1-1201/4

1-1201/4

Belgische Senaat

ZITTING 1998-1999

18 MAART 1999


Wetsvoorstel tot wijziging van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorgingen en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, wat de Wetenschappelijke Raad bij de dienst voor geneeskundige verzorging betreft


VERSLAG

NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE SOCIALE AANGELEGENHEDEN UITGEBRACHT DOOR MEVROUW NELIS-VAN LIEDEKERKE


De Commissie heeft dit wetsvoorstel besproken tijdens haar vergaderingen van 20 januari, 10 maart en 18 maart 1999.


A. INLEIDENDE UITEENZETTING DOOR DE INDIENER VAN HET VOORSTEL

Bij de wet van 25 april 1997 werd een Wetenschappelijke Raad opgericht in het kader van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging. Deze Raad moest vier afdelingen omvatten, namelijk

­ de afdeling voor de planning van de medische activiteit,

­ de afdeling voor de medische technologische evaluatie,

­ de afdeling voor de herijking van de erelonen en

­ de afdeling voor de evaluatie van de medische praktijk inzake geneesmiddelen.

Alleen deze laatste afdeling is tot nu toe bij het koninklijk besluit van 14 oktober 1998, gedeeltelijk, ingevuld. Tegenlijk werd een afdeling voor de zorgverlening ten aanzien van de chronisch zieken en specifieke aandoeningen aan de wetenschappelijke raad toegevoegd.

De oprichting van de drie eerstgenoemde afdelingen zou nochtans meer dan nuttig zijn, niet alleen als instrument om de uitgaven te beheersen, maar ook om de behoeften op het terrein te meten en in het licht hiervan te bepalen welke nieuwe vormen van verstrekkingen wenselijk of noodzakelijk zijn. Zo zou de afdeling planning een sturingselement kunnen zijn om de opportuniteit te bepalen van een dure verstrekking en na te gaan in welk volume en onder welke omstandigheden zij kan worden toegelaten.

In deze hoedanigheid zou de Raad niet in de plaats mogen treden van andere adviesorganen zoals de commissies die opgericht zijn bij het ministerie van Volksgezondheid, maar veeleer een complementaire opdracht vervullen.

In de tekst wordt voorgesteld de Wetenschappelijke Raad onder te brengen bij het RIZIV omdat men hier de meest precieze gegevens heeft over de financiële stromen binnen de verzekering voor geneeskundige verzorging. Daarnaast beschikt het RIZIV over nog een aantal andere beoordelingsinstrumenten inzake de consumptie van geneesmiddelen, die minder toegankelijk zijn vanuit het ministerie van Volksgezondheid.

Nieuw in het voorstel is dat een band wordt gelegd naar de gemeenschappen, die vertegenwoordigers in de afdeling planning zouden moeten krijgen en hierdoor bij de besluitvorming in de ziekte- en invaliditeitsverzekering worden betrokken. Op deze wijze worden nodeloze spanningen vermeden en wordt een wederkerige verantwoordelijkheidszin ontwikkeld.

Het laatste lid van het voorgestelde artikel 19 legt een verplichting op het advies van de Wetenschappelijke Raad in te winnen bij elke erkenning van diensten of bijzondere vormen van zorgverlening via een conventie.

De afdelingen « medische-technische evaluatie » en « herijking van de nomenclatuur » hebben als opdracht een inventaris te maken van de bestaande medische praktijken, hun therapeutisch nut te evalueren en binnen de beschikbare budgettaire en financiële ruimte nieuwe technieken toe te laten.

Wat de afdeling voor de evaluatie van de medische praktijk inzake geneesmiddelen betreft, werden aan de oorspronkelijke tekst de woorden « en van het voorschrijfgedrag » toegevoegd. De term geneesmiddelen is hier immers te beperkt omdat ook verstrekkingen zoals radiologie kunnen worden voorgeschreven. De eerder vermelde afdeling voor de zorgverlening ten aanzien van de chronisch zieken en specifieke aandoeningen, die bij koninklijk besluit was ingesteld, wordt door het voorstel in de wet opgenomen.

