Vragen en Antwoorden

Belgische Senaat


Bulletin 1-91

ZITTING 1998-1999

Vragen van de Senatoren en antwoorden van de Ministers

(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans


Minister van Justitie

Vraag nr. 670 van de heer Loones d.d. 4 december 1997 (N.) :
Wetsontwerp kansspelen en kansspelinrichtingen. ­ Vraag voor een casino aan de Westkust.

De Ministerraad heeft op 24 oktober 1997 definitief een casino-wetsontwerp, in wijziging van de wet van 24 oktober 1992 goedgekeurd.

Naast de 8 bestaande casino's (Oostende, Blankenberge, Knokke, Middelkerke, Chaudfontaine, Dinant, Namen, Spa) komt er een negende casino, in één van de 19 Brusselse gemeenten.

Volgens verklaringen van de minister (Senaat 20 november 1997) is het overleg met de gewesten gepland op 3 december, waarna de Ministerraad het wetsontwerp eventueel nog kan aanpassen.

Graag krijg ik een antwoord op volgende vragen :

1. Waarom werd er niet ingegaan op de herhaalde vraag vanuit de Westkustgemeenten (De Panne, Koksijde-Oostduinkerke, Veurne) tot gedogen van een casino ? (Argumenten ervoor zijn onder meer concurrentiepositie ten opzichte van Middenkust en Oostkust, maar vooral ten opzichte van de nabije casino's in Frankrijk, in het bijzonder Duinkerke.)

2. Ziet de geachte minister een mogelijkheid om in de toekomst een bijkomend casino voor de Westkust toe te staan ?

3. Hoe beoordeelt de geachte minister de manifeste schending van het gelijkheidsbeginsel, zoals reeds gesuggereerd in het advies van de Raad van State ?

Antwoord : Omstreeks de eeuwwisseling dreigde de exploitatie van kansspelen uit te groeien tot een echte sociale plaag. Om die reden koos de wetgever, bij de wet van 24 oktober 1902 op het spel, voor een algemeen en onvoorwaardelijk verbod op het trekken van voordeel uit kansspelen.

De wettelijke uitzonderingen die werden gemaakt onder meer voor loterijen, pronostieken, en de zogenaamde « behendigheidsspelen », stemmen evenwel sedert lang niet meer overeen met de organisch gegroeide maatschappelijke realiteit.

In België worden immers sedert decennia acht casino's geëxploiteerd. Dergelijke exploitaties zijn tot op de dag van vandaag een overtreding van de wet op het spel, maar worden om « fiscale en historische redenen » gedoogd door de parketten-generaal, voor zover de exploitanten bepaalde strenge voorwaarden respecteren.

Deze situatie is niet langer meer houdbaar in de mate dat voor de enen strafbare feiten worden getolereerd die in hoofde van anderen worden verboden en vervolgd.

Overigens drong vooral het Brussels Hoofdstedelijk Gewest aan op het tolereren van een bijkomend casino gelet op de huidige geografische spreiding van de casino's in ons land, namelijk vier aan de kust en vier in het Waalse landsgedeelte.

Ook bleek het nodig een spelbeleid uit te bouwen dat gelijke tred houdt met de evolutie inzake kansspelwetgeving in internationale context en met de jongste technologische ontwikkelingen op de elektronische kansspelmarkt.

In november 1995 kwam er een zogenaamd « moratorium« van casino's : het College van procureurs-generaal besliste in afwachting van een eventuele wetswijziging geen afwijkingen op het gedoogbeleid toe te staan.

Om al deze redenen was een wettelijke regeling noodzakelijk. Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest plaatste de problematiek op de agenda van het overlegcomité regering-, gemeenschaps- en gewestregeringen, waarna aan de minister van Justitie opdracht werd gegeven een voorontwerp van wet te formuleren.

Op de vergadering van 3 december 1997 van het comité werd akte genomen van het voorontwerp dat nadien door de regering als amendement op het wetsvoorstel op het spel, ingediend door de Senator Weyts (Stuk Senaat, nr. 1-419/1 d.d. 23 september 1996), werd neergelegd.

In het regeringsamendement werd gekozen voor het behoud van de sociaal sedert lang aanvaarde vestiging van de acht bestaande casino's met een bijkomend casino op het grondgebied van één van de negentien gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

Uit de memorie van toelichting bij het oorspronkelijke voorontwerp van wet blijkt dat de keuze voor de acht bestaande gemeenten objectief te verklaren is door de historische rechten die zijn ontstaan ten aanzien van een aantal gemeenten. Deze rechten zijn immers innig verbonden met de ligging of de functie van deze gemeenten en een specifieke vorm van toerisme welke er voor zorgt dat er een aantrekkingskracht is voor het cliënteel van de casino's. Dit zorgt er voor dat er een aangepaste infrastructuur en bekwaam personeel aanwezig is.

