1-258

1-258

Sénat de Belgique

Belgische Senaat

Annales parlementaires

Parlementaire handelingen

SÉANCES DU JEUDI 25 MARS 1999

VERGADERINGEN VAN DONDERDAG 25 MAART 1999

(Vervolg-Suite)

MONDELINGE VRAAG VAN DE HEER OLIVIER AAN DE VICE-EERSTE MINISTER EN MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN OVER « DE BENAMING `VLAAMSE RAAD' IN DE ONDERRICHTINGEN VOOR DE VERKIEZINGEN VAN 13 JUNI AANSTAANDE »

MONDELINGE VRAAG VAN DE HEER CALUWÉ AAN DE VICE-EERSTE MINISTER EN MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN OVER « HET GEBRUIK VAN DE TERM `RAAD' IN PLAATS VAN `PARLEMENT' IN DE ONDERRICHTINGEN VOOR DE VERKIEZINGEN VAN 13 JUNI AANSTAANDE »

QUESTION ORALE DE M. OLIVIER AU VICE-PREMIER MINISTRE ET MINISTRE DE L'INTÉRIEUR SUR « LA DÉNOMINATION `VLAAMSE RAAD' DANS LES INSTRUCTIONS POUR LES ÉLECTIONS DU 13 JUIN PROCHAIN »

QUESTION ORALE DE M. CALUWÉ AU VICE-PREMIER MINISTRE ET MINISTRE DE L'INTÉRIEUR SUR « L'EMPLOI DU TERME `RAAD' PLUTÔT QUE `PARLEMENT' DANS LES INSTRUCTIONS POUR LES ÉLECTIONS DU 13 JUIN PROCHAIN »

De voorzitter. ­ Aan de orde is de mondelinge vraag van de heer Olivier.

Ik stel voor de mondelinge vraag van de heer Caluwé eraan toe te voegen.

Het woord is aan de heer Olivier.

De heer Olivier (CVP). ­ Mijnheer de voorzitter, sinds 20 maart 1999 verschenen in het Belgisch Staatsblad dagelijks een aantal onderrichtingen betreffende de kiesverrichtingen van ­ onder meer ­ de regionale « raden » waarbij expliciet de benaming « Vlaamse Raad » wordt gebruikt.

Tijdens de bespreking van een voorstel van de gemeenschapssenatoren tot herziening van artikel 120 van de Grondwet in de Senaat op 14 januari jongstleden werd gerefereerd aan een antwoord op een parlementaire vraag van collega Caluwé. Dit was overigens het enige artikel terzake dat voor herziening vatbaar was verklaard. De vice-eerste minister heeft op die vraag geantwoord dat : « Gelet op het bijzondere decreet van 2 april 1996 en de resoluties van 5 mei 1996 en 17 december 1996 de benamingen `Vlaams Parlement', `Parlement wallon' en `Parlement de la Communauté française' zullen worden gebruikt. Ik zal dan ook aan de administratie instructies geven om deze benamingen te gebruiken in de richtlijnen voor de verkiezingen en op de stembiljetten. » Over deze kwestie werden ook al vragen gesteld in de Kamer van volksvertegenwoordigers op 28 oktober 1998 en in het Vlaams Parlement op 19 januari 1999 en 23 maart 1999.

Anderzijds besliste het Vlaams Parlement, bij middel van het bijzonder decreet van 2 april 1996 om de Vlaamse parlementaire instelling aan te duiden als « Vlaams Parlement ». Ook de andere regionale parlementen hebben precies hetzelfde beslist. Deze term wordt sindsdien in alle stukken, externe relaties en briefwisseling van het Vlaams Parlement gebruikt. Deze term is bijgevolg reeds volledig ingeburgerd, niet alleen in de parlementaire instellingen zelf, maar ook bij de burgers. Door nu in de kiesverrichtingen de term `Vlaamse Raad' te gebruiken, wordt er onnodige verwarring geschapen.

