1-1203/1

1-1203/1

Belgische Senaat

ZITTING 1998-1999

18 DECEMBER 1998


Wetsvoorstel tot opheffing van artikel 45, § 3, 3º, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde

(Ingediend door de heren Verhofstadt en Goovaerts )


TOELICHTING


Ingevolge de bepalingen van artikel 18, § 1, 10º en 11º van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde wordt als een dienst beschouwd, de uitvoering van een contract dat tot voorwerp heeft :

­ het verschaffen van gemeubeld logies alsook de terbeschikkingstelling van plaats om te kamperen;

­ het verschaffen van spijs en drank in restaurants en cafés en, meer algemeen, in omstandigheden voor het verbruik ter plaatse.

Artikel 45, § 3, 3º, van hetzelfde Wetboek bepaalt echter dat niet voor aftrek in aanmerking komt, de belasting terzake van de kosten van logies, spijzen en dranken in de zin van artikel 18, § 1, tweede lid, 10º en 11º, daaronder niet begrepen de kosten die worden gedaan :

a) voor het personeel dat buiten de onderneming belast is met een levering van goederen of een dienstverrichting;

b) door belastingplichtigen die op hun beurt dezelfde diensten onder bezwarende titel verstrekken.

Aftrek is het recht dat krachtens artikel 45 van hetzelfde Wetboek is toegekend aan eenieder die werkelijk de hoedanigheid van belastingplichtige bezit om de voorbelasting, dit is de BTW op bepaalde uitgaven en lasten die betrekking hebben op de uitoefening van de activiteit waaruit de belastingplicht voortspruit, te recupereren door toerekening ervan op de BTW die verschuldigd is geworden wegens goederenleveringen en diensten, wegens intracommunautaire verwervingen of wegens handelingen die daarmee zijn gelijkgesteld.

De techniek van de aftrek van voorbelasting houdt in dat na verloop van een bepaald tijdvak (maand of kwartaal) een afrekening moet worden gemaakt van wat globaal opeisbaar en aftrekbaar is geworden gedurende het tijdvak waarop de afrekening slaat. Deze afrekening wordt in de BTW-aangifte gedaan, waardoor dus in principe alleen de belastingplichtigen die BTW-aangiften indienen het recht op aftrek effectief kunnen uitoefenen.

Belastingplichtigen brengen in principe de BTW in aftrek, geheven van alle bedrijfsuitgaven die zij bestemmen voor het verrichten van handelingen die in het BTW-Wetboek zijn bedoeld en niet zijn vrijgesteld met verlies van het recht op aftrek.

Dat principe geldt onder meer voor investeringen en voor de algemene kosten, zelfs wanneer deze slechts onrechtstreeks tot het verrichten van de genoemde handelingen bijdragen.

Het hoeft geen betoog dat de Belgische horecasector zeer sterk benadeeld is door de uitsluiting van het recht op aftrek van de belasting terzake van kosten van logies, spijzen en dranken zoals voorzien in artikel 45, § 3, 3º, van hetzelfde wetboek.

Voorliggend wetsvoorstel strekt er dan ook toe de belasting terzake van deze kosten voortaan voor 100 % aftrekbaar te maken.

Wanneer de BTW op zijn gevolgen wordt beoordeeld, kan worden gesproken van een « verbruiksbelasting ». De BTW wordt in de eerste BTW-richtlijn een algemene verbruiksbelasting genoemd, strikt evenredig met de prijs van goederen en diensten ongeacht het aantal transacties die tijdens het produktie- en distributieproces voor de fase van heffing plaatsvonden. Een verbruiksbelasting wordt echter slechts een enkele maal gedragen en wel door de eindverbruiker.

Bijgevolg heeft voorliggend wetsvoorstel voor gevolg dat de BTW zoals de basisregels van deze belasting het vereisen, wordt gedragen door de eindverbruiker.

De belangrijkste reden voor de indiening van voorliggend wetsvoorstel is echter de horeca-sector een fiscale stimulans te bieden.

De horeca vertegenwoordigt een niet te verwaarlozen sector voor de Belgische economie. De sector neemt ongeveer 3 % van het BNP voor zijn rekening en telt circa 120 000 ingeschreven werknemers.

In gevolge de zware crisis die de horeca-sector doormaakt, kent het aantal faillissementen een gestage toename. Vele horeca-bedrijven hebben te kampen met een negatief netto-bedrijfskapitaal, waardoor zij niet in staat zijn te voldoen aan hun verplichtingen op korte termijn. Door het gebrek aan rentabiliteit en ingevolge de hoge personeelskosten, is de nettowinst voor de meerderheid van de restaurantbedrijven onvoldoende of zelfs negatief.

Guy VERHOFSTADT.
Leo GOOVAERTS.

WETSVOORSTEL


Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2

Artikel 45, § 3, 3º, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde wordt opgeheven.

Art. 3

Deze wet treedt in werking op 1 januari 1999.

Guy VERHOFSTADT.
Leo GOOVAERTS.