisatie achteraf te kunnen ontnemen, bijvoorbeeld wanneer de geregulariseerde illegaal handelingen verricht die indruisen tegen de openbare orde of de veiligheid. Is dit op enig moment in overweging genomen ?

Een ander lid is eveneens van oordeel dat na de bespreking in de Kamer een aantal principiële vragen onbeantwoord blijven. Spreekster meent dat indien dit ontwerp ongewijzigd wordt aangenomen, er op juridisch vlak grote problemen dreigen. De regering, net als bij de poging om alles bij koninklijk besluit te regelen, neemt op dit vlak opnieuw een groot risico.

De regering heeft laten weten dat zij vertrekt vanuit drie fundamentele pijlers voor het zogenaamd vernieuwend en omvattend asielbeleid :

1º een nieuwe asielprocedure;

2º een uitwijzingsbeleid;

3º een regularisatiecampagne.

Volgens de fractie van het commissielid wordt evenwel veel te weinig nagedacht over de echte oorzaken van de migratie. Het is natuurlijk zo dat België slechts een klein land is in het hele mondiale gebeuren, doch het behoort wel tot de rijkste landen. De grote migratiestromen worden veroorzaakt door de toenemende verschillen inzake kansen en toekomstmogelijkheden, niet alleen tussen Noord en Zuid maar eveneens tussen Oost en West op ons eigen continent.

Het lijkt er soms op dat de globalisering van de wereld eerder een hopeloze zaak wordt in plaats van een kans op vooruitgang. Er is echter geen alternatief : we kunnen alleen werken aan een gezamenlijke vooruitgang en ontwikkeling. Daarom is het spijtig dat de regering nog geen globale visie naar voren heeft gebracht over de weliswaar kleine stappen die ons land kan zetten. Waarom wordt er bijvoorbeeld niet voortgewerkt aan het migratierapport ? De fractie van dit commissielid heeft inmiddels wel twee resoluties ingediend in de commissie Buitenlandse Zaken, een over de globale schuldkwijtschelding en een over het optrekken van het budget voor Ontwikkelingssamenwerking.

Dezelfde fractie ziet de zin van de chronologie van de manier waarop de regering nu tewerkgaat, niet in. Men vertrekt eerst met een ontwerp over de regularisatie terwijl het veel logischer zou zijn met de vereenvoudiging van de asielprocedure te beginnen. Dit zou eveneens het voordeel bieden een aantal juridische discriminaties te voorkomen waar de Raad van State uitgebreid op heeft gewezen.

De regering stelt dat de nieuwe asielprocedure vóór eind 2000 in werking zou moeten treden. Was het dan inderdaad niet beter om de regularisatieprocedure pas dan uit te werken en in een wet te gieten ? Nu riskeert men een regularisatieprocedure aan te nemen die (voor categorie 1 althans) gekoppeld is aan de termijnen van de asielprocedure zonder zeker te zijn dat die asielprocedure op korte termijn zal versnellen. Hierdoor dreigt er ongelijkheid voor mensen die na de regularisatiecampagne geregulariseerd willen worden omdat ook hun asielaanvraag niet binnen een termijn van 3 of 4 jaar is afgehandeld. Men loopt dus het risico op grove ongelijkheden.

De minister heeft reeds herhaald dat de preventiepolitiek eigenlijk het belangrijkste is, het voorkomen van achterstand en onzekerheid zodanig dat mensen die geen recht op verblijf hebben, onmiddellijk weten waar zij aan toe zijn. Als dat de grootste politieke uitdaging is, had daar eerst aan gewerkt moeten worden.

Het ontwerp is juridisch een bijzonder wankel werkstuk. De Raad van State wijst in zijn advies op een hele hoop ongelijkheden die niet gewoon door een doelmatig beleid kunnen worden verantwoord aangezien dat nieuwe beleid er nog niet is.

De vraag rijst dan ook :

­ wat met mensen die in juist dezelfde omstandigheden beoordeeld zijn geweest en wel het grondgebied hebben verlaten terwijl anderen ­ hoewel afgewezen ­ dat niet hebben gedaan ?

­ wat met de tijdsafbakening vanaf een bepaald moment ? Dit heeft niets te maken met een objectieve persoonlijke beoordeling. Men zou gewoon voor alle personen op eenzelfde manier een tijdsperiode in aanmerking moeten nemen.

Daarnaast geeft de regering ook de indruk dat het hier gaat om een eenmalige procedure die alles zal oplossen. Dit is duidelijk niet het geval want de klassieke technische procedure blijft nog lopen naast en na deze eenmalige campagne.

Het is helemaal niet duidelijk welke overeenstemming tussen beide procedures zal bestaan en hoe ongelijkheden zullen worden weggewerkt. Ondanks de zware kritiek van de Raad van State, die zelfs wijst op de mogelijke vernietiging, heeft de regering willen vasthouden aan de zogenaamde tijdelijkheid. Het willen rechtzetten van een scheefgelopen toestand is nochtans geen doorslaggevend argument om de ongelijkheid die in het leven wordt geroepen, te verantwoorden. Bovendien betwijfelt het lid dat tegen eind 2000 die nieuwe asielprocedure in werking zal treden. Men zal dan opnieuw met een achterstand en ongelijkheden worden geconfronteerd omdat mensen opnieuw in dezelfde betreurenswaardige toestand verzeild geraakt zullen zijn.

Het commissielid kondigt fundamentele amendementen aan (nrs. 62 tot 65) om ten minste te voorkomen dat deze methode van werken op een juridische vernietiging zou uitlopen, en opdat uit de parlementaire werkzaamheden blijkt dat er wel een correcte manier van handelen is voorgesteld.

Een lid herinnert eraan dat hij een verwijzing gevraagd heeft naar de Commissie voor de bescherming van persoonlijke levenssfeer. Hij verwijst hiervoor naar de toelichting van de minister bij het wetsontwerp waar deze bij de artikelsgewijze toelichting bij artikel 8 stelt dat « de gegevens uit dit verslag slechts gebruikt worden met het doel... », en dan geeft men het doel op. Vervolgens verwijst de minister naar alle zaken die in de wet op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer staan. Zo zullen er geen persoonsgegevens worden opgevraagd die betrekking hebben op de etnische afkomst, de politieke, filosofische of religieuze overtuiging of activiteit.

De tweede regularisatiegrond zegt zeer duidelijk dat de politieke activiteit in het land van herkomst wel degelijk bepalend kan zijn. Iemand kan niet terug naar zijn land van herkomst bijvoorbeeld omdat hij een politiek vluchteling is. Dus in het verslag dat over zijn persoon zal worden opgesteld, moet wel degelijk een verwijzing worden opgenomen naar zijn politieke ideeën. Dit is onvermijdelijk aangezien het inherent is aan de grondslag voor de aanvraag. Het is in dit verband dat het lid de opinie van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer wenst te horen. Kunnen deze verslagen bijvoorbeeld achteraf worden ingezien door de Dienst Vreemdelingenzaken of de Staatsveiligheid ?

Persoonlijk is spreker van oordeel dat de tweede regularisatiegrond in strijd is met artikel 6 van de wet op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Hij wenst terzake de mening van de minister te horen.

Antwoorden van de minister

De minister heeft tijdens de bespreking in deze commissie geen echt nieuwe of verrassende ideeën gehoord.

Er zijn hier een aantal standpunten herhaald, wat trouwens geen verbazing kan wekken. Enerzijds zijn er degenen die radicaal tegen deze regularisatie zijn en tot het laatste moment alle middelen inzetten om te verhinderen wat onontkoombaar geworden is. Anderzijds zijn er degenen die betreuren in het verleden niet gedaan te hebben wat ongetwijfeld noodzakelijk was en die thans niets anders kunnen doen dan deelaspecten van de regeling betwisten.

Er is ook een groot aantal parlementsleden die rechtszekerheid willen. Die stellen vooral vragen over de manier waarop de Commissie voor regularisatie zal werken en eisen daarbij maximale waarborgen. Veel van die vragen zijn al gesteld in de Kamer en een antwoord daarop is dan ook te vinden in het Kamerverslag.

Vervolgens zijn er ­ maar dat zijn marginale gevallen ­ degenen die niet van een regularisatie willen weten of, indien dat toch moet gebeuren, eisen dat er veel strengere voorwaarden aan gekoppeld worden. En ten slotte zijn er degenen die hopen dat ze uit de antwoorden van de minister tijdens de parlementaire behandeling kunnen afleiden dat een enigszins ruimere interpretatie toch mogelijk is.

De minister concludeert dat die twee tegengestelde standpunten bewijzen dat de gekozen oplossing, al geeft hij onmiddellijk toe dat ze niet perfect is, toch evenwichtig is. De regering heeft een regularisatie-operatie gewild op basis van ruime criteria waardoor rekening kan worden gehouden met een groot aantal verschillende situaties, maar de criteria zijn wel zeer strikt. Niet iedereen zal immers in aanmerking komen voor deze regularisatieoperatie. Een aantal verzoeken zullen worden afgewezen, wat aan het einde van de procedure onvermijdelijk zal leiden tot verwijderingsmaatregelen.

Volgens de minister gaat het om een strenge procedure. De Staat kent een gunst toe omdat er gesaneerd moet worden. Toch zijn de criteria zo gekozen dat er een aantal voorzorgen zijn ingebouwd.

Artikel 8 is gewijzigd om tegemoet te komen aan de opmerkingen van de Raad van State. Het sociaal verslag dat de burgemeester overzendt aan de Commissie voor regularisatie, zal dus geen persoonsgegevens bevatten betreffende de raciale of etnische oorsprong, de seksualiteit, de politieke, filosofische of religieuze opvattingen of activiteiten van de betrokkene, noch over zijn lidmaatschap van vakbonden of ziekenfondsen. De Commissie voor regularisatie zal dus met geen van die gegevens rekening houden bij het uitbrengen van haar advies, tenzij op verzoek of met instemming van degene die de aanvraag doet. Er zijn namelijk gevallen waarin de politieke toestand in een land van herkomst regularisatie rechtvaardigt en de verzoeker zal dan zelf die redenen aanvoeren, zoals dat ook gebeurt bij een asielprocedure. De wetgeving op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer wordt op die manier nageleefd.

De informatie die aldus verzameld wordt, zal enkel ten behoeve van de regularisatie worden gebruikt en niet worden overgezonden naar bijvoorbeeld de Dienst Vreemdelingenzaken. Het is verboden persoonlijke gegevens te gebruiken buiten hun context. Het ontwerp bevat alle beschermingsmaatregelen die daarvoor nodig zijn. Artikel 9 bepaalt bijvoorbeeld dat het medisch attest aan de Commissie moet worden overgezonden in een gesloten enveloppe om de vertrouwelijkheid te garanderen. De medische gegevens kunnen alleen worden onderzocht door de beoefenaars van de geneeskunde die de Commissie moeten bijstaan in de gevallen bedoeld in artikel 2, 3º. Dat bewijst duidelijk dat het ontwerp wel degelijk rekening houdt met de voorschriften ter bescherming van de privacy.