Van de vice-eerste minister had ik graag vernomen waarom hij zijn toezegging, waaruit ik zojuist heb geciteerd, niet is nagekomen. Waarom werd er geen rekening gehouden met het bijzonder decreet, de aangenomen resoluties en het feit dat de term « Vlaams Parlement » reeds als volledig ingeburgerd kan worden beschouwd ? Welke maatregelen zal de vice-eerste minister nemen om toch de term « Parlement » in plaats van « Raad » te gebruiken ? Kan het gebruik van de term « Parlement » in plaats van « Raad », gezien het bepaalde in de Grondwet, aanleiding geven tot het ongeldig verklaren van de kiesverrichtingen ?

De voorzitter. ­ Het woord is aan de heer Caluwé.

De heer Caluwé (CVP). ­ Mijnheer de voorzitter, mijn vraag heeft uiteraard betrekking op dezelfde problematiek als die van de heer Olivier. Ze betreft eigenlijk bijna een persoonlijk feit, want ik richtte reeds op 4 september 1998 een schriftelijke vraag terzake aan de vice-eerste minister. De vice-eerste minister heeft daar, kort na zijn aantreden in oktober op geantwoord ­ ik citeer uit het bulletin van Vragen en Antwoorden : « Ik heb het genoegen het geachte lid mede te delen dat, gelet op het bijzonder decreet van 2 april 1996 en de resoluties van 5 mei 1995 en 17 december 1996 de benamingen `Vlaams Parlement', `Parlement wallon', `Parlement de la Communauté française' zullen worden gebruikt. Ik zal dan ook aan de administratie instructies geven om deze benamingen te gebruiken bij de richtlijnen voor de verkiezingen en op de stembiljetten. »

Vandaag moet ik vaststellen dat de oude benamingen in het Belgisch Staatsblad verschijnen. Hoe verklaart de vice-eerste minister dat er geen gevolg werd gegeven aan de instructies die hij, volgens zijn antwoord op mijn schriftelijke vraag zou hebben gegeven ?

De voorzitter. ­ Het woord is aan vice-eerste minister Van den Bossche.

De heer Van den Bossche, vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken. ­ Mijnheer de voorzitter, het verhaal is tegelijkertijd eenvoudig en ingewikkeld. Het eenvoudige aspect is dat ik mijn administratie wel degelijk deze instructies heb gegeven. Daarop heeft de administratie juridisch advies gevraagd. Er werd mij geantwoord dat er mogelijkerwijs een juridisch probleem bestaat. Enerzijds is er het feit dat het Vlaams Parlement met tweederde meerderheid van stemmen een bijzonder decreet heeft goedgekeurd. Anderzijds hebben het Waalse Parlement en het Parlement van de Franstalige Gemeenschap een resolutie aangenomen, die in geen van beide gevallen werd gepubliceerd. Juridisch-technisch vormt dit een probleem. De vraag blijft bestaan of er juridisch-technische problemen kunnen zijn ten aanzien van de voorzitters van het hoofdbureau, hetzij bij het neerleggen van kandidaturen, hetzij bij het overhandigen van de formulieren. De geraadpleegde juristen oordelen dat het aanbeveling verdient om ofwel artikel 120 van de Grondwet te wijzigen, ofwel de bijzondere wet van 1980, zoals gewijzigd in 1993.

Wat artikel 120 van de Grondwet betreft, en dat is wel een nieuw feit, meen ik me te herinneren dat de Senaat heeft geweigerd dit te wijzigen. Indien de Senaat deze wijziging had aanvaard, was het woord « Raad » door « Parlement » vervangen en kon men met toepassing van artikel 198 van de Grondwet overal alles aanpassen.

