Vragen en Antwoorden

Belgische Senaat


Bulletin 1-99

ZITTING 1998-1999

Vragen van de Senatoren en antwoorden van de Ministers

(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans


Minister van Justitie

Vraag nr. 239 van de heer Olivier d.d. 10 januari 1997 (N.) :
Medisch beroepsgeheim versus meldingsplicht.

De reële cijfers inzake kindermishandeling in ons land (ongeveer 1 op 8 Belgische gezinnen) staan in schril contrast met de « amper » 4 000 aanmeldingen van mishandeling aan de centra « Kind in nood ». Deze kloof tussen het reëel aantal mishandelingen en het aantal effectieve meldingen is te wijten aan de rechtsonzekerheid die heerst omtrent de meldingsplicht ingesteld bij artikel 20 van het koninklijk besluit van 31 mei 1985 enerzijds en het beroepsgeheim ingesteld bij artikel 458 van het Strafwetboek anderzijds.

Artikel 20 van het koninklijk besluit stelt dat feiten die aanleiding kunnen geven tot een strafrechtelijk opsporingsonderzoek, kenbaar moeten worden gemaakt aan de overheid. De niet-naleving van dat artikel wordt echter niet gesanctioneerd.

Artikel 458 van het Strafwetboek bepaalt : « Geneesheren, heelkundigen, officieren van gezondheid, apothekers, vroedvrouwen en alle andere personen die uit hoofde van hun staat of beroep kennis dragen van geheimen die hun zijn toevertrouwd, en deze bekendmaken buiten het geval dat zij geroepen worden om in rechte getuigenis af te leggen en buiten het geval dat de wet hen verplicht die geheimen bekend te maken, worden gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en met geldboeten van honderd frank tot vijfhonderd frank. » De niet-naleving van dat artikel wordt duidelijk wel gesanctioneerd.

Deze dubbelzinnigheid leidt tot verschillende interpretaties in de rechtspraak en tot een twijfelachtige houding bij huisartsen. Discussies of het wel degelijk om een verplichting dan wel om een meldingsrecht gaat of een omzeiling van het beroepsgeheim door zich te beroepen op een noodtoestand zijn het voorwerp van academische denkpistes en discussies.

Deze dubbelzinnige situatie vraagt om eenduidigheid. Een mogelijke oplossing daartoe kan zijn om de verplichting van het koninklijk besluit afdwingbaar te maken.

Ook kan er worden gedacht aan een uitbreiding van de uitzonderingen op de geheimhoudingsplicht vermeld in artikel 458 van het Strafwetboek.

Graag had ik van de geachte minister een antwoord op volgende vragen :

1. Onderkent de geachte minister dat probleem ? Wat is het standpunt van de geachte minister terzake ?

2. Zijn er omtrent deze problematiek reeds gesprekken gevoerd met afgevaardigden uit de medische wereld ? Wat is het standpunt van de vertrouwensartsencentra terzake ?

3. Werden reeds voorstellen uitgewerkt voor de oplossing van deze problematiek ? Zo ja, welke ?

Antwoord : Hierbij deel ik het geachte lid mee dat een ontwerp van wet betreffende de strafrechtelijke bescherming van minderjarigen op 4 januari 1999 onder nummer 1907 bij de Kamer van volksvertegenwoordigers is ingediend en thans wordt besproken in de commissie voor de Justitie.

Overeenkomstig artikel 24 van het ontwerp wordt aan artikel 458 van het Strafwetboek een lid toegevoegd betreffende de schending van het beroepsgeheim.

Een nieuwe wettelijke uitzondering voorziet erin dat schendingen van het beroepsgeheim niet langer strafrechtelijk worden gestraft als ze feiten betreffen waaruit kan worden opgemaakt dat een minderjarige die de volle leeftijd van veertien jaar niet heeft bereikt het slachtoffer is geworden van fysiek geweld of van seksueel misbruik.

De afwijking geldt voor alle betrokken diensten, want diegene die kennis heeft van het geheim moet, op grond van de ernst van de feiten, de psychologische toestand van de minderjarige, de gezinstoestand of andere omstandigheden, bepalen welke persoon het meest geschikt is om in kennis te worden gesteld van de eventuele aangifte.

In de andere gevallen (andere feiten en oudere personen) blijft de huidige rechtspraak inzake noodweer natuurlijk gelden.