Het voorgestelde artikel 19 voorziet in een overgangsbepaling die stelt dat de minister van Sociale Zaken de Raad installeert binnen drie maanden na de inwerkingtreding van de wet en dat elke afdeling voor 1 oktober 1999 zijn huishoudelijk reglement opstelt.

De algemene doelstelling van het voorstel bestaat erin het stelsel van gezondheidszorg betaalbaar en voor iedereen toegankelijk te houden, via een beheersing van het aanbod en een evaluatie hiervan in het licht van de behoeften.

B. ALGEMENE BESPREKING

Een lid betwijfelt of het RIZIV wel degelijk het meest geëigende orgaan is om deze Raad in onder te brengen. Bij het departement van Volksgezondheid, dat ook een belangrijke verantwoordelijkheid heeft in dit verband, bestaan er zoals reeds aangestipt gelijkaardige adviesorganen en men kan zich de vraag stellen of dit niet tot dubbel gebruik leidt.

De minister van Sociale Zaken antwoordt hierop dat dergelijke adviesorganen best daar worden geïnstalleerd, waar men een duidelijk beeld heeft op de financiële stromen. Voor de ziekte- en invaliditeitsverzekering is dit ongetwijfeld het RIZIV. Dit beschikt overigens nog over een aantal andere instrumenten die van zeer groot belang zijn voor de evaluatie van de zorgverstrekking. Niet zo lang geleden werden de eerste profielen die door Farmanet werden verzameld, doorgesuurd naar de verstrekkers. Dergelijke gegevens zijn onmisbaar om een beleid op langere termijn te plannen.

Dit doet geen afbreuk aan de opdracht van de commissies die werkzaam zijn in het kader van het ministerie van Volksgezondheid, waarvan de bevoegdheid gesitueerd is op het vlak van de algemene beleidsbeginselen en de normering. De goede werking en leefbaarheid van ons stelsel van gezondheidszorg zal in de toekomst in belangrijke mate afhangen van de samenwerking en de coördinatie tussen de bevoegde departementen en het parastatale niveau, en vooral van het uitwisselen van de beschikbare gegevens die op elk niveau voorhanden zijn.

Wat de Wetenschappelijke Raad zelf betreft merkt de minister op dat het initiatief hiertoe ver teruggaat in de tijd. Het orgaan heeft echter concreet gestalte gekregen in de wet van 25 april 1997 en sindsdien is inderdaad een van de vier afdelingen operationeel geworden. Een tweede afdeling, die in verband met de chronische zieken, staat in de startblokken.

Het voorstel heeft in essentie tot doel de verdere uitbouw van de Wetenschappelijke Raad in een stroomversnelling te brengen en hier valt niets tegen in te brengen.

Toch zou de minister willen vragen dat vooraleer dit voorstel ter stemming wordt gelegd, een duidelijk antwoord wordt verstrekt op de volgende vragen :

­ Waarom moet het aantal afdelingen van de Raad bij wet worden vastgelegd? Kan het oprichten van eventuele nieuwe afdelingen niet aan de uitvoerende macht worden overgelaten?

­ Moet aan de adviesverlening van de Raad een dwingend karakter worden gegeven en zo ja, moet dit bindend karakter sterker zijn dan bij de andere, reeds bestaande adviesorganen?

Volgens de minister is er principieel niets op tegen dat de Gemeenschappen in zekere mate bij de werking van de Raad worden betrokken. Indien echter alle regionale en communautaire instanties in alle afdelingen van de Raad worden vertegenwoordigd, loopt men het risico hiervan een log orgaan te maken zonder dat de wezenlijke problemen die er op dit vlak zijn (bijvoorbeeld inzake gegevensuitwisseling), worden opgelost. Bovendien kunnen er zich op dit vlak ook problemen van constitutionele aard voordoen. Het is noodzakelijk dat dit alles duidelijk wordt uitgeklaard en in de wet vastgesteld.