Verdeling van het miljard dat is uitgetrokken op de begroting

Het gaat om een provisioneel bedrag aangezien men nu nog niet weet hoeveel aanvragers er zullen zijn en bijgevolg wat de procedure zal kosten. Dat miljard is bestemd niet alleen om de kosten van de regularisatie-operatie te dekken maar ook om de kosten te betalen die verbonden zijn aan het inlopen van de achterstand bij de instanties die zich over asielverzoeken moeten uitspreken. Eventueel zal het saldo gebruikt kunnen worden als aanvulling van de kredieten die de verwijdering van vreemdelingen moeten financieren. Dat krediet zal vanaf 1 januari 2000 worden vrijgegeven.

Indien de Senaat het ontwerp snel goedkeurt, kan het in het Belgisch Staatsblad verschijnen rond 5 januari 2000. Op 3 december heeft de Ministerraad reeds een akkoord bereikt over de plaats van het gebouw waar de nodige diensten onderdak moeten krijgen. Voor het personeel worden er dan wervingsprocedures ingezet. Naast de 200 personen die de achterstand moeten inlopen, komen er 100 personeelsleden, van wie 34 van de Dienst Vreemdelingenzaken, en 65 op een andere wijze objectief geselecteerd. Het kantoormeubilair zal op tijd ter plaatse zijn. Voor de computers moet men iets langer wachten omdat men de bepalingen van de Europese regelgeving op de overheidsopdrachten moet nakomen. Alles zal hoe dan ook op 15 januari 2000 gereed zijn, dus op het tijdstip waarop de eerste dossiers binnenkomen.

Naargelang de aanvragen ingediend worden, zal men ook de nodige middelen inzetten om die zo spoedig mogelijk te kunnen onderzoeken. Thans bestaat er geen enkel wetenschappelijk of technisch middel om in te schatten hoeveel aanvragers er zullen zijn. Wel kan men extrapolaties uitvoeren. Men zou kunnen uitgaan van een recent rapport van de Franse Senaat maar het blijft hoe dan ook afwachten. In de loop van de maand januari 2000 wordt het wel duidelijk hoeveel aanvragen er binnenkomen.

Sociaal verslag

Volgens artikel 8 kan de burgemeester een sociaal verslag overzenden dat alle nuttige informatie over deze aanvraag bevat waarvan hij kennis heeft. Hij kan om bijkomende informatie vragen. Dat hoeft hij niet noodzakelijk te doen wanneer hij vaststelt dat het dossier volledig is of wanneer de aanvrager bij hem geen enkele aanvraag indient. Hier geldt dus een tweevoudig aspect : enerzijds moet hij de aanvrager helpen alle bewijsstukken bijeen te brengen die nuttig zijn voor het onderzoek van de aanvraag en anderzijds moet hij de commissie alle mogelijk negatieve informatie overzenden waarvan hij zelf als burgemeester op de hoogte is en die voor de commissie nuttig kan zijn bij haar beoordeling. Dat betekent geenszins dat hij stelselmatig initiatief aan de dag moet leggen om de zaken te bemoeilijken. Hij hoeft niet stelselmatig een politieonderzoek te laten uitvoeren. Duidelijk is dat hij zich bij die opdracht kan laten helpen door de OCMW-diensten.

Aangezien men rekent op de medewerking van de gemeenten voor het welslagen van de regularisatieoperatie, behoort er ook overleg te komen tussen de federale Staat, de gewesten en de gemeenschappen. Hij heeft de eerste minister gevraagd die kwestie op de agenda te plaatsen van het Overlegcomité. Ook zijn er reeds contacten geweest met de Unie van steden en gemeenten om een eventuele tegemoetkoming te bespreken die de Staat in het kader van deze operatie kan verlenen.

Sociaal onderzoek voor personen die bij een ander OCMW zijn ingeschreven dan bij dat van hun verblijfplaats.

Dat aspect zou een aantal moeilijkheden kunnen meebrengen. Te Luik bijvoorbeeld dreigen er een aanzienlijk aantal aanvragen binnen te komen. De goede wil waarvan de burgemeesters, de gemeentebesturen en de OCMW's blijk hebben gegeven, stellen de minister evenwel gerust over het welslagen van de operatie. Omdat er tijd is verloren gegaan door het mislukken van de procedure bij koninklijk besluit, hebben zij hun voorzorgen genomen zodat ze de moeilijkheden thans aankunnen.

Aanwijzing van de Commissieleden

Een koninklijk besluit genomen na overleg in de Ministerraad zal de manier bepalen waarop de leden van de Commissie voor regularisatie worden aangewezen. De rekrutering zal op objectieve wijze gebeuren. Er worden voorzorgen genomen die momenteel zelfs niet gelden voor de rekrutering van magistraten, die door de minister van Justitie alleen worden aangewezen. Voor de commissieleden zal er worden overlegd door de Ministerraad.

De kamers van de commissie zijn samengesteld uit magistraten, advocaten die op dubbele lijsten worden voorgedragen door de Nationale orde van advocaten en vertegenwoordigers van niet-gouvernementele organisaties die actief zijn op het vlak van de mensenrechten.

Ook het secretariaatspersoneel wordt aangeworven met de grootst mogelijke objectiviteit.

Lijst van niet-veilige landen

De lijst van landen die een ernstig risico inhouden voor de betrokken persoon is opgesteld door de Dienst Vreemdelingenzaken, het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen, het ministerie van Buitenlandse Zaken en het kabinet van de minister. De lijst kan worden aangepast. Bij het opstellen ervan wordt, om de gevolgen van een beroepsprocedure te voorkomen, ook gekeken naar wat onze buurlanden doen. De lijst is niet bindend voor de commissie. Zij is bedoeld als referentiepunt. Tot nu toe werd zij gebruikt voor de INADS.

Bevel om het grondgebied te verlaten

Zelfs wanneer men een bevel heeft gekregen om het grondgebied te verlaten, kan men geregulariseerd worden. Het bevel wordt door de aanvraag niet opgeschort. De juridische situatie van de aanvrager verandert dus niet. Het bevel om het grondgebied te verlaten wordt echter niet ten uitvoer gelegd. Er zijn wel twee gevallen waarin het bevel wordt uitgevoerd : wanneer de aanvraag duidelijk ongegrond is, of wanneer de betrokken persoon een gevaar betekent voor de openbare orde of de staatsveiligheid. Zo zullen ook personen worden vrijgelaten die zich in een gesloten centrum bevinden en in aanmerking komen voor regularisatie, aangezien het handhaven van de hechtenis enkel is toegelaten in het kader van de uitvoering van de verwijderingsmaatregel.

Gezinnen

Wanneer een aantal leden van een gezin het bevel krijgen om het grondgebied te verlaten, is er geen enkel probleem als het gaat om kinderen met de Belgische nationaliteit. Voor de anderen had een verklaring moeten worden opgesteld op basis van artikel 8 van het EVRM.

Rol van de gemeenten

De gemeenten hoeven zich niet te mengen in de procedure en ze vervullen geen onderzoekstaak. Zij dienen als een soort brievenbus en moeten alle nodige elementen bij elkaar brengen om het dossier te vervolledigen.

Schengen

De genoemde bepaling is niet van toepassing op de machtigingen tot verblijf van lange duur aangezien de Schengen-landen het daarover nooit eens zijn geworden. Bijgevolg blijft elke Staat afzonderlijk bevoegd voor die materie.

Arbeidsvergunning

Met betrekking tot het verblijf voor onbeperkte tijd, heeft men, om alle vormen van discriminatie op basis van de wet van 1980 te voorkomen, verwezen naar artikel 13 van die wet. Het gaat dus om een verblijfsvergunning die elk jaar automatisch wordt verlengd gedurende vijf jaar, en daarna wordt omgezet in een definitieve verblijfsvergunning. Die verleent dezelfde rechten als de machtiging tot verblijf voor onbeperkte tijd. De minister van Tewerkstelling en Arbeid zal het koninklijk besluit hierover moeten wijzigen.

Criteria

De criteria zijn ruim. De situaties waarop ze betrekking hebben, zijn immers zeer verschillend. Daarom mag men zich niet laten beperken door restrictieve criteria die enkel tot onrechtvaardige beslissingen kunnen leiden. De commissie moet elke situatie in aanmerking kunnen nemen die ontegensprekelijk een regularisatie rechtvaardigt.

Dat betekent niet dat men een lakse houding aanneemt. De kerngedachte achter deze regularisatie-operatie is juist dat de zaken al veel te lang aanslepen.

Het criterium van de sociale bindingen is een zwaarwichtig criterium. Een illegaal in België verblijvende persoon die een aanvraag tot regularisatie indient, bewijst dat hij wil blijven. Hij moet eveneens blijk geven van zijn integratie in onze maatschappij door aan te tonen dat hij duurzame sociale bindingen heeft ontwikkeld. Door uit de illegaliteit te treden geven die personen uiting aan hun wil om de Belgische wetten na te leven. Ze kunnen blijk geven van hun wil om zich te integreren op het vlak van de taal, door hun kinderen naar onze scholen te sturen, door « wit » te werken, belastingen en sociale bijdragen te betalen. Het is dus een zeer belangrijk criterium waarover de commissie voor regularisatie zich met aandacht moet buigen. De duur van vijf of zes jaar is niet voldoende; de voorwaarden die in artikel 2, 4º, bepaald zijn, moeten cumulatief toegepast worden.

Discriminatie

Er zal geen discriminatie bestaan in de behandeling van de dossiers die op artikel 9 van de wet van 1980 gegrond zijn en die welke op het advies van de commissie gegrond zijn. Er zij vermeld dat de bevoegdheid van de minister op grond van artikel 9 discretionair is.

In dit geval neemt de wetgever een aantal voorzorgen, en waarom zou de minister dan het advies niet volgen dat een onafhankelijke commissie uitgebracht heeft met zoveel waarborgen ? Hij moet gewoon zijn beslissingsbevoegdheid behouden wanneer feiten die te maken hebben met de openbare orde, aangevoerd kunnen worden in de termijn die loopt tussen het ogenblik van de indiening van de aanvraag en het ogenblik waarop de commissie het advies uitbrengt.

Rol van het secretariaat

Het secretariaat heeft een normale bevoegdheid. Het moet nagaan of het dossier volledig is. Wanneer het vaststelt dat het dossier onvolledig is, zendt het de aanvraag met een negatief advies over aan de minister. Indien de minister van het advies wenst af te wijken, spreekt hij de commissie aan die een nieuw advies uitbrengt.

Welk nadeel kan hieruit voortvloeien ? Het gaat toch niet om een buitensporige bevoegdheid.

Degenen die zich op de grens bevinden

Telkens wanneer men in het recht een becijferde grens toepast, zoekt men naar middelen om de grens af te vlakken. Wanneer het gaat om de toepassing van criteria, speelt het eerste criterium ontegenzeglijk een doorslaggevende rol. Maar wat de grensgebieden van de in artikel 9, eerste lid, 9º, bedoelde termijn betreft, kan de commissie een gunstige beslissing nemen indien alle gegevens dit vereiste gegeven komen versterken, met name een relevante termijn of het niet-bestaan van een bevel om het grondgebied te verlaten in de loop van de vijf jaar vóór de aanvraag.

