1-262

1-262

Sénat de Belgique

Belgische Senaat

Annales parlementaires

Parlementaire handelingen

SÉANCES DU JEUDI 22 AVRIL 1999

VERGADERINGEN VAN DONDERDAG 22 APRIL 1999

(Vervolg-Suite)

PROJET DE LOI RELATIVE AUX PRATIQUES NON CONVENTIONELLES DANS LES DOMAINES DE L'ART MÉDICAL, DE L'ART PHARMACEUTIQUE, DE LA KINÉSITHÉRAPIE, DE L'ART INFIRMIER ET DES PROFESSIONS PARAMÉDICALES (ÉVOCATION)

Discussion générale

(Article 60 du Règlement)

De voorzitter. ­ We vatten de bespreking aan van het wetsontwerp.

Nous abordons l'examen du projet de loi.

Volgens het Reglement geldt de door de commissie aangenomen tekst als basis voor de bespreking. (Zie gedrukt stuk nr. 1-1310/4 van de commissie voor de Sociale Aangelegenheden van de Senaat. Zitting 1998/1999.)

Conformément à notre Règlement, le texte adopté par la commission servira de base à notre discussion. (Voir document nº 1-1310/4 de la commission des Affaires sociales du Sénat. Session 1998/1999.)

De algemene bespreking is geopend.

La discussion générale est ouverte.

Mevrouw Cantillon, rapporteur, verwijst naar het verslag.

Het woord is aan mevrouw Nelis.

Mevrouw Nelis-Van Liedekerke (VLD). ­ Mijnheer de voorzitter, ik wens mijn uiteenzetting te houden in aanwezigheid van de minister.

De voorzitter. ­ Ik stel voor de vergadering te schorsen tot de minister aanwezig is. (Instemming.)

De vergadering is geschorst.

La séance est suspendue.

­ De vergadering wordt geschorst om 10.25 uur.

La séance est suspendue à 10 h 25.

Ze wordt hervat om 10.40 uur.

Elle est reprise à 10 h 40.

De voorzitter. ­ De vergadering is hervat.

La séance est reprise.

Het woord is aan mevrouw Nelis.

Mevrouw Nelis-Van Liedekerke (VLD). ­ Mijnheer de voorzitter, misschien heb ik de minister een beetje op stang gejaagd door zijn aanwezigheid op te eisen, maar ik meen dat het normaal is dat hij aanwezig is bij de bespreking van zijn wetsontwerp.

Dit wetsontwerp voorziet in een wettelijke regeling voor de zogenoemde « alternatieve » geneeskunde. Het is een eerste poging van de overheid om een reglementering voor de niet-conventionele geneeskunde tot stand te brengen. Dat vinden we positief. Het betreft hier specifiek de geneeswijzen homeophatie, acupunctuur, chiropraxie en osteopathie.

De jongste jaren doen steeds meer mensen een beroep op deze vormen van geneeskundebeoefening. Niettegenstaande er in de medische en academische wereld verzet bestaat tegen deze geneeswijzen omdat het nut en de werking niet steeds duidelijk wetenschappelijk kunnen worden bewezen, meent de VLD dat een wettelijk kader ter bescherming van de patiënt niet langer kan uitblijven. We moeten immers vaststellen dat vele burgers bewust kiezen voor deze geneeswijzen en er klaarblijkelijk ook baat bij vinden.

Voor de VLD is de vrije keuze van therapie het uitgangspunt. De burger moet zelfstandig en in alle vrijheid een beslissing kunnen nemen omtrent de keuze van de behandeling. Dat is essentieel. De overheid heeft dan de verantwoordelijkheid te zorgen voor minimale kwaliteitsvereisten voor de beoefenaars van niet-conventionele praktijken. De burger heeft immers recht op een deskundige verzorging. De veiligheid van de patiënt en het waarborgen van voldoende kennis en vaardigheden van de beoefenaars van deze behandelingswijzen, moeten centraal staan.