C. ARTIKELSGEWIJZE BESPREKING EN STEMMINGEN

Artikel 1

Dit artikel wordt aangenomen met 8 stemmen bij 1 onthouding.

Artikel 2

Mevrouw Nelis-Van Liedekerke en de heer Coene dienen amendement nr. 4.A. (Stuk Senaat, nr. 1-1201/3 - 1998/1999) in dat ertoe sterkt de Wetenschappelijke Raad onder te brengen bij het ministerie van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu en niet bij het RIZIV : In het voorgestelde artikel 19, eerste lid, de woorden : « Bij de dienst voor geneeskundige verzorging » vervangen door de woorden : « Bij het ministerie Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu, Bestuur van de Informatie en de Studiën ».

De indienster verduidelijkt dat naar haar mening de Wetenschappelijke Raad eerder op zijn plaats zou zijn bij het ministerie van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu en meer bepaald bij het bestuur bevoegd voor informatie en studiën. Dit lijkt een betere omgeving te zijn om te komen tot en objectieve wetenschappelijke onderbouw van de adviezen.

De minister verwijst naar hetgeen zij tijdens de algemene bespreking over deze aangelegenheid heeft verklaard. Binnen het RIZIV heeft men een duidelijk beeld van de financiële stromen in de verzekering voor gezondheidszorg. Bovendien doet de Wetenschappelijke Raad op geen enkele wijze afbreuk aan de opdrachten van de commissies die nu reeds werkzaam zijn binnen het departement Volksgezondheid.

Amendement nr. 4.A. wordt verworpen met 7 stemmen tegen 1, bij 1 onthouding.

De heer D'Hooghe en de heer Chantraine dienen het amendement nr. 1.A. (Stuk Senaat, nr. 1-1201/2, 1998/1999) in, met betrekking tot de vertegenwoordiging van de gemeenschappen in de Wetenschappelijke Raad.

Het luidt als volgt :

« Tussen het tweede en het derde lid van het voorgestelde artikel 19 een nieuw lid toevoegen, luidende :

« De minister die de Sociale Zekerheid onder zijn bevoegdheid heeft, bepaalt de samenstelling van elk van de afdelingen van de Wetenschappelijke Raad; naargelang de gemeenschap dan wel het gewest bevoegd is voor de volksgezondheid, is er in elke afdeling per gemeenschap of per gewest één plaats voorbehouden van lid en één van plaatsvervanger. De vertegenwoordiging van deze gemeenschappen en gewesten in elk van de afdelingen van de Wetenschappelijke Raad wordt geregeld overeenkomstig het bepaalde in artikel 92ter van de bijzondere wet tot hervorming van de instellingen van 8 augustus 1980. »

Verantwoording

Hiermee wordt tegemoet gekomen aan de bedenkingen, geformuleerd tijdens de commmissievergadering van 20 februari 1999 aangaande de vertegenwoordigers van gemeenschappen en gewesten.

Zoals blijkt uit de interpretaties van de artikelen uit de bijzondere wetten en in het bijzonder het artikel 92ter van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 aangaande het verplicht of vrijwillig karakter van de samenwerking tussen de Federale Staat, de gemeenschappen en de gewesten, is het duidelijk dat deze samenwerking door de gewone wetgever enkel op vrijwillige basis kan worden georganiseerd. Vandaar dat in het voorgestelde artikel 19 van de ZIV- wet sprake is van een voorbehouden plaats per inzake volksgezondheid bevoegde gemeenschap of gewest. Uit deze formulering blijkt het vrijwillig karakter.