Maatschappelijke bijstand

De aanvraag wijzigt de rechtspositie van de aanvrager niet en geeft hem bijgevolg geen recht op maatschappelijke bijstand.

Zieken die opnieuw gezond worden

Die personen zijn geregulariseerd en mogen op het Belgische grondgebied blijven.

Aangevoerde ziekte

In door het lid beschreven geval staat de beslissing van de Staat gelijk met een weigering hulp te verlenen aan een persoon die in gevaar verkeert. De gezondheidsinfrastructuur van een land kan een verzwarende omstandigheid zijn. Het is de taak van de arts die het medisch attest verstrekt, alsmede van de onafhankelijke en bevoegde deskundigen die voor de commissie werken, om zulks te beoordelen.

Bewijs

Men wil een procedure van jurisdictionele aard invoeren maar geen rechtbank oprichten. In dit laatste geval zou men aan zeer scherpe eisen moeten voldoen, onder meer op het niveau van de bewijslast. Men heeft dus een procedure gewild die veel waarborgen biedt maar die het mogelijk maakt binnen een redelijke termijn beslissingen te nemen. Daarom moet de aanvraag steunen op « officiële sporen », dit wil zeggen documenten waaruit de aanwezigheid van de betrokkene op ons grondgebied blijkt, zoals de elektriciteits- of gasrekening, bankdocumenten, het nummer van de Dienst Vreemdelingenzaken, een getuigschrift afgegeven door een school, een medisch attest van een ziekenhuis, enz.

Men heeft evenwel getuigschriften willen vermijden die voor betwisting vatbaar zijn. Gelegenheidsgetuigschriften kunnen niet worden aanvaard en vormen geen officieel bewijs, ook al kan men de beweegredenen om ze op te stellen goed begrijpen. Opzettelijke valsheid, de wil om de Staat te bedriegen, zou moeten worden vervolgd.

Verwijderingen

Al wie verwijderd kan worden, wordt verwijderd. De procedures zijn aan de gang. Dat is een beslissing die door de regering eenparig is bevestigd. Het is evenwel duidelijk dat voor degenen die geen genoegdoening kregen, de voorkeur gegeven moet worden aan een vrijwillige terugkeer. De betrokkenen moeten in zo'n geval over een redelijke termijn beschikken en er moet bij voorkeur worden samengewerkt met gespecialiseerde instellingen zoals de Internationale Organisatie voor Migratie.

Zodra die redelijke termijn verstreken is, wordt het bevel om het grondgebied te verlaten onverwijld uitgevoerd.

One-shot-operatie

De minister legt uit dat de regering in een eenmalige operatie al degenen die voldoen aan de regularisatievoorwaarden, wil regulariseren en degenen die verwijderd moeten worden, wil verwijderen. Hij kondigt nu al aan dat de regering volgend jaar een wetsontwerp zal indienen tot hervorming van de hele asielwetgeving. De principiële beslisssingen zijn door de regering genomen en bevestigd in een studie van een deskundige van de Raad van State. Daarenboven wordt aan rechtsvergelijking gedaan om de beste formules te vinden die in de buurlanden worden toegepast. Men mag hopen dat die nieuwe wet eind volgend jaar zal zijn goedgekeurd en in werking zal kunnen treden op het ogenblik dat de toestand opnieuw « normaal » is geworden.

Voorafgaande toestemming

De minister verbaast zich over de suggestie om van de administratie te eisen dat zij van een persoon wiens regularisatieaanvraag verworpen werd, vooraf toestemming moet krijgen om hem te kunnen uitzetten. Daarvan kan geen sprake zijn.

Woonplaatsverplichting

De aanvrager van een regularisatie is perfect op de hoogte dat hij een woonplaats moet hebben. Dat is immers een blijk van vertrouwen in de Staat en biedt alle noodzakelijke waarborgen. Men kan woonplaats kiezen bij een advocaat of bij een OCMW. Tot op heden heeft de Staat bewezen dat hij dat vertrouwen waard is. De personen wier aanvraag geweigerd is, zullen overeenkomstig de wet worden uitgezet. Er kan geen sprake van zijn dat zij hiervoor hun voorafgaande toestemming moeten geven.

De minister hoopt de regularisatieoperatie te laten starten op 5 januari 2000.

In verband met de immigratie-oorzaken merkt de minister op dat de regering een onderscheid heeft willen maken tussen immigratie en asiel. Het gaat om twee verschillende problemen.

Er is thans een grote stroom vluchtelingen uit de Oost-Europese landen. Op enkele uitzonderingen na, gaat het om ongelukkigen die ofwel op de vlucht zijn voor de ellende, ofwel voor conflicten die hun leven in gevaar brengen. Om de oorzaken van die immigratie te verhelpen, zijn grote inspanningen nodig om bij te dragen tot de oplossing van de conflicten zoals men in Kosovo heeft gedaan. Er moet voor gezorgd worden dat mensen die niet geregulariseerd kunnen worden, zich opnieuw in hun land van oorsprong kunnen integreren. De regering is bereid zich daarvoor in te zetten.

Bij ernstig gehandicapte personen moet worden nagegaan of hun handicap beschouwd kan worden als een ziekte die hun leven in gevaar brengt. Die vraag moet beantwoord worden door de deskundigen zodat de toestand voor de commissie en voor de minister duidelijk is.

Wat de studenten betreft die in de illegaliteit leven, is de tekst duidelijk. Een verblijf als student kan niet worden beschouwd als een relevant verblijf dat op zichzelf een regularisatie rechtvaardigt. Dit belet niet dat studenten die voldoen aan de algemene regularisatievoorwaarden, kunnen worden geregulariseerd.

De regering heeft zoveel mogelijk voorzorgen genomen voor de oproeping. Het is de taak van de politiediensten die oproeping te overhandigen zodat men er zeker kan van zijn dat de brief niet verloren gaat. De aanvrager heeft de mogelijkheid een woonplaats te kiezen bij iemand in wie hij het volste vertrouwen heeft, zoals bijvoorbeeld een advocaat of een OCMW.

De burgemeester kan een sociaal verslag opstellen. Alle openbare diensten, zoals bijvoorbeeld de rijkswacht, moeten ertoe bijdragen dat de commissie en de minister met kennis van zaken beslissingen kunnen nemen.

De begrippen « openbare orde » en « nationale veiligheid » hebben een specifieke betekenis voor de minister van Binnenlandse Zaken en zijn diensten, die in dit verband over een aantal nuttige inlichtingen beschikken. De minister moet enige beoordelingsvrijheid behouden. De minister verwijst naar het voorbeeld van illegalen die tot zware straffen zijn veroordeeld en die dus niet in aanmerking komen voor de regularisatie, die een gunst van de Staat is. Dat betekent niet dat elke veroordeling een regularisatie in de weg staat. Er zijn ook veel Belgen met een strafblad die de nationale veiligheid niet in gevaar brengen.

Het criterium « duurzame, sociale bindingen hebben ontwikkeld » is een veeleisend criterium dat ernstig moet worden onderzocht. De vaststelling dat de wil tot integratie bestaat, zal gevolgen hebben op alle gebieden. Dat betekent onder meer dat de betrokkenen, als ze geregulariseerd zijn, de taalwetgeving moeten naleven.

De minister merkt op dat de Raad van State een aantal opmerkingen heeft geformuleerd. Die zijn verwerkt in de tekst van het wetsontwerp. Het gaat om een eenmalige procedure, in die zin dat de wet ophoudt gevolgen te hebben op de dag waarop de minister een beslissing zal hebben genomen over het laatste dossier. Artikel 9 van de wet van 1980 blijft evenwel gelden. Bij de algemene herziening van de asielwet die volgend jaar wordt onderzocht zal dat artikel moeten worden gewijzigd.

3. BESPREKING VAN DE AMENDEMENTEN

De heer Verreycken c.s. dienen een amendement (amendement nr. 13) in dat ertoe strekt de volledige tekst van het ontwerp te vervangen. Een van de mede-indieners van dit ontwerp licht toe dat zijns inziens de Commissie voor de regularisatie niet in staat zal blijken een behoorlijke rechtsbedeling te waarborgen, aangezien zij alle gevallen voor het gehele grondgebied dient te behandelen. Bovendien is de toevoeging van een afgevaardigde van een erkende NGO een probleem, zowel vanuit politiek als vanuit juridisch oogpunt bekeken, omdat dit suggereert dat een magistraat minder kennis zou hebben van de mensenrechten dan de vrijwilligers van deze NGO's. Deze verenigingen zijn uitgesproken links en neigen naar een beleid van open grenzen. Bovendien rijst een probleem van representativiteit. In het amendement wordt een verbetering voorgesteld.

Het amendement nr. 3 van de heer Verreycken c.s. wordt verworpen met 10 stemmen tegen 1 stem.

Opschrift

De heer Verreycken c.s. dienen een eerste amendement (amendement nr. 1) in dat ertoe strekt het opschrift te wijzigen. Voor een nadere toelichting bij dit amendement verwijst de heer Verreycken naar de verantwoording.

De indieners zijn principieel gekant tegen het hier ingevoerde principe van een massale en qua uitvoering ongecontroleerde en oncontroleerbare zogenaamde « one shot »-regularisatie van illegale vreemdelingen. Dit amendement moet dan ook begrepen worden als een poging om de nefaste gevolgen van een voor het overige onaanvaardbare wet te beperken.

De heer Verreycken c.s. dienen een tweede amendement in (amendement nr. 2) dat ertoe strekt het opschrift te wijzigen. De heer Verreycken verwijst naar de verantwoording bij dit amendement.

De dames de Bethune, Thijs en De Schamphelaere dienen een derde amendement in (amendement nr. 63) dat ertoe strekt het opschrift van het ontwerp te wijzigen. Mevrouw Thijs verwijst naar de verantwoording bij de amendementen nrs. 62 en 63, die nauw met mekaar verbonden zijn.

Het amendement nr. 1 wordt verworpen met 10 stemmen tegen 1 stem bij 3 onthoudingen.

Het amendement nr. 2 wordt verworpen met 10 stemmen tegen 1 stem bij 3 onthoudingen.

Het amendement nr. 63 wordt verworpen met 11 stemmen tegen 3 stemmen.

Artikel 1

De heer Verreycken c.s. dienen een amendement in (amendement nr. 3) dat een grondwettelijke herkwalificatie beoogt van artikel 3 van het ontwerp. De heer Verreycken verwijst naar de verantwoording bij dit amendement. Artikel 3, aldus de indieners van het amendement, heeft betrekking op de rechterlijke organisatie waardoor het ressorteert onder artikel 77, 9º, van de Grondwet.

De heer Verreycken c.s. dienen een amendement in (amendement nr. 37) omdat het door dezelfde indieners voorgestelde artikel 16ter (amendement nr. 38) een aangelegenheid regelt als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.

