1-1219/3

1-1219/3

Belgische Senaat

ZITTING 1998-1999

10 MAART 1999


Voorstel van resolutie betreffende de gevolgen gegeven aan het verslag van de parlementaire commissie van onderzoek betreffende de gebeurtenissen in Rwanda

Voorstel van resolutie betreffende de gevolgen gegeven aan het verslag van de parlementaire commissie van onderzoek betreffende de gebeurtenissen in Rwanda

Voorstel van resolutie betreffende de gevolgen gegeven aan het verslag van de parlementaire commissie van onderzoek betreffende de gebeurtenissen in Rwanda

Voorstel van resolutie betreffende de gevolgen gegeven aan het verslag van de parlementaire commissie van onderzoek betreffende de gebeurtenissen in Rwanda


VERSLAG

NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE BUITENLANDSE AANGELEGENHEDEN UITGEBRACHT DOOR DE HEER HOSTEKINT


I. INLEIDENDE UITEENZETTING BIJ HET HET VOORSTEL VAN MEVROUW THIJS C.S. BETREFFENDE DE GEVOLGEN GEGEVEN AAN HET VERSLAG VAN DE PARLEMENTAIRE COMMISSIE VAN ONDERZOEK BETREFFENDE DE GEBEURTENISSEN IN RWANDA (NR. 1-1220/1)

De auteur van het voorstel van resolutie legt uit dat het voorstel van resolutie dat zij samen met andere commissieleden heeft ingediend, het gevolg is van de mededeling die de minister van Landsverdediging in de commissie voor de Buitenlandse Aangelegenheden heeft gedaan omtrent de maatregelen die hij heeft genomen naar aanleiding van het verslag van de parlementaire commissie van onderzoek betreffende de gebeurtenissen in Rwanda dat inmiddels meer dan een jaar oud is.

De tekst bevat voorstellen tot hervorming van de statutaire procedure. Deze voorstellen luiden als volgt :

1. De minister dient de procedure te kunnen starten voor feiten die statutaire maatregelen vergen die minder ver gaan dan het definitief ontslag;

2. Het voorzitterschap van de onderzoeksraden en de informatiecommissies zou door een magistraat of oud-magristraat kunnen waargenomen worden;

3. De verplichting tot motivering door de onderzoeksraad op de vraag of de feiten bewezen zijn;

4. De centralisatie van de onderzoeksraden in Brussel waardoor een eenheid in rechtspraak mogelijk zou worden.

Tot slot wordt in het voorstel van resolutie gevraagd om snel een onafhankelijke algemene inspectie van de diensten van Landsverdediging te creëren, met aan het hoofd ervan een opperofficier en een burgerlijk ambtenaar-generaal.

II. INLEIDENDE UITEENZETTING BIJ HET VOORSTEL VAN DE HEER VERHOFSTADT C.S. BETREFFENDE DE GEVOLGEN GEGEVEN AAN HET VERSLAG VAN DE PARLEMENTAIRE COMMISSIE VAN ONDERZOEK BETREFFENDE DE GEBEURTENISSEN IN RWANDA (NR. 1-1229/1)

De auteur van het voorstel van resolutie stelt dat de enige juiste conclusie die uit het verslag van de parlementaire onderzoekscommissie kan getrokken worden luidt dat de minister van Landsverdediging dient te worden verzocht passende maatregelen te nemen in overeenstemming met de bevindingen van de Rwanda-commissie van de Senaat, en geen rekening te houden met het advies van de legerleiding vervat in het rapport-Herteleer. Er dient trouwens aan herinnerd dat stafchef Herteleer in zijn mondelinge uiteenzetting voor de Senaatscommissie voor de Buitenlandse Aangelegenheden in tegenspraak was met de conclusie die hij in zijn schriftelijk verslag heeft geformuleerd.

III. INLEIDENDE UITEENZETTING BIJ HET VOORSTEL VAN DE HEER CEDER BETREFFENDE DE GEVOLGEN GEGEVEN AAN HET VERSLAG VAN DE PARLEMENTAIRE COMMISSIE VAN ONDERZOEK BETREFFENDE DE GEBEURTENISSEN IN RWANDA (NR. 1-1245/1)

De indiener van het voorstel van resolutie herinnert eraan dat de aanleiding tot de voorstellen van resolutie de mededeling is van de minister van Landsverdediging betreffende het rapport van de informatiecommissie over de stafofficieren. Het onmiddellijke resultaat ervan was een gevoel van onrechtvaardigheid bij een aantal leden van de commissie voor de Buitenlandse Aangelegenheden.