De VLD is enerzijds verheugd dat er eindelijk een wettelijke regeling komt voor de niet-conventionele geneeskundige praktijken, maar anderzijds vinden we dat de kwaliteitsgaranties voor de patiënten in dit wetsontwerp onvoldoende tot uiting komen.

We stellen bovendien vragen bij het in artikel 9 opgenomen zorgvuldigheidsbeginsel inzake de verantwoordelijkheid van de verstrekkers. Daarin wordt gestipuleerd dat elke beoefenaar van een niet-conventionele praktijk wordt verondersteld « alle voorzorgen » te nemen om te voorkomen dat zijn patiënt een conventionele behandeling wordt ontzegd. De bepaling « alle voorzorgen » is volgens ons niet voldoende precies en inhoudelijk te onduidelijk om de juridische basis te kunnen vormen waarop een beoefenaar van een geregistreerde niet-conventionele praktijk later eventueel ter verantwoording kan worden geroepen.

Vragen hebben we ook bij de strafbepalingen van het ontwerp. We pleiten ervoor de gevangenisstraf te schrappen als straf voor de overtredingen van de bepalingen van artikel 11. Zijn die overtredingen zo verwerpelijk dat ze een straf verantwoorden die fundamenteel ingrijpt op het individu, namelijk het beroven van zijn vrijheid ? In deze discussie horen we vaak het argument dat deze zware straffen uiteindelijk toch niet zullen worden opgelegd. Volgens ons toont dit echter in de eerste plaats aan dat het hoogst inopportuun is dergelijke bepalingen te pas en te onpas in wetteksten op te nemen.

De VLD-fractie is van mening dat de registratie van niet-conventionele praktijken er niet mag toe leiden dat deze prestaties in een nabije toekomst door het RIZIV zullen worden terugbetaald. De terugbetaling van andere behandelingswijzen in ons gezondheidssysteem, waarvan de degelijkheid wel wetenschappelijk en onomstootbaar bewezen is, dient zeker prioriteit te krijgen.

De VLD-fractie zal zich bij de stemming over dit wetsontwerp onthouden.

M. le président. ­ La parole est à Mme Delcourt.

Mme Delcourt-Pêtre (PSC). ­ Monsieur le président, le projet de loi que nous sommes appelés à voter répond à un souci légitime de donner aux patients des garanties en matière de qualité de soins en cas de recours à des pratiques de médecine non conventionnelles.

Sachant qu'une partie non négligeable de la population fait appel à ces pratiques de médecine non conventionnelles, il s'imposait de créer à tout le moins un cadre procédural permettant d'encadrer légalement celles-ci dans l'intérêt du patient.

Le projet ne fixe pas, en tant que tel, les conditions de reconnaissance ou d'enregistrement de telle ou telle pratique de médecine non conventionnelle. Il prévoit une structure et une procédure qui peuvent mener à l'enregistrement de pratiques non conventionelles et de praticiens individuels de ces pratiques.

La procédure instaurée me paraît de nature à assurer au patient les conditions de qualité maximale nécessaires à l'exercice de pratiques de médecine non conventionnelles, qui seront fixées à la suite de l'avis de la commission paritaire instaurée par le projet de loi.

L'instauration d'une commission paritaire et des chambres composées d'un nombre égal de médecins désignés par les facultés de médecine et de représentants des pratiques non conventionnelles, nommés par le Roi, ainsi que l'obligation imposée au ministre, qui prendrait un arrêté royal délibéré en Conseil des ministres sans tenir compte de l'avis de la commission paritaire, de motiver son attitude, me paraissent constituer des garanties nécessaires pour que les décisions soient prises avec tout le sérieux qui s'impose dans l'intérêt du patient et avec la participation de tous les intéressés. Il est évident que pour un certain nombre de pratiques, le diplôme de médecin sera le préalable requis.