Een lid vindt de argumenten aangehaald in amendement nr. 3 heel zwak. Het is niet omdat het wetsontwerp vaststelt dat een magistraat lid moet zijn van de Commissie voor regularisatie, dat het de organisatie van hoven en rechtbanken wijzigt.

Het amendement nr. 13 wordt verworpen met 10 stemmen tegen 1 stem.

Het amendement nr. 37 wordt verworpen met 10 stemmen tegen 1 stem.

Artikel 1bis (nieuw)

De heer Verreycken c.s. dienen een amendement in dat er toe strekt om de begrippen in het ontwerp precies te definiëren (amendement nr. 4). De heer Verreycken verwijst naar de verantwoording bij dit amendement.

Het amendement nr. 4 wordt verworpen met 10 stemmen tegen 1 stem.

Artikel 1ter (nieuw)

De heer Verreycken c.s. dienen een amendement in dat er toe strekt het tijdelijk karakter van de wet te onderstrepen (amendement nr. 5). De heer Verreycken verwijst naar de verantwoording bij dit amendement.

Het amendement nr. 5 wordt verworpen met 10 stemmen tegen 1 stem.

Artikel 2

De dames de Bethune, Thijs en De Schamphelaere dienen een amendement in (amendement nr. 62) dat er toe strekt om de in het ontwerp voorgestelde regeling te vervangen door een in de vreemdelingenwet van 15 december 1980 in te voegen artikel 9bis . Dit amendement voorziet in de oprichting van een permanente commissie voor regularisaties met een autonome beslissingsmacht. Een indienster verwijst naar de verantwoording bij het amendement nr. 62.

Meer algemeen wil ze beklemtonen dat een dergelijke regularisatieprocedure toch niet zo tijdelijk en uitzonderlijk is als de minister wel wil doen geloven. Ze verwijst naar Italië dat reeds aan de vijfde regularisatie op rij toe is. Wat de inburgeringscontracten betreft, wil ze graag het voorbeeld van een Limburgse gemeente aanhalen waar een dergelijke procedure reeds twee jaar werkt en waar alle betrokken partijen positieve reacties laten horen over dit systeem.

Ten slotte wil de hoofdindienster graag dat de meerderheid zeer grondig nadenkt voor ze dit ontwerp, dat de ziel van onze maatschappij raakt, goedkeurt. Ze is eveneens van mening dat het naast elkaar bestaan van twee wetten die de regularisatie van bepaalde categorieën van vreemdelingen regelen, nefast is voor het efficiënt bestuur van ons land.

Een mede-indienster van dit amendement herinnert de minister eraan dat ze nog altijd geen antwoord heeft gekregen op haar vraag naar de maatregelen die de regering wil nemen in navolging van de opmerking van de Raad van State over de juridische ongelijkheden tussen verschillende categorieën vreemdelingen. De regering heeft de Raad van State slechts gevolgd in één geval, namelijk wat de einddatum betreft van de werking van de wet. Op alle andere punten schoof ze de opmerkingen terzijde.

De heer Verreycken c.s. dienen een amendement in (amendement nr. 6) strekkende tot het nader bepalen van het begrip « sociale bindingen ». Een mede-indienster verwijst naar de toelichting maar tegelijkertijd wil ze het belang van de taalvereiste als extra criterium benadrukken.

De heer Verreycken c.s. dienen vervolgens een amendement in (amendement nr. 7) er toe strekkende de dubbelzinnige omschrijving van dit artikel te vervangen door een juridisch correcte en efficiëntere, daar eenvoudiger voor de administratie, zinsnede.

Bepaalde categorieën van vreemdelingen zouden immers van de omschrijving in het wetsontwerp kunnen gebruik maken om zeer bewust, bijvoorbeeld door een constante afwezigheid, een dergelijke beslissing niet te willen ontvangen.

Indien dat zinsdeel daarentegen wordt vervangen door « zonder dat over hun aanvraag een onherroepelijke beslissing werd genomen », dan ligt de bal in het kamp van de vreemdeling om zich te informeren over de aard van de beslissing.

De heer Verreycken c.s. dienen daarop twee amendementen in (amendementen nrs. 8 en 9) strekkende tot verbetering van artikel 2, 2º. Een mede-indienster verwijst naar het advies van de Raad van State en naar de toelichting.

De heer Verreycken c.s. dienen een amendement in (amendement nr. 10) dat, gezien de uitleg van de minister over het Schengenakkoord, wordt ingetrokken.

De heer Verreycken c.s. dienen vervolgens een amendement in (amendement nr. 11) dat uitgaat van het basisprincipe dat regularisatie een gunst is. Daarom hadden de indieners van dit amendement graag bepaalde categorieën vreemdelingen uitgesloten van deze maatregel.

De heer Verreycken c.s. dienen een amendement in (amendement nr. 12) waardoor de ondertekenaars de gevolgen van een ongecontroleerde regularisatie van vreemdelingen toch nog enigszins willen inperken.

De heer Verreycken c.s. dienen een amendement in (amendement nr. 16) dat eveneens wordt ingetrokken gezien de uitleg van de minister over het Schengenakkoord. De heer Verreycken c.s. dienen nadien de amendementen nrs. 17, 18, 19, 20 en 21 in en verwijzen daarbij naar hun toelichting. Telkens worden voor de regularisatie beperkte voorwaarden voorzien.

Een senator vraagt zich, met betrekking tot artikel 2, af of het criterium « ernstig ziek zijn » eveneens geldt voor diegenen die na de in het ontwerp voorziene indieningstermijn ernstig ziek worden.

De minister antwoordt hier ontkennend aangezien dat criterium moet ingeroepen worden in de loop van de indieningstermijn van 3 weken en het nadien daarvoor te laat is.

Dezelfde senator verwijst naar het verslag van de Kamer van volksvertegenwoordigers waarin wordt gesteld dat de kennis van de landstaal in het voordeel speelt van een aanvrager. Hij vraagt zich daarbij af of personen die geen enkele van de landstalen machtig zijn, gezien het cumulatieve karakter van dit vierde criterium, kunnen worden afgewezen.

De minister geeft hierbij aan dat geen enkel criterium meer weegt dan een ander. Kennis van de landstaal is niet het enige criterium op basis waarvan een beslissing genomen zal worden. Het valt te combineren met de andere elementen die wijzen op integratie.

Amendement nr. 62 wordt verworpen met 9 stemmen tegen 3 stemmen, bij 1 onthouding.

Amendement nr. 6 wordt verworpen met 12 stemmen tegen 1 stem.

De amendementen nrs. 7, 8, 9, 11, 12, 14, 17, 18, 19, 20 en 21 worden verworpen met dezelfde stemming.

Artikel 3

De dames de Bethune, Thijs en De Schamphelaere dienen een amendement in (amendement nr. 64), strekkende tot opheffing van dit artikel ingevolge het amendement nr. 62.

De heer Dallemagne en mevrouw Nyssens dienen een amendement in (amendement nr. 52), dat ertoe strekt een minimum aan werkingsregels in de wet op te nemen.

Amendement nr. 64 van de dames de Bethune, Thijs en De Schamphelaere wordt door de indiensters ingetrokken ingevolge de verwerping van het amendement nr. 62.

Amendement nr. 52 wordt verworpen met 8 tegen 4 stemmen.

Artikel 4

De heer Verreycken c.s. dienen op dit artikel amendement nr. 22 in. Daarnaast stelt hij, via de amendementen 23, 24, 25, 26 en 27, voor in het ontwerp de artikelen 4bis tot 4sexies in te voegen.

Een indiener verduidelijkt dat amendement nr. 22 ertoe strekt een duidelijk formulier in te voeren dat meer nuttige informatie kan bevatten en een betere controle op de aanvraag mogelijk maakt.

Amendement nr. 23 geeft de inhoud van dit formulier. Daarbij staat de bedoeling voorop het gebruik van een dubbele identiteit onmogelijk te maken en zo te verhinderen dat de betrokkenen op verschillende plaatsen aan de kassa aanschuiven. Belangrijk hierbij is dat een aanzet wordt gegeven om een fotografische vingerafdruk in te voeren. Dit vergt een zekere investering in informatica-infrastructuur maar het is wellicht het meest waterdichte instrument om misbruiken te voorkomen.

De amendementen 24 en 25 hebben tot doel de mogelijkheid voor de autochtone bevolking in te voeren om bezwaar tegen een regularisering in te dienen. Het is immers niet ernstig dat dergelijke beslissingen, die belangrijk zijn voor het samenleven, over het hoofd van de buurtbewoners heen worden genomen.

De amendementen 26 en 27 gaan ervan uit dat de mogelijkheid die aan de burgemeester wordt geboden om een sociaal verslag uit te brengen, ontoereikend is. Vandaar dat wordt voorgesteld ook de gerechtelijke autoriteiten en de politiediensten te verplichten een verslag op te maken.

Mevrouw Nyssens en de heer Dallemagne dienen het hoofdamendement nr. 53 en, subsidiair hierbij, amendement nr. 60 in.

De indienster verduidelijkt dat de minister bij herhaling verklaard heeft dat de regularisatieprocedure niet mag aanslepen. Er is terzake echter geen enkele garantie. Vandaar dat in amendement nr. 53 wordt voorgesteld de beslissingsbevoegdheid bij de commissie te leggen en dat, indien deze geen beslissing heeft genomen binnen een termijn van twaalf maanden, verondersteld moet worden dat de aanvraag positief werd beoordeeld.

Het subsidiair amendement houdt in dat de minister slechts van een gunstig advies van de commissie kan afwijken om redenen die verband houden met de openbare orde of wanneer ernstige overtredingen werden begaan. Deze bepaling ligt volkomen in de lijn van eerdere verklaringen van de minister.

Een lid vraagt of tegen de beslissing over de regularisatieaanvraag beroep open staat en, zo ja, bij welke rechtbank. Indien beroep bij de Raad van State mogelijk is, werkt dit dan opschortend ?

De minister antwoordt hierop dat de beslissing over de regularisatieaanvraag een gewone administratieve akte is, waartegen beroep bij de Raad van State kan worden ingesteld. Dit beroep is niet opschortend.

Spreker wenst ten slotte te vernemen wanneer de termijn van drie weken waarbinnen de aanvraag moet worden ingediend, exact ingaat. Is dit de dag van de bekendmaking van deze wet of de dag nadien ?

De minister antwoordt op dit laatste dat de termijn ingaat op de dag van de publicatie zelf in het Belgisch Staatsblad .

Amendement nr. 65 wordt door de indiensters ingetrokken ingevolge de verwerping van amendement nr. 62.

Amendement nr. 22 wordt verworpen met 8 stemmen tegen 1 stem.

Amendement nr. 53 wordt verworpen met 7 tegen 3 stemmen.

Het subsidiaire amendement nr. 60 wordt verworpen met 7 tegen 3 stemmen.

Het amendement nr. 23 wordt verworpen met 8 stemmen tegen 1 stem.

De amendementen nrs. 24, 25, 26 en 27 worden verworpen met dezelfde stemming.

