2-99/1 | 2-99/1 |
7 OKTOBER 1999
Vóór de goedkeuring van de wet van 30 december 1975 waren de gemeenten verplicht gevonden of door hun eigenaars op de openbare weg achtergelaten voorwerpen gedurende 30 jaar te bewaren.
Begrijpelijkerwijs bracht dit problemen mee voor de gemeenten die verplicht waren deze goederen al die tijd te bewaren en op te slaan.
De wet van 30 december 1975 heeft die termijn teruggebracht tot zes maanden.
Zij bepaalt dat de gemeenten bij het verstrijken van die termijn eigenaar worden van deze goederen en er dus naar goeddunken over kunnen beschikken bijvoorbeeld verkopen zonder voorwerp te zijn van enigerlei kritiek.
De wet voorziet in dezelfde maatregelen voor de goederen die op de openbare weg worden geplaatst ter uitvoering van vonnissen tot uitzetting. Deze goederen worden opgehaald en bewaard door de gemeenten indien de eigenaars ze op de openbare weg achterlaten.
De uitgezette personen beschikken, nadat de goederen zijn weggehaald, ook over een termijn van zes maanden om ze te komen afhalen. Na het verstrijken van die termijn zijn zij er geen eigenaar meer van.
In aanmerking nemend de omvang van het woningprobleem in sommige streken van ons land en de kosten voor meubelbewaring die al snel de waarde van de meubelen overtreffen, wordt duidelijk in welke mate de armsten, de steeds talrijker wordende uitgestotenen van onze maatschappij, getroffen worden door deze problemen die twee grondrechten raken, namelijk het recht op een woning en het eigendomsrecht.
De huidige bepalingen moeten dus worden aangepast zodat ze wat menselijker en minder harteloos worden.
Die bepalingen zijn des te schokkender wanneer de uitgezette persoon een gevangenisstraf uitzit zonder dat hij gedood of gestolen heeft. De eigenaar van de weggehaalde goederen is bekend, maar verkeert vaak in de onmogelijkheid om te voldoen aan de eisen van de wet en de betreffende goederen af te halen vóór de noodlottige vervaldag.
Ook verkoop van de goederen, om de opbrengst ervan te verkrijgen, is dan moeilijk.
Bovendien is hij, ook in geval van verkoop, zijn meubels kwijt en moet hij eigenlijk alles opnieuw kopen, tegen een prijs die zijn middelen wellicht te boven gaat.
Doet hij echter niets, wat het meest waarschijnlijk is en hoeft het te worden herhaald het meest voorkomt, dan verwerft de gemeente de goederen.
Wanneer hij uit de gevangenis komt en zijn schuld ten opzichte van de maatschappij heeft afgelost, wordt de veroordeelde een tweede keer gestraft door een bijzondere vorm van verbeurdverklaring van zijn goederen. In die omstandigheden kan men nog moeilijk spreken van enige vorm van reclasseringsbeleid.
Zijn dergelijke procedures waardoor veelal reeds kansarme mensen nog wat dieper in de armoede worden gestort, nog wel toelaatbaar, nu men de mond vol heeft over de strijd tegen de sociale uitstoting ?
Het is onmogelijk ongevoelig te blijven voor toestanden die op volstrekt legale wijze de vierde wereld van ons land treffen.
Ook in andere situaties zijn soortgelijke gevolgen mogelijk.
Denken wij bijvoorbeeld aan alleenstaanden die lang in het ziekenhuis dan wel in een gespecialiseerde instelling voor psychische of medisch-sociale verzorging verblijven.
Dit probleem verdient dus bijzondere aandacht en er moeten meer aangepaste maatregelen worden genomen ter bescherming van de kansarmen.
Veeleer dan de opzet van de wet van 30 december 1975 te wijzigen, wil dit voorstel die wet lichtjes aanpassen door de termijn gedurende welke de goederen door de gemeenten worden bewaard, te verlengen van 6 maanden tot 24 maanden bij uitzetting, en door een bijzondere regeling in te stellen in geval van gevangenisstraf of opneming.
Artikel 1
Dit wetsvoorstel regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Artikel 2
1. De problematiek van de goederen die voorwerp zijn van een uitzettingsmaatregel, dient afzonderlijk te worden behandeld.