Une garantie supplémentaire est, en outre, offerte par l'article 4 du projet qui prévoit que les arrêtés pris en exécution des articles 2 et 3 règlent les procédures de création de nouvelles chambres, d'adoption des conditions générales applicables à l'exercice de toutes les pratiques non conventionnelles et la procédure d'enregistrement des pratiques non conventionnelles et d'enregistrement individuel des praticiens, devront être soumis au Parlement et ne pourront produire leurs effets que lorsqu'ils auront été confirmés par la loi dans un délai de six mois suivant leur publication au Moniteur belge .

En commission de la Santé publique de la Chambre, le ministre a expressément souligné que le Parlement pourrait amender le texte de l'arrêté au cours de la procédure de ratification. Il convenait, en effet, de tenir compte de l'observation générale émise initialement par le Conseil d'État, à savoir que le projet de loi en ne déterminant pas quelles pratiques sont enregistrées et en ne précisant pas davantage à quelles conditions doivent répondre les pratiques enregistrées et leurs praticiens, mais en déléguant ces compétences au Roi, portait atteinte aux principes constitutionnels fixant les répartitions de compétences entre le pouvoir législatif et le pouvoir exécutif, lesquels requièrent que le législateur fixe à tout le moins les principes de base dans une matière où il légifère.

L'intervention du législateur et le débat au Parlement paraissent donc nécessaires, d'autant plus que l'intention des auteurs du projet était manifestement de soustraire en principe les pratiques non conventionnelles au champ d'application de l'arrêté royal nº 78, norme ayant force de loi, étant entendu que le Roi pourrait déterminer ultérieurement par arrêté royal les dispositions qui leur seraient applicables.

Or, il s'avère que quelques-unes de ces pratiques dites non conventionnelles, telle que l'acupuncture qui ne peut actuellement être exercée que par une personne titulaire d'un diplôme de docteur en médecine, tombent actuellement sous l'application de l'arrêté royal nº 78. En donnant compétence au Roi pour enregistrer certaines pratiques et fixer les règles qui s'y appliquent, le législateur, en quelque sorte, accorde au Roi le pouvoir de modifier la loi en édictant, notamment, des exceptions à la loi.

Il me paraît donc important de souligner que l'oeuvre ultérieure du législateur sera particulièrement utile au niveau de la clarification entre le présent projet et l'arrêté royal nº 78. Je répète que pour un certain nombre de pratiques, le diplôme de médecin devra continuer à être requis, et je pense notamment à l'acupuncture.

L'article 9, par ailleurs, me paraît constituer un compromis tout à fait équilibré et raisonnable. D'une part, il confirme le rôle central du médecin traditionnel, en ce qu'il instaure l'obligation, pour tout praticien non médecin d'une pratique non conventionnelle, de demander au patient de produire un diagnostic récent relatif à sa plainte, établi par un médecin de son choix. D'autre part, il préserve le principe de la liberté de choix du patient en permettant à celui-ci de consigner par écrit sa volonté de ne pas consulter un médecin préalablement au traitement.

Il me paraît toutefois essentiel de rappeler la nature de cet écrit préalable à l'application du traitement : il ne signifie nullement une décharge du patient à l'égard du praticien non-médecin de pratiques non conventionnelles en cas de problèmes ou de complications liés à l'application ultérieure d'un traitement inadéquat. Les principes de la responsabilité du praticien non-médecin doivent rester intacts. Cette responsabilité ne peut, en aucun cas, être reportée sur le patient. En particulier, cela ne devrait pas dispenser le praticien non-médecin de se déclarer incompétent, à un moment donné du traitement, et de suggérer à son patient de consulter un médecin s'il constate l'inefficacité, voire le caractère néfaste des traitements proposés. À cet égard, l'obligation générale de prudence doit être respectée par le praticien non-médecin.

L'article 9 est, par ailleurs, particulièrement protecteur des droits du patient puisqu'il instaure une obligation de constitution d'un dossier ainsi qu'une possibilité, voire une obligation d'échange d'informations entre le médecin et le praticien non-médecin de pratiques non conventionnelles, toujours avec le consentement du patient.