Tevens wordt de aandacht gevestigd op het feit dat wanneer geen toepassing wordt gemaakt van artikel 92ter en wanneer de vertegenwoordiging bij gewone wet, decreet of ordonnantie, of bij besluit wordt geregeld, een aantal voorwaarden gelden ingeval vertegenwoordigers van federale, of gemeenschap- of gewestoverheden in mekaars adviserende instellingen of commissie zouden zetelen. De vaste adviespraktijk van de afdeling wetgeving van de Raad van State is in die zin gevestigd « que si l'autonomie des commmunautés et des régions ne s'oppose pas à ce qu'elles aient des représentants au sein d'un organisme fédéral à caractère consultatif et vice-versa, cette même autonomie a également pour conséquence que la non-désignation des membres concernés ou leur absence lors des réunions de l'organisme ne peut évidemment avoir aucune incidence sur la validité des avis émis ou des propositions formulées. En effet, le gouvernement fédéral ne peut imposer aux communautés et aux régions l'obligation de désigner des représentants au sein dudit organisme et réciproquement. »

(bron : De samenwerking tussen de Federale Staat, de gemeenschappen en de gewesten ­ Recente ontwikkelingen, R. Moerenhout, nr. 24).

Ook rijst de vraag of de vertegenwoordiging van de gewesten en gemeenschappen in de afdelingen van de Wetenschappelijke Raad geregeld kunnen worden op wetgevend vlak, gelet op de termen waarin artikel 92ter van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 is gesteld. Over dit karakter van probleemstelling is de afdeling wetgeving van de Raad van State van oordeel dat « om elke discussie te vermijden nopens de bevoegdheid van de wetgever ten aanzien van die van de Koning » de libellering best gesteld wordt door verwijzing naar een regeling overeenkomstig het bepaalde in artikel 92ter van de bijzondere wet tot hervorming der instellingen (Raad van State, Afd. Wetgeving, 21 december 1989, Stuk Kamer, nr. 1131/1, 1989/1990, blz. 8).

Ook dit advies werd in onderhavig amendement opgevolgd.

Merken wij op dat artikel 92ter dient te worden gezien in het licht van de bedoeling van de bijzondere wetgever, de juridische hinderpalen die de samenwerking tussen de federale Staat, de gemeenschappen en de gewesten vóór de bijzondere wet beletten, op te ruimen en om deze samenwerking te bevorderen, zodat het artikel dan ook ruim mag worden geïnterpreteerd (Raad van State, Afd. Wetgeving, 24 april 1990, Stuk Senaat, nr. 1067/1, 1990/1991, blz. 35).

Vestigen wij nog erop de aandacht dat de in onderhavig amendement voorgestelde techniek geen precedent is. Zo worden reeds vertegenwoordigingen van de gemeenschappen en gewesten voorzien in de federale instellingen bevoegd voor cultuur, wetenschap, verkeer, vervoer, landbouw, energie, krediet en buitenlandse handel en in het Vast Wervingssecretariaat.

Een indiener verduidelijkt dat het amendement betrekking heeft op de mogelijke vertegenwoordiging van de gemeenschappen in de Wetenschappelijke Raad. Uit de commentaren op artikel 92 van de bijzondere wet houdende hervorming van de instellingen blijkt dat de gewone wetgever de gemeenschappen niet kan verplichten in een dergelijk orgaan zitting te hebben. Hij kan ze wel de mogelijkheid bieden vrijwillig aan de vergaderingen deel te nemen, met dien verstande dat hun afwezigheid de rechtsgeldigheid van de besluitvorming niet aantast.

Mevrouw Nelis-Van Liedekerke en de heer Coene dienen het amendement nr. 4.B. (Stuk Senaat nr. 1-1201/3 - 1998/1999) in, dat eveneens voorziet in de vertegenwoordiging van de gemeenschappen in alle afdelingen van de Wetenschappelijke Raad.

« In het derde lid van het voorgestelde artikel 19 tussen de tweede en de derde zin, de volgende zin toevoegen : « In elke afdeling zit minstens één vertegenwoordiger van de minister van Volksgezondheid van de Vlaamse en de Franse Gemeenschap. »

De indienster verduidelijkt dat het aangewezen lijkt om in elke afdeling minstens een vertegenwoordiger van de beide gemeenschappen te laten zetelen. Zo zal bijvoorbeeld de afdeling voor de zorgverlening ten aanzien van de chronische ziekten en specifieke aandoeningen rekening moeten houden met het feit dat vanaf 1 januari 2000 in Vlaanderen chronische zieken en bejaarden zullen genieten van een uitkering in het kader van een zorgverzekering.