Artikelen 5 en 6

De dames de Bethune, Thijs en De Schamphelaere dienen twee amendementen in (amendementen nrs. 66 en 67), strekkende tot opheffing van de artikelen 5 en 6 van het ontwerp ingevolge het amendement nr. 62.

Mevrouw Nyssens en de heer Dallemagne dienen op de artikelen 5 en 6 amendementen nrs. 54 en 79 in.

Een indienster verduidelijkt dat de amendementen ertoe strekken de bevoegdheden van de commissie voor de regularisatie uit te breiden. Met betrekking tot artikel 5 betekent dit dat zij adviesbevoegdheid krijgt over de vraag of de vreemdeling een gevaar kan betekenen voor de openbare orde of de veiligheid. Met betrekking tot artikel 6 houdt dit in dat de commissie beslissingsbevoegdheid krijgt over de vraag of de regularisatie dient te worden geweigerd wegens bedrog in hoofde van de aanvrager.

De minister is van oordeel dat er geen reden is om naar aanleiding van deze aangelegenheid afbreuk te doen aan de opdracht en de verantwoordelijkheid van de minister inzake de handhaving van de openbare orde en het verzekeren van de veiligheid. Hij beschikt over de middelen om hierover een gefundeerd oordeel te vellen. De commissie daarentegen is op dit terrein onvoldoende uitgerust.

Een andere spreker wenst te vernemen hoe in artikel 6, het woord « bij de procedure » dient te worden begrepen. Betekent dit dat het bedrog moet zijn gepleegd in het kader van de asielprocedure of volstaat het dat een of andere vorm van fraude werd vastgesteld in de periode dat de procedure liep, ongeacht waarop ze betrekking had ?

De minister antwoordt dat het hier wel degelijk bedrog betreft, dat betrekking heeft op de asielprocedure zelf. Belangrijk is overigens dat het om een « kennelijk » bedrog moet gaan. Het kan altijd gebeuren dat bij de aanvraag bepaalde zaken sterker in de verf werden gezet of lichtelijk overdreven. Dit volstaat niet om van kennelijk bedrog te spreken. Het feit daarentegen dat tijdens de asielaanvraag willens en wetens een verkeerde nationaliteit werd opgegeven, kan wel een reden zijn om de regularisatie te weigeren.

Daarnaast is er de mogelijke fraude die wordt gepleegd in het kader van de regularisatieprocedure. De regularisatiecommissie zal moeten uitmaken of deze voldoende ernstig is om de regularisatie te weigeren en terzake een advies verstrekken aan de minister. Het is moeilijk hier op voorhand te gaan uitmaken in welke gevallen van fraude een negatieve beslissing wenselijk is.

Anderzijds moet het duidelijk zijn dat bij manifeste fraude de regularisatie zeker zal worden geweigerd. Men kan niet toelaten dat iemand enerzijds aanspraak maakt op een verblijfsvergunning in een land, maar tegelijk bij de aanvraag hiertoe dit land tracht te bedriegen.

Een senator vraagt hoe de beslissing van de minister dat een bepaalde vreemdeling een gevaar betekent voor de openbare orde, formeel wordt ingekleed. Volstaat hier een gewone verklaring of dient deze bijvoorbeeld in de vorm van een besluit te worden gegoten ?

De minister verklaart dat de beslissing, dat een vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde, tot uiting moet komen in een weigering van de regularisatie en, hieruit voortvloeiend, een bevel het grondgebied te verlaten. Een dergelijk bevel valt onder de normale beroepsprocedures.

De amendementen nrs. 66 en 67 worden door de indiensters ingetrokken ingevolge de verwerping van amendement nr. 62.

Het amendement nr. 54 wordt verworpen met 8 tegen 3 stemmen.

Het amendement nr. 79 wordt verworpen met 8 tegen 3 stemmen.

Artikel 7

De dames de Bethune, Thijs en De Schamphelaere dienen een amendement in (amendement nr. 68), strekkende tot weglating van dit artikel ingevolge amendement nr. 62.

Een lid vraagt of de minister kan beamen dat het ontvangstbewijs geen andere juridische waarde heeft dan de bevestiging van de indiening van het dossier door de vreemdeling.

De minister beaamt dat dit document alleen tot doel heeft de aanvrager een bewijs te leveren dat hij zijn dossier heeft ingediend.

Een senator merkt op dat de burgemeester die de aanvraag in ontvangst neemt, deze binnen de acht werkdagen aan de Commissie voor de regularisatie dient te bezorgen. Staat op de niet-naleving van deze bepaling een sanctie, bijvoorbeeld de automatische regularisatie van de betrokken aanvrager ?

De minister antwoordt dat op het niet-respecteren van deze termijn geen specifieke sanctie staat. Het spreekt echter voor zich dat de burgemeester, in het belang van de aanvrager, zijn uiterste best moet doen om zich aan deze bepaling te houden.

De vorige spreker concludeert hieruit dat, indien bijvoorbeeld ten gevolge van een toevloed van aanvragen, een bepaalde gemeente de termijn van acht dagen niet kan respecteren, zij deze termijn kan overschrijden.

De minister verklaart dat hij er het volste vertrouwen in heeft dat de gemeentelijke autoriteiten hun uiterste best zullen doen om deze bepaling na te leven. Indien dit wegens bepaalde omstandigheden duidelijk onmogelijk zou zijn, dan kan hier volgens hem begrip voor worden opgebracht.

Hij wenst echter te onderstrepen dat van de andere in het ontwerp gestelde termijn, namelijk die van drie weken voor de indiening van de aanvraag, onder geen enkel voorwendsel kan worden afgeweken.

Het amendement nr. 68 wordt door de indiensters ingetrokken ingevolge de verwerping van amendement nr. 62.

Artikel 8

De heer Verreycken c.s. dienen een amendement in (amendement nr. 28), dat ertoe strekt het woord « sociaal » weg te laten uit dit artikel.

De indiener van het amendement merkt op dat het aansluit bij zijn amendementen nrs. 26 en 27 en door de verwerping van deze laatste zonder voorwerp is geworden.

Toch wenst hij enige verduidelijking te verstrekken. Wie de praktijk in de gemeenten kent weet dat het sociaal verslag in dergelijke gevallen vaak wordt opgesteld door nevenorganisaties die activiteiten ten aanzien van de betrokken groepen ontwikkelen. De gemeentelijke autoriteiten hebben niet altijd een goed inzicht in de wijze waarop deze verslagen tot stand komen.

Vandaar dat de drie amendementen erop gericht waren, te komen tot een meer objectieve verslaggeving onder het gezag van de overheid. Onder de schrapping van het woord « sociaal » moet derhalve niet meteen worden verstaan dat het verslag geen betrekking zou mogen hebben op de sociale situatie van de betrokkene, wel dat het opstellen van dit verslag niet langer wordt toevertrouwd aan allerhande nevenorganisaties die in het sociale veld actief zijn.

De minister antwoordt dat de burgemeester een openbaar ambtenaar is. Hij staat in voor de gegevens die onder zijn gezag worden meegedeeld aan de hogere overheid en die hij dient te attesteren, ongeacht de instantie die deze gegevens heeft verzameld. Het is overigens niet meer dan logisch dat, indien een beroep wordt gedaan op instanties buiten de gemeentelijke administratie, dit duidelijk in het dossier wordt vermeld.

Hij kan zich overigens niet voorstellen dat de gemeentelijke autoriteiten zich aan hun verantwoordelijkheden op dit vlak zouden onttrekken.

Een lid wenst te vernemen waarom het opmaken van een dergelijk sociaal verslag, dat in het voorontwerp van deze wet als een verplichting werd ingeschreven, in de tekst die bij het Parlement werd ingediend, een facultatief karakter heeft gekregen.

De minister antwoordt dat het niet wenselijk werd geacht de gemeentelijke autoriteiten te gaan opleggen voor elke aanvrager systematisch een sociaal onderzoek uit te voeren. Indien de gemeentelijke autoriteiten evenwel over bepaalde gegevens beschikken die in het voordeel of in het nadeel van de betrokkene pleiten, wordt wel verwacht dat zij hierover verslag uitbrengen.

Tegelijk is het evident dat, indien de aanvrager bepaalde gegevens aan het dossier wenst toe te voegen, de burgemeester hierop moet ingaan.

Een spreekster merkt op dat er wat dit laatste betreft ten aanzien van de burgemeester alleszins geen enkele formele verplichting is. Zij is van oordeel dat dit in de wet of in de uitvoeringsbesluiten dient te worden geëxpliciteerd.

De minister repliceert dat er terzake geen enkele betwisting kan zijn. Indien de betrokkene vraagt dat bepaalde stukken aan zijn dossier worden toegevoegd, dan moet de burgemeester hierop ingaan. Zoals reeds gezegd is hij er ook toe gehouden andere gegevens waarover hij beschikt en die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van het dossier, mee te delen.

De reden waarom het opstellen van een sociaal verslag facultatief werd gemaakt, ligt alleen in de overweging dat het wellicht onmogelijk zal zijn om voor alle aanvragers op systematische wijze een sociaal onderzoek te gaan uitvoeren.

De heer Dallemagne en mevrouw Nyssens dienen het amendement nr. 55 in, dat ertoe strekt de termijn waarover de vreemdelingen beschikken om hun dossier te vervolledigen, te verlengen tot twee maanden.

Een van de indieners verduidelijkt dat dit ook de gemeentelijke autoriteiten iets meer ruimte geeft indien zij met een toevloed aan dossiers worden geconfronteerd. Zij vraagt overigens hoe deze bepaling, waarin wordt gesteld dat de termijn van één maand begint te lopen vanaf het indienen van de aanvraag, zich verhoudt tot de termijn bepaald in artikel 12. Hierin wordt bepaald dat indien de commissie vaststelt dat het dossier onvolledig is, een negatief advies wordt verstrekt aan de minister. Die brengt het advies via de politie ter kennis van de aanvrager en deze beschikt over drie dagen om zijn standpunt uiteen te zetten.

Stel dat een vreemdeling zich aan het gemeentelijk loket aanbiedt met een onvolledig dossier en de gemeente dit meteen overmaakt aan de commissie. Hoeveel tijd heeft de betrokkene dan nog om zijn dossier te vervolledigen ? Het resterende deel van de maand waar hij recht op had of slechts drie dagen nadat hem is meegedeeld dat het dossier onvolledig is ?

De minister verklaart dat de zaken in de praktijk anders verlopen. Wanneer de aanvrager zich met een onvolledig dossier aanbiedt moet de gemeentelijke administratie hem hierop wijzen en helpen de nodige stukken te verzamelen. Wanneer nu, bijvoorbeeld 5 dagen later, het dossier volledig wordt geacht en aan de Regularisatiecommissie wordt overgemaakt, begint op dat ogenblik een termijn van één maand te lopen gedurende welke stukken kunnen worden toegevoegd. Wanneer de Regularisatiecommissie na verloop van deze maand het dossier onderzoekt en vaststelt dat er nog gegevens ontbreken, krijgt de aanvrager via de procedure van artikel 12 nog 3 dagen de tijd om zijn standpunt uiteen te zetten.