Ik heb op dat moment een wetsontwerp voorbereid. De tekst bestaat, maar ik heb vastgesteld dat er tussen de fracties van de Kamer, meerderheid en minderheid door elkaar, geen consensus meer bestond omtrent Brussel. De Brusselse Hoofdstedelijke Raad wilde immers ook « Brussels Parlement » worden genoemd. Sommige kamerleden, u welbekend, wilden dit niet en werden daarin gesteund door anderen, die mij dan welbekend zijn. Er bestond dus geen bijzondere meerderheid meer om de wet te wijzigen, alhoewel dit door mijn diensten was voorbereid. Dat is een beetje het droevige verhaal waarmee ik werd geconfronteerd. De toezegging kon dus tot op heden niet worden nagekomen, omdat mag worden gevreesd dat sommige voorzitters van hoofdbureaus moeilijkheden zouden kunnen veroorzaken. Een weigering van een assemblee heeft immers nog een betekenis. Ik denk niet dat we de verkiezingen nog moeilijker moeten maken door allerlei kort gedingen uit te lokken.

Er wordt mij gevraagd waarom ik met het bijzonder decreet van het Vlaams Parlement geen rekening heb gehouden. Ik ben wel bereid dat te doen en de term Vlaams Parlement is ongetwijfeld ingeburgerd. Soms is het recht of de nodige meerderheid om de toestand te legaliseren echter niet voorhanden.

Op dit ogenblik neem ik geen maatregelen meer. Ik verneem dat de voorzitter van het Vlaams Parlement een initiatief heeft genomen. Hij zal dinsdag zijn zes andere collega's ontmoeten in een poging een oplossing te bedenken. Indien die oplossing wordt gevonden, zal ik er mijn medewerking aan verlenen en nodig ik eventueel ook het Parlement uit samen te werken. Het zou een logische en goede zaak zijn dit probleem op een rechtsgeldige wijze op te lossen.

Kan het gebruik van het woord « Parlement » in de plaats van het woord « Raad » aanleiding geven tot het ongeldig verklaren van kiesverrichtingen ? Ik vermoed van niet, maar de praktijk van het recht heeft mij geleerd dat niets juridisch zo gek is dat er geen voorzitter kan worden gevonden om het uit te spreken.

De voorzitter. ­ Het woord is aan de heer Olivier voor een repliek.

De heer Olivier (CVP). ­ Mijnheer de voorzitter, het antwoord van de vice-eerste minister heeft veel bijkomende vragen doen rijzen.

Ten eerste, wat betreft het afwijzen van het voorstel van de Vlaamse Gemeeschapssenatoren om artikel 120 van de Grondwet te wijzigen, verwijs ik naar zijn verklaring dat dit niet noodzakelijk was, gelet op het bestaan van een bijzonder decreet.

Bovendien is er het voorstel van kamerlid Van de Casteele, waaraan nog altijd geen definitieve bestemming werd gegeven. Er bestaat met andere woorden nog een parlementair initiatief. Ik weet niet hoe ver de discussies tussen de verschillende fracties in de Kamer staan.

Natuurlijk ben ik blij met de persoonlijke verklaring van de vice-eerste minister dat hij achter elk inititief staat dat een oplossing kan bieden. Misschien kan een oplossing worden gevonden op de vergadering van komende dinsdag tussen de voorzitters van de verschillende assemblees. In elk geval is dit een bijzonder vervelende situatie. We hebben de vice-eerste minister op zijn woord genomen en nu blijkt achteraf dat juristen een andere interpretatie kunnen geven. Toch onthouden we dat het gebruik van de term « Vlaams Parlement » waarschijnlijk geen aanleiding zal geven tot het ongeldig verklaren van de verkiezingen.

De voorzitter. ­ Het woord is aan de heer Caluwé voor een repliek.