Men stelt inderdaad vast dat de drie officieren die actief waren op het terrein tijdens de VN-operatie in Rwanda gedurende de periode 1993-1994 gesanctioneerd zijn geweest. Alhoewel de minister het enkel heeft over « beheersmaatregelen », hebben deze voor de betrokkenen negatieve gevolgen op beroepsgebied en op moreel vlak; men kan dus wel degelijk over een straf spreken.

Men stelt daarentegen vast dat voor de drie andere niveaus (de Verenigde Naties, de regering en de generale staf) geen sancties of andere maatregelen werden getroffen.

Het voorstel van resolutie van de heer Verhofstadt c.s. is in die mate verdienstelijk dat het tracht het onevenwicht te herstellen wat de generale staf betreft. Maar de draagkracht van deze tekst blijft toch enigszins beperkt omdat men enkel de heren Briot, Flament en Verhulst op het oog heeft, terwijl de eindverantwoordelijken binnen de generale staf buiten schot blijven. Betreurenswaardig is eveneens dat het voorstel van resolutie van de heer Verhofstadt geen verantwoordelijken bij de politici aanduidt.

Het lid besluit dat er zich twee mogelijke oplossingen opdringen : ofwel brengt men sancties uit op elk niveau wat blijkbaar niet haalbaar is, ofwel opteert men voor de opheffing van de « beheersmaatregelen » ten aanzien van kolonel Dewez, majoor Maggen en majoor Choffray. Dit laatste voorstel is het voorwerp van zijn resolutie.

Tot slot wenst het lid erop te wijzen dat drie betrokkenen uiteindelijk slechts lichte fouten hebben gemaakt, weliswaar met zware gevolgen. Kolonel Dewez heeft een beoordelingsfout gemaakt; majoor Choffray werd in het Rwanda-rapport (hoofdstuk dysfuncties) slechts eenmaal vermeld, en dit in een gedeelde verantwoordelijkheid met kolonel Dewez.

V. INLEIDENDE UITEENZETTING BIJ HET VOORSTEL VAN DE HEER MAHOUX EN MEVROUW LIZIN BETREFFENDE DE GEVOLGEN GEGEVEN AAN HET VERSLAG VAN DE PARLEMENTAIRE COMMISSIE VAN ONDERZOEK BETREFFENDE DE GEBEURTENISSEN IN RWANDA (NR. 1-1219/1)

Een van de indieners van het voorstel van resolutie geeft een toelichting. Zij herinnert eraan dat de commissie voor de Buitenlandse Aangelegenheden van de Senaat op 29 oktober 1998 de minister van Landsverdediging heeft gehoord over de individuele maatregelen waartoe hij besloten heeft naar aanleiding van het verslag van de parlementaire commissie van onderzoek betreffende de gebeurtenissen in Rwanda.

In het kader van die gedachtewisseling heeft de commissie ook kennis kunnen nemen van het verslag dat de chef van de generale staf, vice-admiraal Herteleer, op verzoek van de minister heeft opgesteld, en dat betrekking heeft op dezelfde gebeurtenissen en de bevelvoering in verband hiermee door de generale staf en het operationeel centrum. De gedachtewisseling hierover werd verder gezet tijdens de commissievergaderingen van 15 december 1998 en 7 januari 1999.

De commissie heeft verschillen vastgesteld tussen dit verslag en het verslag van de parlementaire onderzoekscommissie. Er werd bovendien ook vastgesteld dat de verklaringen die de chef van de generale chef van het leger afgelegd heeft, bezwarend zijn voor zijn voorganger.

In het voorliggend voorstel van resolutie wordt dan ook aan de minister van Landsverdediging gevraagd om bij het nemen van maatregelen rekening te houden met alle verslagen, alsook met de mondelinge verklaringen van de stafchef van het leger in de commissie voor de Buitenlandse Aangelegenheden in de Senaat.

V. BESPREKING

Een lid verklaart zich niet achter het voorstel van resolutie van mevrouw Thijs c.s. te kunnen scharen. Het lid herinnert eraan dat her verslag van de parlementaire onderzoekscommissie van de Senaat de namen van de verantwoordelijken binnen het militair apparaat vermeldt. Na de eenparige goedkeuring van het Rwanda-rapport door de commissie in december van vorig jaar werden er door militaire overheden allerlei pogingen ondernomen om de verantwoordelijkheden in het kader van de gebeurtenissen in Rwanda in de periode 1993-1994 te ontkennen en af te wimpelen.