De minister is van oordeel dat het amendement nr. 1.A., dient te worden verduidelijkt. Zoals het amendement nu geformuleerd is, geeft het de indruk dat de vertegenwoordigers van de gemeenschappen of gewesten volwaardig lid zijn van de Wetenschappelijke Raad. Dit strookt niet met de toelichting van de indiener, die als dusdanig wel een correcte interpretatie van de wet inhoudt.

Met betrekking tot het amendement nr. 4.B. wijst de minister op de constitutionele bezwaren, die worden uiteengezet in de toelichting bij het amendement 1.A. Een gewone wet kan niet zonder meer een vertegenwoordiging van de gemeenschappen in dergelijke organen opleggen.

Zonder meteen elke vorm van samenwerking te willen uitsluiten, blijft zij echter bij haar standpunt dat een volledige vertegenwoordiging van de gemeenschappen en gewesten in de Raad, deze tot een log geheel zou maken, zonder dat hierdoor bepaalde problemen inzake de samenwerking tussen de verschillende beleidsniveaus zouden zijn opgelost.

Hierop dient de heer Poty het amendement nr. 3 in (Stuk Senaat, nr. 1-1201/3 - 1998/1999) met betrekking tot de samenstelling van de afdelingen van de Wetenschappelijke Raad, en in het bijzonder de aanwezigheid van vertegenwoordigers van gemeenschappen en gewesten bij de vergaderingen.

« Tussen het tweede en het derde lid van het voorgesteld artikel 19, een nieuw lid invoegen, luidende :

« De minister die de Sociale Zaken onder zijn bevoegdheid heeft, bepaalt de samenstelling van elk van de afdelingen van de Wetenschappelijke Raad. Vertegenwoordigers van de gemeenschappen of gewesten kunnen de vergaderingen van de afdelingen voor de planning van de medische activiteit bijwonen, met raadgevende stem. »

Verantwoording

Rekening houdend met de bevoegdheden van de gemeenschappen en gewesten inzake erkenning, lijkt het aangewezen te voorzien dat vertegenwoordigers van de genoemde gemeenschappen en gewesten bij de werkzaamheden van de afdeling planning van de medische activiteit van de Wetenschappelijke Raad van het RIZIV worden betrokken.

De indiener verduidelijkt dat het amendement, wat de aanwezigheid van gemeenschappen en gewesten betreft, twee zaken duidelijk stelt :

­ zij hebben alleen toegang tot de afdeling voor de planning van de medische activiteit;

­ zij kunnen de vergaderingen van deze afdeling met raadgevende steun bijwonen, zonder dat er hiertoe enige verplichting is.

Een lid is het eens met het beginsel dat de gemeenschappen en gewesten slechts een raadgevende stem hebben in de Wetenschappelijke Raad. Precies vanuit deze vaststelling stelt hij zich echter de vraag waarom zij niet in alle afdelingen vertegenwoordigd kunnen zijn.

Een andere spreekster acht het daarentegen wenselijk dat deze aanwezigheid beperkt blijft tot de afdeling voor de planning van de medische activiteit. Het preventiebeleid behoort tot de bevoegdheid van de gemeenschappen en als dusdanig kunnen de adviezen van de afdeling voor de planning bepaalde consequenties voor hen hebben. De adviesbevoegdheid van de andere afdelingen is veel meer gesitueerd rond zuiver federale materies, zodat er weinig reden is om hier in een vertegenwoordiging van de gemeenschappen of de gewesten te voorzien.

De vorige spreekster is van oordeel dat de zaken niet zo eenvoudig liggen. Voor de meeste materies die in de diverse afdelingen aan bod kunnen komen, kunnen er aspecten zijn die tot de bevoegdheden van de gemeenschappen en gewesten behoren. Aangezien het amendement nr. 3 echter een aanvaardbaar compromis vormt, is de indiener van het amendement nr. 1.A. bereid dit amendement in te trekken.