De heer Caluwé (CVP). ­ Mijnheer de voorzitter, de vice-eerste minister zegt dat zijn instructies niet zijn opgevolgd, omdat de juristen die men heeft geraadpleegd, anders hebben geadviseerd. Ik zou die adviezen wel eens willen lezen. Ik heb de indruk dat de juristen er hun boeken eens op moeten nalezen. Het Vlaams Parlement heeft een bijzonder decreet goedgekeurd, omdat het van oordeel was dat het binnen zijn constitutieve autonomie de bevoegdheid had te bepalen hoe zijn instelling wordt genoemd. Dat bijzonder decreet is in het Belgisch Staatsblad verschenen. Indien de federale overheid van oordeel was dat het Vlaams Parlement hiermee zijn bevoegdheid te buiten ging, dan had ze tegen het bijzonder decreet beroep kunnen aantekenen bij het Arbitragehof. Ze had daarvoor zes maanden de tijd. Die termijn is intussen uiteraard verstreken. Iedereen, ook de federale regering en de federale administratie, moet rechtsgeldige decreten respecteren en kan dus niet anders dan de term « Vlaams Parlement » gebruiken. De vice-eerste minister vreest dat er misschien wel een kort geding wordt ingespannen wanneer hij de term « Vlaams Parlement » in zijn instructies gebruikt. Ik vrees het tegenovergestelde, namelijk dat iemand een kort geding inspant om de huidige instructie, ongedaan te maken. Ik denk immers dat men zich op het ogenblik in de onwettelijkheid bevindt omdat de termen van het bijzonder decreet niet worden gebruikt.

In de Senaat werd het voorstel tot wijziging van artikel 120 van de Grondwet niet goedgekeurd. De vice-eerste minister mag hier geen sofistische redeneringen opbouwen. Dit gebeurde immers na de uitdrukkelijke opmerking van de vertegenwoordiger van de vice-eerste minister, die in de commissie verklaarde dat een wijziging helemaal niet nodig was, want dat de term « Vlaams Parlement » op de stembiljetten zou worden gebruikt. Aangezien enkel artikel 120 voor herziening vatbaar is verklaard, zou het niet esthetisch zijn geweest enkel in dat artikel de term « Parlement » te gebruiken en niet in de andere artikelen. Daarom werd artikel 120 nu niet gewijzigd. Ik was zelf rapporteur van deze commissiebespreking en ik kan u verzekeren dat dit de enige reden was.

De voorzitter. ­ Het woord is aan vice-eerste minister Van den Bossche.

De heer Van den Bossche , vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken. ­ Mijnheer de voorzitter, het laatste argument van de heer Caluwé is toch wel eigenaardig. Zodra artikel 120 is gewijzigd, moet men immers alleen maar artikel 198 toepassen en de rest wordt automatisch aangepast. Het grote argument dat volgens de heer Caluwé heeft gespeeld, is dus eigenlijk geen argument.

Bovendien weet ik niet wat een vertegenwoordiger namens mijzelf heeft gezegd, maar hij heeft zeker niet verklaard dat de Grondwet niet moest worden gewijzigd en dat de zaak zo wel zou worden geregeld. Waarschijnlijk heeft hij verklaard dat er een middel was om het zonder een grondwetswijziging te doen. Laten we eerlijk zijn, de reden waarom de wijziging niet werd goedgekeurd was dezelfde als deze waarop we in de Kamer zijn gestoten, namelijk dat het probleem Brussel de grote struikelblok was. Dat is de essentie van de zaak en niemand zag daar een oplossing voor. Aangezien daarvoor een bijzondere meerderheid nodig is, is dit een bijzonder vervelende zaak.

Behoort de keuze van de naam tot de constitutieve autonomie van de instelling? Daarvoor zijn zowel argumenten pro als contra te vinden. Het Bureau van het Vlaams Parlement heeft dat denkspoor indertijd gevolgd, maar wist niet of het 100 % rechtsgeldig was.

Er blijft een politiek probleem bestaan. Als men zou aanvaarden om de term « Vlaams Parlement » te gebruiken, moeten ook de termen « Parlement wallon » en « Parlement de la Communauté française » worden gehanteerd omdat daarover ook decreten, weliswaar geen bijzondere, zijn goedgekeurd. Ik vraag mij trouwens af of dit wel bij bijzonder decreet moest gebeuren aangezien de raden over een constitutieve autonomie beschikken. Wat wel belangrijk is, is dat deze decreten nooit werden gepubliceerd.

De heer Olivier (CVP). ­ In Wallonië ?

De heer Van den Bossche , vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken. ­ Noch van het Waals Parlement, noch van het Parlement van de Franstalige Gemeenschapsraad.

De voorzitter. ­ Het incident is gesloten.

L'incident est clos.