Dit voorstel van resolutie biedt geen antwoord op de kernvraag naar de verantwoordelijkheden; het beperkt zich immers tot een procedurekwestie.

We stellen vast dat de minister van landsverdediging ten aanzien van lagere officieren op het terrein disciplinaire maatregelen heeft genomen. Voor de beoordeling van de militairen werkzaam binnen de generale staf en binnen het Cops heeft de minister beroep gedaan op een nieuw onderzoek dat uitgemond is in het verslag Herteleer.

Het lid stelt vast dat ten aanzien van lagere officieren de minister op eigen initiatief disciplinaire maatregelen heeft genomen zonder beroep te doen op een onderzoeksraad, maar dat voor hogere officieren wel gepleit wordt voor een onderzoeksraad die grondig zou worden hervormd zoals uitgewerkt in het voorstel van resolutie van mevrouw Thijs.

Een ander lid is van oordeel dat het voorstel van resolutie niet terzake doet.

Een lid verwijst naar de gedachtewisseling over de mededeling van de minister van Landsverdediging die in de commissie van de Buitenlandse Aangelegenheden doorgegaan is op 29 oktober, 9 december, 15 december 1998 en 7 januari 1999.

Het is duidelijk dat het voorstel van resolutie van mevrouw Thijs c.s. niet kan aangenomen worden. Het geeft de indruk dat men uit het Rwanda-rapport als enig besluit trekt dat in de toekomst onderzoeksraden zullen geherstructureerd worden. Dit is een al te beperkt gevolg dat men aan het verslag van de Rwanda-commissie geeft. Dit is de reden waarom de senator zelf een voorstel van resolutie heeft ingediend.

Spreker pleit voor zijn eigen voorstel van resolutie (Stuk Senaat, nr. 1-1229/1) maar verklaart wel bereid te zijn om het voorstel van resolutie van de heer Mahoux en mevrouw Lizin (Stuk Senaat, nr. 1-1219/1) in subsidiaire orde te steunen, omdat de indieners ervan de minister verzoeken met alle verslagen rekening te houden.

Er kan daarentegen geen steun verleend worden aan het voorstel van resolutie van de heer Ceder (Stuk Senaat, nr. 1-1245/1) omdat de vraag om de sancties die getroffen werden ten aanzien van kolonel Dewez, majoor Maggen en majoor Choffray in te trekken een verkeerd signaal inhoudt. Hieruit zou voortvloeien dat uiteindelijk niemand verantwoordelijkheid in de gebeurtenissen in Rwanda zou dragen. Spreker kan nochtans begrip opbrengen voor de motivering van de indiener van het laatste voorstel van resolutie dat het gevolg is van de onaanvaardbare beslissing van de minister enkel tegen de drie officieren die actief waren op het terrein maatregelen te nemen.

Een lid maakt een status questionis op.

De werkzaamheden van de parlementaire commissie van onderzoek betreffende de gebeurtenissen in Rwanda hebben de volgende gevolgen gehad :

Op het structurele niveau :

1. De regering heeft een beleidsnota opgesteld die het eerste document voor interministerieel overleg is over de deelname van België aan de vredeshandhavingsoperaties.

2. De Strijdkrachten zijn zich gaan bezinnen over de specifieke aard van hun rol in het kader van de vredesmissies en over de noodzakelijke aanpassingen aan de nieuwe internationale context.

3. Er is een mentaliteit ontstaan die erop is toegespitst dat officieren met een bevelsopdracht hun verantwoordelijkheid nemen met alle positieve en gevaarlijke aspecten die daaraan verbonden zijn; de zin voor zelfkritiek wordt gestimuleerd en lessons learned worden in de praktijk gebracht.

4. De belangstelling van het Parlement, van de media en van de bevolking voor problemen betreffende militaire operaties in het kader van internationale operaties is toegenomen.

5. De regering en het Parlement zijn zich bewuster geworden van de middelen die noodzakelijk zijn om de Strijdkrachten in staat te stellen nieuwe taken in het kader van de internationale vredeshandhaving uit te voeren.