Het advies van de Raad van State op het initiële voorontwerp is genuanceerd en vermeldt (Stuk Senaat, nr. 1-419/17, blz. 239) : « Het staat aan het Parlement om te oordelen of die criteria objectieve criteria zijn op basis waarvan de vrijheid van vestiging kan worden beperkt ».

In het arrest van 13 oktober 1989 nr. 23/89 van het Arbitragehof wordt gesteld dat de grondwettelijke regels van de gelijkheid der Belgen voor de wet en van de niet-discriminatie niet uitsluiten dat een verschil in behandeling volgens bepaalde categorieën van personen zou worden ingesteld, voor zover voor het criterium van onderscheid een objectieve en redelijke verantwoording bestaat. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld met betrekking tot het doel en de gevolgen van de ter beoordeling staande norm; het gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat de aangewende middelen redelijkerwijze niet evenredig zijn met het beoogde doel.

Volgens de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie in de zaak Schindler (arrest van 24 maart 1994, zaak C-275/92, Verz., blz. I-1039) in het kader van kansspelen, beschikt de nationale overheid over voldoende appreciatiemogelijkheid om de vereisten in verband met de bescherming van de maatschappelijke orde te bepalen en heeft zij het recht de noodzaak tot het beperken of het verbieden van deze activiteiten te beoordelen, zonder evenwel het gemeenschapsrecht te mogen overtreden (punt 60, 61).

In de meeste landen wordt de kansspelproblematiek door de Staat gereglementeerd teneinde de kosten van de negatieve gevolgen (sociale lasten) die eruit voortvloeien te verkleinen.

De beschikkingen van het EEG-Verdrag met betrekking tot de vrije prestatie van diensten zijn niet in tegenstrijd met een restrictieve wetgeving die rekening houdt met bekommernissen als sociale politiek, bescherming van spelers en preventie van fraude.

Het is duidelijk dat een Staat de modaliteiten, het volume van de inzetten en bestemming van de winst inzake kansspelen vrij kan reglementeren voor zover de genomen maatregelen geen discriminatie inhouden alsook noodzakelijk en evenredig zijn om het algemeen belang na te streven.

Het algemeen beginsel van het ontwerp terzake houdt onder meer het verbod in om waar ook, onder welke vorm en op welke wijze ook één of meer kansspelen of kansspelinrichtingen uit te baten, behoudens door voorafgaande schriftelijke vergunningen wettelijk toegelaten spelen of inrichtingen.

Daardoor voorziet het ontwerp in het verlenen van exclusieve rechten aan houders van deze vergunningen. In het wetsontwerp behoudt de Ministerraad zich het recht voor de lijst en het aantal kansspelen vast te leggen, waarvan de exploitatie toegelaten wordt, alsook in hoofde van de spelers en de gokkers het maximumbedrag van de inzet per spel, van het verlies en van de winst te bepalen. Bovendien blijkt uit het ontwerp dat de houders van vergunningen geen afspraken tot concurrentiebeperking opgelegd krijgen of daartoe aangezet worden.

Deze restricties en een strikte staatscontrole op de activiteiten van de uitbaters van kansspelinrichtingen vrijwaren precies de gebruikers van zulke diensten tegen eventuele misbruiken vanwege de betrokken operatoren.

Ook mag niet uit het oog worden verloren dat de wetgeving inzake kansspelen wordt beschouwd als een regelgeving die betrekking heeft op de openbare orde en de goede zeden zodat het vastleggen van de algemene omkadering betreffende de beperkte uitbating van de casino's tot de federale bevoegdheid behoort.

Er kan ten deze bij wijze van voorbeeld onder meer worden verwezen naar de Nederlandse wetgeving terzake, namelijk de wet van 10 december 1964, houdende nadere regelen met betrekking tot kansspelen. Artikel 27-p bepaalt onder meer : « Onze ministers kunnen aan een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid voor door hen te bepalen tijd vergunning verlenen in door hen aan te wijzen gemeenten ».

De keuze om het aantal casino's te beperken tot negen betekent uiteraard dat slechts negen gemeenten de toelating krijgen voor de vestiging van een dergelijke inrichting op hun grondgebied. Het mogelijke voordeel dat een gemeente zou kunnen halen uit de vestiging van een casino kan door de betrokken overheidsinstanties worden uitgesloten onder meer langs fiscale weg en ook via de concessie-overeenkomst tussen gemeenten en casino waarvan de inhoud volgens het ontwerp door een in de Ministerraad overlegd koninklijk besluit kan worden bepaald.

Tenslotte bepaalt artikel 29 in fine van de ontwerptekst dat bij sluiting van een casino, de Koning, op advies van de kansspelcommissie, bij een in de Ministerraad overlegd besluit, de toestemming kan verlenen om de exploitatie van een dergelijk kansspelinrichting te verplaatsen naar een andere gemeente van hetzelfde gewest.