Een lid is verheugd over de belangrijke opdracht die de minister in deze aangelegenheid toekent aan de gemeenten, zowel wat het adviseren van de betrokkenen betreft als inzake de samenstelling van het dossier. Tegelijk echter worden de gemeentelijke autoriteiten belast met een zware verantwoordelijkheid. Wat gebeurt er bijvoorbeeld indien de gemeente het dossier als volledig beschouwt en dit achteraf niet het geval blijkt te zijn ?

De minister antwoordt dat het risico op vergissingen bij de samenstelling van het dossier zeer gering is omdat dit bestaat uit factuele gegevens die moeten worden verzameld en die zeer precies zijn omschreven. De gemeenten zelf doen geen onderzoeken. Zij nemen formeel alleen akte van de aanvraag en van de stukken die hierbij gevoegd zijn, leveren hiervoor een ontvangstbewijs aan de betrokkene en sturen het dossier door aan de commissie.

Een senator stipt aan dat volgens het artikel de burgemeester van de plaats waar de aanvrager verblijft, het sociaal verslag overzendt. De geest van deze bepaling is duidelijk : indien de aanvrager tijdens de procedure naar een andere gemeente verhuist, blijft de burgemeester van de gemeente waar het dossier is ingediend, verantwoordelijk. Dit blijkt echter niet uit de letter van het ontwerp, waardoor er een gevaar ontstaat dat in bepaalde situaties een burgemeester zich aan zijn verantwoordelijkheid zou kunnen onttrekken.

De senator stelt voorts vast dat de burgemeester aanvullende stukken bij het dossier onmiddellijk dient over te maken aan de commissie. Ook hier is de vraag op welke wijze deze verplichting wordt gesanctioneerd. Wat gebeurt er indien de gemeente de betrokken stukken gewoon laat liggen ?

Een lid kan zich bij de eerste opmerking van de vorige spreker aansluiten. Wie maakt overigens het sociaal verslag op voor bijvoorbeeld een vluchteling die net voor de inwerkingtreding van de wet verhuisd is ? Normaliter is de gemeente van waar hij komt het best geïnformeerd over zijn sociale situatie, maar hij zal zijn regularisatieaanvraag moeten indienen in de gemeente waarnaar hij verhuisd is.

De minister antwoordt dat aan de burgemeester die tekortschiet in zijn plichten, een sanctie kan worden opgelegd door de minister van Binnenlandse Zaken. De overzending van het dossier is een ernstige aangelegenheid, waarbij de nodige precisie in acht moet worden genomen. Zo krijgt de minister regelmatig klachten van burgers over een nalatige burgemeester, waarop steeds een ernstig onderzoek volgt.

Wat de betekenis van de term verblijfplaats betreft, antwoordt de minister dat die in de gewone zin van het woord moet worden opgevat. De verblijfplaats is dus de plaats waar de persoon zich bevond, waar hij leefde. Het zou voor illegalen vaak moeilijk, zo niet onmogelijk geweest zijn om een bewijs van verblijfplaats in de wettelijke zin van het woord voor te leggen.

Wat de waarde van het sociaal verslag betreft, benadrukt de minister dat het niet gaat om een onderzoek, noch om een advies dat de burgemester geeft. Het zijn feitelijke gegevens die de commissie bij haar taak kunnen helpen.

In geval van een eventuele verhuizing zijn er volgens de minister een maximum aantal voorzorgen ingebouwd want dan moeten zowel de verblijfplaats als de keuze van woonplaats worden vermeld. Dat biedt de meeste kansen om de personen tijdens de hele procedure te kunnen blijven contacteren.

Een senator informeert naar de draagwijdte van het begrip « keuze van de woonplaats ». Kan dit ook bij de advocaat zijn ?

De minister herhaalt dat dit perfect mogelijk is. Een keuze van woonplaats kan bijvoorbeeld bij de advocaat gebeuren maar ook bijvoorbeeld bij het OCMW. Men mag niet uit het oog verliezen dat de sociale dienst van het OCMW vaak de vertrouwenspersoon is van de aanvrager.

De heer Verreycken c.s. dienen drie amendementen in (amendementen nrs. 29, 30 en 31). Een indiener verwijst naar de verantwoording bij deze amendementen.

De heer Dallemagne en mevrouw Nyssens dienen een amendement in (amendement nr. 56). Een van de indieners verklaart dat het amendement betrekking heeft op de bewijsstukken en ertoe strekt de betrokkenen in de mogelijkheid te stellen om met alle wettelijke middelen het bewijs van verblijf te leveren. De bewijsstukken zijn ingedeeld volgens de categorieën van aanvragers. Dat betekent dat alleen met betrekking tot het vierde criterium (artikel 2, 4º) een bewijs van verblijf mag worden gevraagd. Voor de bewijsstukken met betrekking tot de andere criteria, zijn geen precieze eisen vastgesteld. Stukken van niet-gouvernementele organisaties (NGO's) kunnen dus ook in aanmerking worden genomen. De NGO's hebben vaak stukken opgesteld en zijn een beetje verbaasd dat zij niet als instelling, bestuur of openbare dienst worden beschouwd.

Het tweede deel van dit amendement betreft de eis dat de aanvrager zijn verblijfplaats aanduidt én een woonplaats kiest. Het amendement laat de aanvrager de keuze door het woord « en » te vervangen door het woord « of ». Als de aanvrager een verblijfplaats heeft, is het niet nodig hem te verplichten bovendien een woonplaats te kiezen bij een OCMW of een raadsman.

Ten derde wil het amendement artikel 9, 9º, vereenvoudigen en verduidelijken.

Vervolgens stelt spreekster de technische vraag wat de precieze betekenis is van het woord « relevant ». Ze gaat ervan uit dat de bepaling over het relevant wettig verblijf wetgevingstechnisch gezien verband houdt met de vorige alinea en dan meer bepaald met de woorden « dat ze wettig verbleven hebben ». Het verband tussen deze beide bepalingen blijkt niet duidelijk uit te tekst.

Het commissielid geeft het concrete voorbeeld van een Algerijns meisje van zes jaar, dat al tweeënhalf jaar op het Belgisch grondgebied verblijft. Kan haar situatie geregulariseerd worden als zij duidelijke banden heeft met een Belgisch gezin ?

Ten slotte stelt spreekster zich vragen over de duur van het verblijf en het bewijs van het verblijf. Moet het bewijs slaan op het begin van de periode van verblijf of op het einde daarvan ? Moeten in het dossier bewijsstukken zitten voor elk jaar van het verblijf ?

Een ander commissielid vindt dat het woord « meer » in het 9º van artikel 9 aanleiding geeft tot verwarring (meer dan vijf jaar). Hij stelt voor het te schrappen.

De minister verwijst naar zijn antwoorden in de Kamer van volksvertegenwoordigers, waar hij duidelijk heeft gesteld dat NGO's niet worden beschouwd als instellingen die het bewijs kunnen leveren van het verblijf in België.

Zowel de aanduiding van de verblijfplaats als de keuze van de woonplaats zijn noodzakelijk. Uit de aanduiding van de verblijfplaats blijkt het vertrouwen van de aanvrager in het land dat hem deze kans biedt, terwijl de keuze van de woonplaats de procedure vergemakkelijkt en ervoor zorgt dat het onderzoek correct verloopt.

De minister bevestigt dat het woord « relevant » betrekking heeft op het wettelijk verblijf waarvan in de vorige alinea sprake is.

Wat het bewijs van de duur van het verblijf betreft, is de situatie duidelijk. Men moet met een aantal gegevens bewijzen dat men gedurende vijf of zes jaar op het grondgebied aanwezig was.

Het gaat dus niet om de aanwezigheid op een welbepaald ogenblik, maar wel om een doorlopend verblijf op het grondgebied bewezen door een geheel van elementen en aanwijzingen.

Wat het woord « meer » betreft, verwijst de minister naar de interpretatie die de Commissie hiervan zal geven.

Een lid begrijpt de houding van de regering tegenover de NGO's niet goed. Hij benadrukt dat de NGO's van essentieel belang geweest zijn in de formulering en de uitwerking van dit wetsontwerp. Zij worden ernstig genoeg genomen om deel te kunnen uitmaken van de Commissie voor regularisatie, maar niet om attesten te leveren !

Een senator verwijst naar het 2º van artikel 9, dat vermeldt dat men een bewijsstuk moet leveren waaruit blijkt dat de betrokkene daadwerkelijk op het Belgisch grondgebied verbleef op de datum van 1 oktober 1999. Het bewijs van de aanwezigheid op een vaste datum lijkt moeilijk te leveren. Zal er op dit vlak een ruime interpretatie blijken ? Wat als de betrokkene op dat ogenblik afwezig is, bijvoorbeeld wegens bezoek aan een familielid in Frankrijk ?

Verder wenst de senator te weten of ieder lid van het gezin een aanvraag dient in te dienen, indien een gezin een regularisatie wenst. Volstaat een aanvraag van het gezinshoofd, of moeten alle voorwaarden vervuld zijn in hoofde van elk gezinslid en moeten voor elkeen bewijsstukken worden aangebracht.

Tenslotte betreurt spreker dat het woord relevant in artikel 9, 9º, niet terug te vinden is in het eerste lid van dit artikel. Dit geeft aanleiding tot enkele legistieke problemen.

Wat betreft artikel 9, 9º, vraagt spreker zich tevens af welk het nut is van de woorden « in voorkomend geval ». Dit lijkt de zaken nodeloos te bemoeilijken.

De minister behoudt zijn standpunt met betrekking tot de NGO's.

Hij meent dat het noodzakelijk is dat zij vertegenwoordigd zijn in de Commissie voor de regularisatie, aangezien zij beschouwd kunnen worden als de advocaten van de aanvragers. Hun doelstelling is zoveel mogelijk aanvragen tot regularisatie tot een goed einde te brengen. Zij kunnen evenwel geen rechter in eigen zaak zijn.

De regularisatieprocedure is politiek gelanceerd op 1 oktober, om te voorkomen dat mensen die zich in de buurlanden en meer bepaald in Frankrijk bevinden zich naar België zouden haasten, eventueel met frauduleuze middelen.

De minister legt vervolgens uit dat de aanvragen door het gezinshoofd kunnen worden ingediend, onder voorwaarde dat er voor alle gezinsleden bewijsstukken worden voorgelegd. Zo moet men bijvoorbeeld bewijzen dat de kinderen die de verkorting van de termijn rechtvaardigen, wel degelijk in België verblijven en de leeftijd hebben om school te lopen.

Een senator vraagt opnieuw of het feit dat men elke maand een paar dagen bij familie in het buitenland doorbrengt tot gevolg kan hebben dat de betrokkene wordt geacht niet meer te voldoen aan de voorwaarde dat hij meer dan vijf of zes jaar in België moet hebben verbleven (artikel 9, 9º).

De minister antwoordt dat het begrip « verblijven » niet noodzakelijk een doorlopende daadwerkelijke en fysieke aanwezigheid in het land inhoudt. Het « verblijf » verwijst naar een aantal samenhangende elementen zoals een gezin, werk, vrienden en vrijetijdsbesteding in het land. Men dient bezigheden en banden in België te hebben.