Op het niveau van de personen die in de conclusies van het Rwanda-verslag genoemd worden :

1. Er werden individuele maatregelen genomen ten aanzien van officieren : kolonel Dewez, majoor Choffray en majoor Maggen hebben niet langer een bevelsopdracht.

2. Majoor Choffray en majoor Maggen hebben beroep ingesteld bij de Raad van State. De Raad van State heeft de maatregel ten aanzien van majoor Choffray geschorst (argumenten : vier jaar na de feiten, geen nieuwe elementen, twee bevorderingen). Dit toont aan hoe beperkt de actiemogelijkheden van de minister zijn.

3. Gelet op de argumenten van de Raad van State kan men veronderstellen dat alle maatregelen die de minister nog zou nemen tegen de bovengenoemde militairen (en in het bijzonder die van de generale staf) zullen worden geschorst. Dit toont aan dat een hervorming van de statutaire procedure noodzakelijk is.

4. Voor de officieren van de generale staf, de heren Charlier, Verhulst, Flament en Briot, heeft de minister van Landsverdediging een aanvullend informatieverslag gevraagd aan admiraal Herteleer, de huidige chef van de generale staf. Luitenant-generaal Charlier maakt niet langer deel uit van de Belgische strijdkrachten en valt niet meer onder de bevoegdheid van de minister.

5. Rekening houdend met de verschillende beoordelingsgegevens waarover hij beschikte (verslag van de onderzoekscommissie, verslag Herteleer, ...), heeft de minister besloten geen maatregelen te nemen tegen die officieren. Er kon niet worden bewezen dat een ernstige persoonlijke fout die kan worden toegeschreven aan bepaalde personen, aan de basis lag van de disfuncties die door de Rwanda-commissie zijn vastgesteld.

6. Het verslag Herteleer spreekt de vaststellingen die in het Rwanda-verslag zijn opgenomen, niet tegen. De bedoeling ervan was de disfuncties onderzoeken die aan het licht zijn gebracht door de onderzoekscommissie, nagaan of een ernstige fout daarvan de oorzaak was en of bewezen kon worden dat die eventuele fout kon worden toegeschreven aan een individu. Het verslag-Herteleer ligt dus eigenlijk in het verlengde van het Rwanda-verslag.

Het lid vermeldt ten slotte de drie soorten maatregelen waarover de minister beschikt ten aanzien van officieren die een fout hebben begaan :

1. Disciplinaire maatregelen : drie dagen arrest (verjaring na een jaar);

2. Statutaire maatregelen : tijdelijke of definitieve ambtsontheffing. In het geval van het Rwanda-dossier waren dat de enige maatregelen waarover de minister beschikte. De Raad van State heeft reeds in een arrest uitgesproken tegen een maatregel die tegen een van de officieren genomen is. Kolonel Dewez heeft geen beroep aangetekend tegen de maatregelen die ten aanzien van hem zijn genomen.

3. Strafmaatregelen : dat behoort tot de exclusieve bevoegdheden van de gerechtelijke instanties.

Het lid is van oordeel dat het voorstel van resolutie van mevrouw Thijs (Stuk Senaat, nr. 1-1220/1) dat door haarzelf mee ondertekend is, de meest aanvaardbare tekst is. Het lid verklaart zich eventueel ook achter het voorstel van resolutie van de heer Mahoux en Mevrouw Lizin te kunnen scharen indien de tekst geamendeerd wordt waarbij men aan bepaalde elementen van het voorstel van resolutie van mevrouw Thijs zou tegemoetkomen.

Een lid beschouwt dit voorstel van resolutie als de meest evenwichtig geformuleerde tekst omdat gevraagd wordt dat bij de beoordeling door de minister van eventuele fouten begaan door de generale staf en door het operationeel centrum niet alleen rekening wordt gehouden met het verslag Herteleer (zoals de minister heeft gedaan) maar dat in de eerste plaats rekening wordt gehouden met het verslag van de Rwanda-commissie en ook met de mondelinge toelichtingen die vice-admiraal Herteleer in commissie bij zijn verslag heeft gegeven.

Een ander lid suggereert dat het voorstel met de meest verregaande strekking eerst ter stemming zou worden voorgelegd.

