(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans
Ingevolge artikel 4, § 1, 1º, van het koninklijk besluit nr. 474 van 28 oktober 1986 tot opzetting van een stelsel van door de Staat gesubsidieerde contractuelen bij sommige plaatselijke besturen werden gemeenten die gesubsidieerde contractuelen tewerkstellen ertoe verplicht de voordelen van de loopbaanonderbreking toe te passen overeenkomstig de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, zijnde het stelsel van toepassing in de privé-sector.
Het koninklijk besluit d.d. 2 januari 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen, en opeenvolgende wijzigingen, bepaalt dat het recht op onderbrekingsuitkeringen voor de werknemers die hun beroepsloopbaan willen onderbreken of hun prestaties willen verminderen met een vijfde, een vierde, een derde of de helft, beperkt worden tot maximum 60 maanden gedurende de volledige beroepsloopbaan.
Bij koninklijk besluit van 8 februari 1996 werd het koninklijk besluit d.d. 28 februari 1991 betreffende de halftijdse loopbaanonderbreking in de rijksbesturen gewijzigd naar een maximale duur van 72 maanden gedurende de volledige beroepsloopbaan.
Voor sommige personeelsleden, tewerkgesteld in plaatselijke besturen die van de voordelen van halftijdse loopbaanonderbreking genieten volgens het privé-stelsel, loopt de termijn van 60 maanden weldra ten einde.
Graag had ik van de geachte minister antwoord gekregen op volgende vraag :
Wanneer kunnen de openbare besturen die het stelsel van de privé-sector inzake halftijdse loopbaanonderbreking volgen, genieten van de maatregelen die van toepassing zijn voor de openbare sector ?
Met andere woorden, wanneer kunnen openbare besturen die gesubsidieerde contractuelen in dienst hebben, eveneens genieten van een verlenging van de maximale duur van de loopbaanonderbreking tot 72 maanden ?
Antwoord : Ik heb de eer het geachte lid mede te delen dat de reglementering betreffende het stelsel van de onderbreking van de beroepsloopbaan reeds gewijzigd werd in de zin van een uitbreiding van de rechten en mogelijkheden betreffende de loopbaanonderbreking voor de personeelsleden van de plaatselijke besturen.
Het koninklijk besluit van 5 juni 1997 tot wijziging van het koninklijk besluit van 2 januari 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen heeft, onder meer voor het personeel van de plaatselijke besturen, de maximumtermijn voor een volledige loopbaanonderbreking en voor een vermindering van de arbeidsprestaties onder de leeftijd van 50 jaar van 60 op 72 maanden gebracht.
De wet van 13 februari 1998 houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling heeft vervolgens de herstelwet van 22 jannuari 1985 houdende sociale bepalingen (wettelijke basis van het stelsel van loopbaanonderbreking) gewijzigd door voor het personeel van de provincies en gemeenten een recht in te stellen op de volledige loopbaanonderbreking en de vermindering van de arbeidsprestaties met een vijfde of de helft, met uitzondering nochtans voor sommige graden en voor het veiligheidspersoneel.