Het amendement nr. 1.A. wordt ingetrokken.

Het amendement nr. 4.B. wordt verworpen met 7 stemmen tegen 1 bij 1 onthouding.

Het amendement nr. 3 wordt aangenomen met 8 stemmen, bij 1 onthouding.

De heren D'Hooghe en Chantraine dienen de amendementen nr. 1.B. en C. (Stuk Senaat, nr. 1-1201/3 - 1998/1999) in.

« B. In het voorgestelde artikel 19, het huidige vijfde lid vervangen als volgt :

« Geen erkening voor diensten of bijzondere zorgverlening via een conventie kan gebeuren, zonder dat het voorafgaand bindend advies van de afdeling voor de planning van de medische activiteit is verkregen. »

Verantwoording

Hiermee wordt duidelijk gesteld dat alleen de adviezen van de afdeling voor de planning van de medische activiteit bindend zijn, voor zover zij betrekking hebben op de erkenning van diensten of bijzondere zorgverlening via een conventie. Alle andere adviezen van de Wetenschappelijke Raad hebben dit bindend karakter niet. Benadrukt dient evenwel dat het bindend karakter, zoals voorzien in onderhavig amendement, noodzakelijk is zoniet wordt het instrument van een planningscommissie waardeloos en blijft het effect hiervan « dode letter ».

Onder « bijzondere zorgverlening via een conventie » wordt verstaan prestaties die omwille van hun complexiteit en multidisciplinair karakter, duur en relatief zeldzaam zijn en derhalve beter op een globale wijze gehonoreerd worden binnen gespecialiseerde centra.

« C. Aan het voorgestelde artikel 19 een zesde lid toevoegen, luidende :

« Bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit kunnen afdelingen worden toegevoegd aan de Wetenschappelijke Raad. »

Verantwoording

Hiermee wordt tegemoet gekomen aan de bedenking dat het wellicht beter zou zijn om in de toekomst de mogelijkheid te hebben nog nieuwe afdelingen in het leven te kunnen roepen, indien evoluties dit zouden vereisen.

Een indiener verduidelijkt dat deze amendementen een antwoord vormen op de vragen die de minister tijdens de algemene bespreking heeft gesteld.

Een lid vraagt zich af of het wel wenselijk is, het advies van de afdeling planning ten aanzien van de erkenning van diensten of bijzondere zorgverlening via een conventie, een bindend karakter te geven.

Een andere spreker wijst erop dat alleen in deze situatie de adviezen een dwingend karakter hebben. Indien dit niet het geval zou zijn, mag worden gevreesd dat de oprichting van een planningscommissie weinig effect zou ressorteren.

De minister verklaart dat deze amendementen in grote lijnen tegemoet komen aan de bekommernissen die zij in dit verband heeft geuit.

De amendementen nr. 1.B en nr. 1.C worden aangenomen met 7 stemmen tegen 1 bij 1 onthouding.

Het geamendeerde artikel 2 wordt eveneens aangenomen met 7 stemmen tegen 1 bij 1 onthouding.

Artikel 3

De heer D'Hooghe en de heer Chantraine dienen het amendement nr. 2 (Stuk Senaat, nr. 1-1201/2 ­ 1998/1999) in.

« In het voorgestelde artikel 20, eerste lid, de woorden « De leden van de verschillende afdelingen worden door de Koning benoemd, » vervangen door de woorden : « Onverminderd het bepaalde in artikel 19 betreffende de vertegenwoordiging van de gemeenschappen en gewesten in elk van de afdelingen van de Wetenschappelijke Raad, worden de leden van de verschillende afdelingen door de Koning benoemd, »

Hij verduidelijkt dat dit amendement een logisch gevolg is van zijn amendement 1.A. Artikel 3 van het wetsvoorstel voorziet in de benoemingsprocedure voor de leden van de Wetenschappelijke Raad op federaal vlak. Het is evident dat deze procedure niet geldt voor de vertegenwoordigers van de gemeenschappen. De gemeeschappen moeten het recht hebben zelf hun vertegenwoordigers aan te wijzen.