Een lid merkt op dat de minister van Landsverdediging reeds een reeks individuele maatregelen heeft genomen om de officieren Dewey, Choffray en Maggen het bevel te ontnemen. In antwoord op het beroep van de majoors Choffray en Maggen heeft de Raad van State een arrest gewezen waarin hij de schorsing van de maatregel ten aanzien van majoor Choffray heeft uitgesproken. De argumenten van de Raad van State zijn in die zin geformuleerd dat de conclusies van de parlementaire commissie van onderzoek betreffende de gebeurtenissen in Rwanda vier jaar na de feiten zijn genomen, dat er geen nieuwe elementen zijn geweest en dat majoor Choffray gedurende deze periode van vier jaar twee bevorderingen heeft gekregen. Dat bewijst hoe beperkt de middelen zijn waarover de minister beschikt.

Rekening houdend met de argumenten van de Raad van State kan men aannemen dat alle maatregelen die door de minister zouden worden genomen ten aanzien van de genoemde militairen, en in het bijzonder ten aanzien van de leden van de generale staf, eveneens geschorst zullen worden. Dat bewijst dat het noodzakelijk is de statutaire procedure te hervormen, zoals voorgesteld wordt in de resolutie van mevrouw Thijs.

Mevrouw Williame-Boonen dient daarom een amendement in (Stuk Senaat, nr. 1-1219/2) dat ertoe strekt het voorstel van resolutie van de heer Mahoux en mevrouw Lizin dat als aanvaardbare vertrekbasis kan aanvaard worden aan te passen.

Het amendement luidt als volgt :

« A. De vierde considerans vervangen als volgt :

« Dat de commissie ervan uitgaat dat de werking van de generale staf ten tijde van Minuar voor verbetering vatbaar was. »

Verantwoording

De admiraal heeft niet gezegd wat hem hier in de mond wordt gelegd.

De commissie kan een oordeel uitspreken doch het is niet aanvaardbaar dat zij personen aanvalt en zich daarbij verschuilt achter de verklaringen van iemand anders.

De generale staf functioneert op een minder stroeve manier dan voorheen.

« B. Het dispositief aanvullen als volgt :

« Verzoekt de minister van Landsverdediging om de statutaire procedure te hervormen teneinde :

1º de minister in staat te stellen de procedure te starten voor feiten die statutaire maatregelen vergen die minder ver gaan dan het definitief ontslag;

2º de minister de mogelijkheid te geven om, indien dit nodig blijkt, de onderzoeksraden en de informatiecommissies te laten voorzitten door een magistraat of een oud-magistraat om zo een eerlijker procedure mogelijk te maken en te voorkomen dat de beslissingen genomen door deze raden als corporatistisch kunnen worden bestempeld;

3º de onderzoeksraad te verplichten zijn antwoord te motiveren op de eerste van de drie vragen die hem voorgelegd worden in het kader van de statutaire procedures, te weten : « zijn de feiten bewezen ? »;

4º de onderzoeksraden in Brussel te centraliseren om eenheid in de rechtspraak te verzekeren;

Vraagt daarenboven om snel een onafhankelijke algemene inspectie van de diensten van Landsverdediging te creëren met aan het hoofd ervan een opper-officier en een burgerlijk ambtenaar-generaal. »

VI. STEMMINGEN

6.1. Voorstel van resolutie van de heer Mahoux en mevrouw Lizin (nr. 1-1219/1)

Het amendement van mevrouw Willame-Boonen (Stuk Senaat, nr. 1-1219/2, amendement nr. 1) wordt aangenomen met 8 stemmen bij 4 onthoudingen.

Het aldus geamendeerde voorstel van resolutie wordt aangenomen met 10 stemmen bij 2 onthoudingen.

6.2. Voorstel van resolutie van mevrouw Thijs c.s. (nr. 1-1220/1)

Het voorstel van resolutie is overbodig geworden ten gevolge van de aanneming van het geamendeerde voorstel van resolutie van de heer Mahoux en mevrouw Lizin.

6.3. Voorstel van resolutie van de heer Verhofstadt c.s. (nr. 1-2229/1)

Het voorstel van resolutie wordt verworpen met 8 tegen 2 stemmen bij 1 onthouding.

6.4. Voorstel van resolutie van de heer Ceder (nr. 1-1245)

Het voorstel van resolutie wordt verworpen met 8 stemmen tegen 1 stem bij 2 onthoudingen.


Vertrouwen wordt geschonken aan de rapporteur voor het opstellen van dit verslag.

De rapporteur,
Patrick HOSTEKINT.
De voorzitter,
Anne-Marie LIZIN.