De senator komt terug op het « document dat een effectief verblijf bewijst ». De minister noemde bankdocumenten als voorbeeld. Geldt dit ook voor andere instellingen, zoals verzekeringsmaatschappijen ?

De minister bevestigt dat bankdocumenten bewijskracht hebben omdat een bank een gecontroleerde instelling is. Verzekeringsdocumenten kunnen ook in overweging worden genomen.

Een lid vraagt duidelijkheid in verband met het begrip « instelling » zoals gebruikt in artikel 9, 1º. De betrokkene kan bijvoorbeeld vrijwilligerswerk doen, zoals zieken bezoeken voor een OCMW of een parochie. Kan een getuigschrift van die parochie, dat OCMW of een andere vereniging gelden als bewijsstuk ?

De minister antwoordt ontkennend. Het moet een officieel documenten zijn dat uitgaat van een gecontroleerde instelling.

Het lid is het niet eens met de minister en meent dat de NGO's bijvoorbeeld wel erkende, gesubsidieerde instellingen zijn. Hoe dan ook, zij heeft nog een andere vraag in verband met de interpretatie van artikel 9 in zijn geheel. Dit is een zeer onduidelijke bepaling. Zij veronderstelt dat het tweede lid geen uitzondering op het eerste lid inhoudt, maar zou hier graag zeker van zijn.

De minister legt uit dat het tweede en derde lid verklaren wat men al dan niet als een wettelijk verblijf mag beschouwen. Zo wil men bijvoorbeeld voorkomen dat iemand die het land is binnengekomen met een toeristenvisum, gebruik kan maken van de regularisatieprocedure. In het laaste lid vindt men als positieve criteria de humanitaire redenen en de duurzame sociale bindingen die reeds ter sprake zijn gekomen.

Een lid verzet zich tegen het feit dat de NGO's geen geldige bewijzen van verblijf kunnen leveren. Hier zijn de NGO's het slachtoffer van, aangezien men ze inschakelt wanneer men ze nodig heeft maar ze niet als geloofwaardig beschouwt wanneer het erom gaat te bewijzen dat iemand hier verblijft. Er zullen inderdaad vertegenwoordigers van NGO's in de Commissie voor regularisatie zitten, maar zij zullen er in de minderheid zijn. Het lid vraagt ook welke NGO's reeds aanvaard hebben deel uit te maken van de commissie.

De minister antwoordt dat hijzelf en de regering het niet met het lid eens zijn. Hij weet bovendien nog niet welke NGO's in de commissie zullen zitten aangezien de wet nog niet eens is goedgekeurd.

Op de vraag van een lid met betrekking tot de documenten die als bewijsstuk zullen worden aanvaard, antwoordt de minister dat er te goeder trouw zal worden tewerk gegaan. Alle nuttige documenten die kunnen worden voorgelegd, zullen in aanmerking worden genomen. Hij merkt echter op dat hoe meer concrete vragen de senatoren stellen, hoe groter het gevaar wordt dat de antwoorden de marge voor interpretatie van de regularisatiecommissie vernauwen. De antwoorden maken de interpretatie immers restrictiever, omdat de minister zonder de houvast van een reëel individueel dossier voorzichtig dient te blijven.

De dames de Bethune, Thijs en De Schamphelaere dienen een amendement in (amendement nr. 70), strekkende tot weglating van het artikel ingevolge amendement nr. 62.

De heer Verreycken c.s. dient een amendement in (amendement nr. 30), strekkende tot een betere omschrijving van de notie « ernstige ziekte ». De heer Verreycken verwijst naar de verantwoording bij zijn amendement.

De heer Dallemagne en mevrouw Nyssens dienen een subsidiair amendement (amendement nr. 59) op amendement nr. 56 in, dat de tekst door middel van een technische correctie wil verduidelijken. Een van de indieners meent, zoals de minister pas verklaard heeft, dat men moet vermijden dat de gebruikte begrippen een te precieze inhoud krijgen, want het is wenselijk dat de commissie over een ruime interpretatiebevoegdheid beschikt en een zo open mogelijke jurisprudentie kan ontwikkelen. Daarom stelt zij voor in artikel 9, 9º, de woorden « en/of » te vervangen door het woord « of ».

De heer Dallemagne et mevrouw Nyssens dienen een tweede amendement (amendement nr. 78) in op amendement nr. 56, dat ertoe strekt attesten uitgaande van NGO's te doen aanvaarden als officiële attesten, zelfs indien deze volgens de wet geen officiële bewijswaarde bezitten.

Een senator merkt op dat het amendement nr. 59 geen zin heeft, gelet op de formulering van de aanhef van artikel 9 van het ontwerp.

Het amendement nr. 70 wordt ingetrokken ingevolge de verwerping van het amendement nr. 62.

Het amendement nr. 30 wordt verworpen met 13 stemmen tegen 1 stem.

Het amendement nr. 56 wordt verworpen met 10 stemmen tegen 4 stemmen.

Het subsidiair amendement nr. 59 wordt verworpen met 9 stemmen tegen 4 stemmen.

Het subsidiair amendement nr. 78 wordt verworpen met 10 stemmen tegen 4 stemmen.

Artikel 9bis

De heer Verreycken c.s. dienen een amendement in (amendement nr. 31), strekkende tot het instellen van een fiscale gelijkheid tussen vreemdelingen en de Belgen. De heer Verreycken verwijst naar de verantwoording bij zijn amendement.

Het amendement nr. 31 wordt verworpen met 13 stemmen tegen 1 stem.

Artikel 10

De dames de Bethune, Thijs en De Schamphelaere dienen een amendement in (amendement nr. 71), strekkende tot opheffing van dit artikel ingevolge het amendement nr. 62.

Het amendement nr. 71 wordt ingetrokken ingevolge de verwerping van het amendement nr. 62.

Artikel 11

De heer Verreycken c.s. dienen een amendement in (amendement nr. 32), strekkende tot het aanbrengen van een taalkundige verbetering en tot de verbetering van de rechtszekerheid inzake notificatie.

De dames de Bethune, Thijs en De Schamphelaere dienen een amendement in (amendement nr. 72), strekkende tot opheffing van dit artikel ingevolge het amendement nr. 62.

Een lid vraagt waar de betrokkene zich moet aanmelden indien hij niet op de oproeping kan ingaan en zijn afwezigheid kan rechtvaardigen.

De minister antwoordt dat hij zich voor de commissie moet aanmelden.

Het amendement nr. 32 wordt verworpen met 13 stemmen tegen 1 stem.

Het amendement nr. 72 wordt ingetrokken ingevolge de verwerping van het amendement nr. 62.

Artikel 12

De heer Verreycken c.s. dienen een amendement (amendement nr. 48) in. De heer Verreycken verwijst naar de verantwoording bij zijn amendement. Het gaat om opnieuw een louter taalkundige aanpassing van de tekst van het wetsontwerp. Het woord « overzenden » bestaat niet in het Nederlands. Spreker is van oordeel dat de volledige tekst van het wetsontwerp voor een grondig advies aan de taaldienst van de Senaat dient te worden voorgelegd.

De heer Dallemagne en mevrouw Nyssens dienen een amendement (amendement nr. 57) in dat moet voorkomen dat de ontvankelijkheid van de aanvragen beoordeeld wordt door het secretariaat van de Commissie voor regularisatie. Wanneer het secretariaat vaststelt dat een dossier onvolledig is, wordt de aanvrager hiervan op de hoogte gebracht.

De dames de Bethune, Thijs en De Schamphelaere dienen een amendement in (amendement nr. 73), strekkende tot opheffing van dit artikel ingevolge het amendement nr. 62.

De heer Verreycken c.s. dienen een amendement in (amendement nr. 33), strekkende tot het beperken van de bevoegdheid van de secretaris tot ongunstige adviezen. Voor de toelichting verwijst een van de mede-indieners naar de verantwoording bij dit amendement.

Een senator vraagt of, in de gevallen die niet worden vermeld in artikel 12, de procedure op tegenspraak al dan niet van toepassing is.

De minister antwoordt dat er geen andere gevallen bestaan dan die welke in artikel 12 vermeld zijn.

Amendement nr. 48 wordt ingetrokken.

Amendement nr. 57 wordt verworpen met 10 stemmen tegen 4 stemmen.

Amendement nr. 73 wordt ingetrokken ingevolge de verwerping van amendement nr. 62.

Amendement nr. 33 wordt verworpen met 13 stemmen tegen 1 stem.

Artikel 12bis (nieuw)

De heer Verreycken c.s. dienen een amendement in, strekkende tot invoeging van een nieuw artikel 12bis (amendement nr. 34), strekkende tot het opleggen van een termijn aan de minister om tot een besluit te komen. De heer Verreycken verwijst naar de verantwoording bij zijn amendement.

Amendement nr. 34 wordt verworpen met 13 stemmen tegen 1 stem.

Artikel 13

De dames de Bethune, Thijs en De Schamphelaere dienen een amendement in (amendement nr. 74), strekkende tot opheffing van dit artikel ingevolge amendement nr. 62.

Amendement nr. 74 wordt ingetrokken ten gevolge van de verwerping van amendement nr. 62.

Artikel 14

De heer Verreycken c.s. dienen een amendement in (amendement nr. 35), strekkende tot het ontzeggen van enig materieel voordeel aan de aanvrager in afwachting van een beslissing.

De heer Verreycken c.s. dienen een amendement in (amendement nr. 49). De heer Verreycken verwijst naar de verantwoording bij zijn amendement. Het gaat andermaal om tekstcorrecties in de Nederlandse tekst. « Materieel overgaan tot » bestaat niet in het Nederlands. Bedoeld wordt hier het woord « daadwerkelijk ». Indien deze verbetering als taalcorrectie kan worden aangebracht, dan is de indiener bereid zijn amendement in te trekken. Spreker verbaast zich over de bijzonder slechte kwaliteit van het Nederlands in het ontwerp.

De heer Dallemagne et mevrouw Nyssens dienen een amendement in (amendement nr. 58) dat ertoe strekt de bevoegdheid van de secretarissen te beperken zoals voorgesteld in amendement nr. 57. Zij verwijzen naar de verantwoording bij amendement nr. 57.

De dames de Bethune, Thijs en De Schamphelaere dienen een amendement in (amendement nr. 75), strekkende tot opheffing van dit artikel ingevolge amendement nr. 62.

Een lid vraagt de minister om het woord « materieel » toe te lichten.

De minister antwoordt dat dit artikel geen juridische impact heeft op het bevel om het grondgebied te verlaten. De juridische situatie van de aanvrager verandert niet.

Amendement nr. 35 wordt ingetrokken.

Amendement nr. 49 wordt verworpen met 11 stemmen tegen 4 stemmen.

Amendement nr. 58 wordt verworpen met 11 stemmen tegen 4 stemmen.

Amendement nr. 75 wordt ingetrokken ingevolge de verwerping van amendement nr. 62.