Ook het amendement nr. 3 van de heer Poty voorziet in een, zij het beperkte, aanwezigheid van de gemeenschappen en de gewesten. Het voorliggende amendement behoudt derhalve zijn betekenis.

Mevrouw Nelis-Van Liederkerke en de heer Coene dienen het amendement nr. 5 (Stuk Senaat, nr. 1-1201/3 ­ 1998/1999) in, waarin wordt voorgesteld de betrokken bepaling volledig te vervangen als volgt :

« Art. 20. ­ De leden van de verschillende afdelingen worden door de Koning benoemd op voordracht van de minister die de Sociale Zaken onder zijn bevoegdheid heeft, onder de kandidaten die in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten voorgedragen worden. Voor de leden afgevaardigd door de respectievelijke ministers van Volksgezondheid van de gemeenschappen, dragen de ministers van Volksgezondheid van de respectievelijke gemeenschappen aan de minister van Sociale Zaken de kandidaten in dubbel aantal voor.

Het mandaat duurt zes jaar en is hiernieuwbaar. Voor ieder lid wordt een plaatsvervangend lid benoemd, op dezelfde wijze als bepaald in het vorig lid. In geval van verhindering vervangt het plaatsvervangend lid het werkend lid, op diens verzoek. »

De indienster merkt in haar toelichting op dat ook de bedoeling van dit amendement erin bestaat, de bepaling in verband met de benoeming van de leden aan te passen aan de aanwezigheid in de Raad van vertegenwoordigers van de gemeenschappen. In tegenstelling tot amendement nr. 2 van de heer D'Hooghe, wordt de benoemingsprocedure voor deze vertegenwoordigers nader uitgewerkt. Er wordtnamelijk voorgesteld dat de respectievelijke gemeenschapsministers bevoegd voor gezondheidszorg in dubbeltal kandidaten voordragen aan de minister van Sociale Zaken die deze kandidaten dan voordraagt aan de Koning.

De minister merkt bij dit laatste amendement op dat het naar haar oordeel niet aan de federale overheid toekomt, te bepalen hoe de vertegenwoordigers van de gemeenschappen en de gewesten in een dergelijk adviesorgaan worden aangewezen of deze zelf te gaan benoemen.

Wat dit betreft is zij het inhoudelijk eens met de visie die aan de basis ligt van het amendement nr. 2. Dit amendement lijkt haar echter overbodig, omdat het de logica zelve is dat het de gemeenschappen en de gewesten toekomt te bepalen door wie zij worden vertegenwoordigd en volgens welke procedure deze vertegenwoordigers worden aangewezen.

De indiener van amendement nr. 2 verklaart dat dit zou betekenen dat artikel 3 van het wetsvoorstel in zijn huidige vorm, niet geldt voor de vertegenwoordigers van de gemeenschappen, die de vergaderingen van de afdeling voor de planning van de medische activiteit met raadgevende stem kunnen bijwonen.

In het licht van deze interpretatie is hij bereid zijn amendement nr. 2 in te trekken.

Amendement nr. 5 wordt verworpen met 7 stemmen tegen 1, bij 1 onthouding.

Het artikel 3 wordt aangenomen met 7 stemmen tegen 1 bij 1 onthouding.

Het wetvoorstel in zijn geheel wordt eveneens aangenomen met 7 stemmen tegen 1, bij 1 onthouding.

Vertrouwen werd geschonken aan de rapporteur voor het uitbrengen van dit verslag.

De rapporteur, De voorzitter,
Lisette NELIS-VAN LIEDEKERKE. Francy VAN DER WILDT.

TEKST AANGENOMEN DOOR DE COMMISSIE VOOR DE SOCIALE AANGELEGENHEDEN


Zie Gedr. St. nr. 1-1201/5