Voor het overige blijven de huidige bepalingen onverkort gelden.
2. Wij behandelen hier de goederen die op de openbare weg worden geplaatst en daar worden achtergelaten ten gevolge van een vonnis tot uitzetting.
Wij menen dat de persoon, man of vrouw, die geen woning meer heeft, de kosten van meubelbewaring niet kan betalen en dat de termijn gedurende welke de gemeente de goederen bewaart (zes maanden), te kort is. Er dient dus een langere termijn van twee jaar te worden ingesteld. Deze termijn is vier keer langer dan de huidige, maar slechts een vijftiende van de termijn die van kracht was vóór de inwerkingtreding van de wet van 1975. De nieuwe termijn wijzigt de opzet van de wet niet, maar past die aan de nieuwe sociale omstandigheden aan.
Artikelen 3 en 4
Bijzondere aandacht dient te worden besteed aan de uitzetting die gepaard gaat met gevangenisstraf of opneming. Onze moraal mag niet worden aangetast door de toepassing van wettelijke bepalingen. De maatschappij zelf die de straf heeft opgelegd, mag de veroordeelde geen tweede keer straffen.
Wie om gezondheidsredenen in een instelling verblijft, mag daarvan evenmin bijkomende nadelen ondervinden. Indien de betrokkene niet binnen twee jaar heeft gereageerd op de procedure omschreven in de wet (art. 3), kan de verkoop worden toegestaan.
De gemeente zal de bedragen evenwel bewaren tot een einde komt aan het verblijf in een strafinrichting of in een instelling voor psychische of medisch-sociale verzorging.
Zij zal de goederen of de opbrengst van de verkoop moeten bezorgen aan de betrokkene die, te rekenen van zijn vrijlating of het einde van zijn verblijf in een instelling, slechts over een maand zal beschikken om er bezit van te nemen (art. 4).
| Jean-François ISTASSE. Philippe MAHOUX. |
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Art. 2
In artikel 2 van de wet van 30 december 1975 betreffende de goederen, buiten particuliere eigendommen gevonden of op de openbare weg geplaatst ter uitvoering van vonnissen tot uitzetting, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1º In het tweede lid vervallen de woorden « alsmede de goederen op de openbare weg geplaatst ter uitvoering van vonnissen tot uitzetting, en die zij, na achterlating door hun eigenaar, hebben moeten wegnemen om een einde te maken aan de belemmering van de openbare weg ».
2º Tussen het tweede en het derde lid wordt het volgende lid ingevoegd :
« De goederen op de openbare weg geplaatst ter uitvoering van vonnissen tot uitzetting, en daar achtergelaten door hun eigenaar, worden door de gemeentebesturen weggehaald en bewaard gedurende ten minste 24 maanden te rekenen van de dag waarop zij zijn weggehaald. »
Art. 3
Artikel 4, eerste lid, van dezelfde wet wordt aangevuld als volgt :
« In de in artikel 4bis beoogde gevallen worden de niet-opgeëiste goederen na het verstrijken van de in artikel 2 vastgestelde termijnen ter beschikking gesteld van de burgemeester. »
Art. 4
In dezelfde wet wordt een artikel 4bis ingevoegd, luidende :
« Art. 4 bis. Vloeit de weghaling voort uit een uitzetting die voorafgegaan werd door, gepaard ging met of gevolgd werd door een effectief uitgezeten gevangenisstraf of door een verblijf in een instelling, dan worden de goederen die werden weggehaald of de opbrengst van de verkoop waartoe in voorkomend geval werd overgegaan overeenkomstig de bepalingen van deze wet, bewaard door het gemeentebestuur tot een einde komt aan de gevangenisstraf of aan het verblijf in een instelling.
Vanaf die datum beschikt de betrokkene over een termijn van één maand om die goederen of de opbrengst van de verkoop van die goederen af te halen.
Zodra deze termijn is verstreken, worden die goederen of dat bedrag eigendom van de gemeente. »
| Jean-François ISTASSE. Philippe MAHOUX. |
(1) Dit wetsvoorstel werd reeds in de Senaat ingediend op 21 september 1995, onder het nummer 1-109/1 - (BZ 1995).