Il faut souligner que cette démarche remet en cause le secret médical tel qu'il est actuellement pratiqué. Elle demandera donc une interprétation de l'obligation légale du respect du secret médical.

Étant donné les garanties et la procédure prévues par le projet, mon groupe votera en faveur de ce texte. (Applaudissements.)

De voorzitter. ­ Het woord is aan de heer D'Hooghe.

De heer D'Hooghe (CVP). ­ Mijnheer de voorzitter, de CVP-fractie steunt het voorliggende ontwerp. Dit ontwerp inzake de alternatieve geneeswijzen is zeer omstreden. Bij wijze van boutade stelde één van onze collega's in de commissie dat er buiten academici en geneesheren nog ernstige mensen zijn. Deze uitspraak vat goed samen waarom we ons bij dit ontwerp kunnen aansluiten.

Met dit ontwerp conformeren we ons aan de Europese richtlijn van 1992. België heeft destijds een veroordeling opgelopen voor het niet-respecteren van de wettelijke normen inzake homeopatische geneeswijzen.

We stellen vast dat een groot deel van de bevolking een combinatie van de traditionele en de alternatieve geneeswijzen wenst. Er zijn geen exacte cijfers, maar uit Amerikaanse studies blijkt dat de kosten voor alternatieve geneeswijzen in de Verenigde Staten gelijk zijn aan het remgeld dat voor de traditionele geneeswijzen wordt gedragen. Dat betekent dat een groot en steeds toenemend gedeelte van de bevolking die keuzevrijheid wenst. We willen mensen deze vrijheid niet ontnemen.

Dit kaderontwerp bevat een aantal bepalingen die de kwaliteit van de verzorging waarborgen. De uitvoeringsbesluiten zullen er hopelijk voor zorgen dat er een goede coördinatie tot stand komt tussen de geneesheren en de beoefenaars van alternatieve geneeswijzen en dat voor elke discipline van de beoefenaars een minimale opleiding wordt geëist. Het lijkt mij niet wenselijk dat om het even wie zich kan voorstellen als beoefenaar van een bepaalde alternatieve praktijk.

Het voorliggende ontwerp lijkt ons voldoende waarborgen te bieden. De CVP ging niet zomaar akkoord met het ontwerp. We hadden een aantal bedenkingen. Zo was het volgens ons misschien wel beter geweest niet meteen vier kamers op te richten. Daardoor worden sommige disciplines immers benadeeld. De oprichting van vier kamers wekt bij de publieke opinie daarenboven de indruk dat alles zal worden terugbetaald.

We moeten durven zeggen dat dit niet het geval is, omdat de middelen in de gezondheidszorg beperkt zijn en er prioriteiten moeten worden gelegd. Als er gekozen moet worden tussen sommige alternatieve geneeswijzen en bijvoorbeeld de MUG of de toepassing van sommige nieuwe technologieën, dan is de keuze vlug gemaakt. Omdat we niet de indruk willen wekken dat alles zal worden terugbetaald, hadden we de tekst graag aangepast gezien. Maar aangezien we met het voorliggend ontwerp een aanzienlijke stap doen in de richting van de meeste Europese landen en de alternatieve geneeswijzen hiermee in een wettelijke kader worden geplaatst, zal de CVP-fractie dit ontwerp, dat de keuzevrijheid van de patiënt waarborgt, steunen.

Tijdens de bespreking in de commissie hebben we het er met de minister over gehad dat in de uitvoeringsbesluiten stringente maatregelen betreffende de kwaliteitsbewaking moeten kunnen worden ingeschreven. Ook zijn we met de minister overeengekomen om de samenstelling van wat nu de paritaire commissie wordt genoemd, bij het begin van de volgende regeerperiode te regelen.

De CVP-fractie staat achter de grote lijnen van het ontwerp en zal het goedkeuren. (Applaus.)