Artikel 15

De heer Verreycken c.s. dienen een amendement in (amendement nr. 50), strekkende tot het aanbrengen van taalkundige correcties in dit artikel.

De heer Dallemagne en mevrouw Nyssens dienen een amendement in (amendement nr. 61) dat ertoe strekt te bepalen op welke wijze het dossier aan de commissie wordt overgezonden en die overzending aan de aanvrager wordt meegedeeld.

De dames de Bethune, Thijs en De Schamphelaere dienen een amendement in (amendement nr. 76), strekkende tot opheffing van het artikel ingevolge dit amendement nr. 62.

De minister legt uit dat al wie vroeger een aanvraag overeenkomstig artikel 9 van de wet van 15 december 1980 heeft ingediend, geïnformeerd zal worden en de mogelijkheid zal hebben om te reageren.

Een lid vraagt of die personen alleen ingelicht zullen worden op de dag van de bekendmaking van de wet in het Belgisch Staatsblad of vroeger.

De minister antwoordt dat zij zullen worden ingelicht zodra de wet door de Koning is ondertekend.

Amendement nr. 50 wordt verworpen met 14 stemmen tegen 1 stem.

Amendement nr. 61 wordt verworpen met 11 stemmen tegen 4 stemmen.

Amendement nr. 76 wordt ingetrokken ingevolge de verwerping van amendement nr. 62.

Artikel 16

De dames de Bethune, Thijs en De Schamphelaere dienen een amendement in (amendement nr. 77), strekkende tot opheffing van dit artikel ingevolge het amendement nr. 62.

De heer Verreycken c.s. dienen een amendement in (amendement nr. 51), strekkende tot het aanbrengen van louter taalkundige correcties in dit artikel.

De hoofdindiener van het amendement is bereid zijn amendement in te trekken zo de commissie deze wijzigingen als loutere tekstcorrecties aanvaardt.

De commissie gaat niet in op deze suggestie en verwerpt het amendement met 14 stemmen tegen 1 stem.

De indiener van het amendement betreurt het feit dat, meer dan 100 jaar na de wet die in de gelijkheid voorziet tussen de Nederlandse en Franse tekst van wetten, nog steeds wetten worden voorgelegd aan de Senaat die een aanfluiting zijn van de taal van de meer dan zes miljoen Nederlandssprekenden in dit land.

Amendement nr. 77 wordt ingetrokken ingevolge de verwerping van amendement nr. 62.

Met betrekking tot de eventuele samenloop van de twee in de artikelen 2 en 15 bepaalde procedures huldigt een lid de opvatting dat gedurende de periode van drie weken (artikel 4) binnen welke de aanvraag tot regularisatie moet worden ingediend, de klassieke in artikel 9, derde lid, van de vreemdelingenwet bedoelde aanvraag nog aanhangig kan worden gemaakt. Artikel 16 houdt echter in dat de indiening van de aanvraag tot regularisatie de klassieke weg via de vreemdelingenwet afsluit en vice-versa. De betrokken vreemdeling moet derhalve een keuze maken. Is deze zienswijze correct ?

Een tweede vraag betreft de commissie voor regularisatie die weinig efficiënt zou functioneren. Aangezien deze commissie na het verstrijken van de bovenvermelde termijn van drie weken de in artikel 9, derde lid, van de vreemdelingenwet bedoelde aanvragen verder zal dienen te behandelen, wenst spreekster te weten welke maatregelen de minister overweegt om de werking van deze instelling te verbeteren.

De minister antwoordt dat de nieuwe commissie alle aanvragen zal onderzoeken. De procedure die is ingesteld met het oog op de toepassing van artikel 9, derde lid, van de vreemdelingenwet, blijft evenwel ongewijzigd.

Artikel 16bis (nieuw)

De heer Verreycken c.s. dienen amendement nr. 36 in houdende invoeging van een artikel 16bis (nieuw) krachtens hetwelk uitsluitend overheidsdocumenten tot staving van de regularisatieaanvraag mogen worden overgelegd.

Een van de mede-indieners verklaart dat dit amendement zijn verantwoording vindt in het feit dat het wetsontwerp niet bepaalt aan de hand van welke stukken de door het wetsontwerp vereiste verblijfsduur dient te worden bewezen. Een dergelijke lacune werkt misbruik in de hand. De minister geeft trouwens zelf toe dat documentenfraude frequent voorkomt in kringen van illegalen. Het is immers een koud kunstje om allerlei niet-officiële documenten van privé-organisaties te antidateren om de vereiste verblijfsduur te bewijzen.

In dat verband hekelt spreker het fanatisme en de gewetenloosheid van bepaalde organisaties, zoals het Collectief open grenzen, die actief hun medewerking zullen verlenen aan het fabriceren en vervalsen van documenten. Een dergelijke houding van hunnentwege is niet verwonderlijk aangezien zij het voorliggende wetsontwerp te weinig verregaand achten. Zij rekenen het dan ook tot hun humanitaire plicht de illegalen op elke mogelijk denkbare wijze te helpen.

Gelet op de geringe betrouwbaarheid van de documenten die door deze organisaties worden afgeleverd, is het voor de Commissie voor regularisatie onbegonnen werk ze allemaal op hun waarheidsgetrouwheid te onderzoeken. Daarom stelt het amendement voor dat alleen stukken afgeleverd door de overheid als bewijsmiddel mogen worden aangewend.

Dit amendement wordt verworpen met 14 stemmen tegen 1.

Artikel 16ter (nieuw)

De heer Verreycken c.s. dienen amendement nr. 38 in houdende invoeging van een artikel 16ter (nieuw) dat strekt tot de wijziging van artikel 1 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof (Stuk Senaat, nr. 2-202/2) (cf. amendement nr. 37 op artikel 1). Voor de toelichting kan naar de verantwoording van dit amendement worden verwezen.

Amendement nr. 38 wordt verworpen met 14 stemmen tegen 1.

Artikel 16quater (nieuw)

De heer Verreycken c.s. dienen amendement nr. 39 in houdende invoeging van een artikel 16quater (nieuw) betreffende de datum van inwerkingtreding van de krachtens deze wet toegekende regularisatie. Voor de toelichting kan naar de verantwoording van dit amendement worden verwezen.

Amendement nr. 39 wordt verworpen met 14 stemmen tegen 1.

Artikel 16quinquies (nieuw)

De heer Verreycken c.s. dienen amendement nr. 40 in houdende invoeging van een artikel 16quinquies (nieuw) waarin wordt bepaald dat de regularisatie op grond van deze wet op generlei wijze amnestie, uitwissing van veroordeling, herstel in eer en rechten of verval van de strafvordering tot gevolg heeft, behalve in het laatste geval, wat betreft het onwettig verblijf in het land.

De hoofdindiener van het amendement neemt aan dat allen die zich in een ander dossier tegen de door zijn partij bepleite amnestie verzetten, dit amendement zullen goedkeuren. Het bepaalt immers dat er geen amnestie wordt verleend aan degenen die op grond van deze wet zullen worden geregulariseerd.

Dit amendement wordt verworpen met 14 stemmen tegen 1.

Artikel 16sexies (nieuw)

De heer Verreycken c.s. dienen amendement nr. 41 in houdende invoeging van een artikel 16sexies (nieuw) dat in de mogelijkheid voorziet om de regularisatie in te trekken wanneer binnen een termijn van tien jaar na de regularisatie de vreemdeling een gevaar blijkt te zijn voor de openbare orde of voor de veiligheid van de burgers.

Voor de ratio van deze bepaling verwijst de hoofdindiener naar de verantwoording van het amendement.

Amendement nr. 41 wordt verworpen met 14 stemmen tegen 1.

Artikel 16septies (nieuw)

De heer Verreycken c.s. dienen amendement nr. 42 in houdende invoeging van een artikel 16septies (nieuw) dat in de mogelijkheid voorziet om de regularisatie van rechtswege in te trekken ingeval de vreemdeling binnen een termijn van tien jaar na de regularisatie wordt veroordeeld tot een correctionele hoofdgevangenisstraf van drie maanden of tot een zwaardere straf.

Een van de mede-indieners wijst erop dat dit amendement net zoals amendement nr. 41 een afschrikmiddel vormt voor de geregulariseerde illegalen die er zich van bewust moeten zijn dat ze het voordeel van de regularisatie alsnog kunnen verliezen.

Amendement nr. 42 wordt verworpen met 14 stemmen tegen 1.

Artikel 16octies (nieuw)

De heer Verreycken c.s. dienen amendement nr. 43 in houdende invoeging van een artikel 16octies (nieuw) dat de aansprakelijkstelling invoert van al degenen die een vreemdeling hebben geholpen om een regularisatie te verkrijgen waartoe hij niet gerechtigd was, en dit voor de schade die de publieke sector door deze regularisatie heeft geleden.

Dit amendement wordt verworpen met 14 stemmen tegen 1.

Artikel 17

De heer Verreycken c.s. dienen amendement nr. 44 in houdende de verplichting tot het houden van een bindend referendum over het al dan niet in werking treden van de regularisatiewet.

Onder verwijzing naar de verantwoording van het amendement, verklaart een van de mede-indieners dat de VLD het thans als belangrijkste regeringspartij aan zichzelf verplicht is om het bewijs te leveren dat zij het meent met een van de paradepaardjes van haar programma, namelijk het referendum als perfecte uiting van de burgerdemocratie. Het onderhavige wetsontwerp biedt deze partij een uitgelezen kans om het partijprogramma in praktijk te brengen : het gaat om een onderwerp van groot maatschappelijk belang waarover in ons land geen consensus bestaat.

Amendement nr. 44 wordt verworpen met 14 stemmen tegen 1.

De heer Verreycken c.s. dienen amendement nr. 45 in krachtens hetwelk de wet in werking treedt de tiende dag na die van haar bekendmaking in het Belgisch Staatsblad . Voor de toelichting kan naar de verantwoording van dit amendement worden verwezen.

Amendement nr. 45 wordt verworpen met 14 stemmen tegen 1.

Artikel 18 (nieuw)

De heer Verreycken c.s. dienen amendement nr. 46 in houdende invoeging van een artikel 18 (nieuw) volgens hetwelk de wet ophoudt van kracht te zijn ingeval zij gedeeltelijk wordt vernietigd door het Arbitragehof (cf. amendement nr. 38 houdende invoeging van een artikel 16sexies ).

Dit amendement wordt verworpen met 14 stemmen tegen 1.

Artikel 19 (nieuw)

De heer Verreycken c.s. dienen amendement nr. 47 in houdende invoeging van een artikel 19 (nieuw) dat de minister ertoe verplicht de Kamers om de drie maanden te informeren over de toepassing van de wet.

Dit amendement wordt verworpen met 14 stemmen tegen 1.

STEMMING OVER HET GEHEEL

Het wetsontwerp wordt in zijn geheel aangenomen met 10 stemmen tegen 3, bij 2 onthoudingen.

Dit verslag is eenparig goedgekeurd door de 11 aanwezige leden.

De rapporteur, De voorzitster,
Marie NAGY. Anne-Marie LIZIN.