Vragen en Antwoorden

Belgische Senaat


Bulletin 1-89

ZITTING 1998-1999

Vragen waarop niet werd geantwoord binnen de tijd bepaald door het reglement
(Art. 66 van het reglement van de Senaat)

(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans


Vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken

Vraag nr. 1468 van de heer Olivier d.d. 25 november 1998 (N.) :
Bevolkingsinspectie. ­ Opvragen gegevens bij nutsbedrijven. ­ Vervallenverklaring politiek mandaat. ­ Geschillen in verband met verblijfstoestand.

De bevolkingsinspectie kan van een bestendige deputatie dan wel de Raad van State de opdracht krijgen onderzoek te voeren, althans daaraan mee te werken teneinde iemands feitelijke woonplaats na te gaan. Zo'n onderzoek kan bijvoorbeeld gevoerd worden om iemand als gemeente- en/of OCMW-raadslid vervallen te verklaren.

De bevolkingsinspectie gaat daarbij uit eigen beweging over tot het opvragen van facturen en dergelijke bij diverse nutsbedrijven, zonder hiertoe uitdrukkelijk de opdracht te hebben gekregen van genoemde colleges. Desgevraagd kan zo'n opdracht dus ook niet worden voorgelegd. In mijn schriftelijke vraag nr. 1099 van 19 mei 1998 (bulletin van Vragen en Antwoorden , Senaat, nr. 1-83 van 6 oktober 1998, blz. 4351 en volgende), vroeg ik aan de heer Elio Di Rupo, minister van Telecommunicatie, uitleg inzake het vrijgeven van informatie specifiek omtrent telefoonkosten aan de bevolkingsinspectie met deze doelstelling. Hij deelde mij mede dat het telecommunicatiegeheim zeer streng beschermd wordt en dat bijgevolg het vrijgeven van die informatie zonder toestemming van de betrokkenen in strijd is met het artikel 109ter D van de wet van 21 maart 1991 (cf. artikelen 77, 78 en 83 van de wet van 19 december 1997, Belgisch Staatsblad van 30 december 1997 en ook de schriftelijke vraag nr. 1145 van de heer Standaerd van 15 september 1994, Vragen en Antwoorden , Kamer, nr. 131, 1994-1995, blz. 13627 en volgende).

Door de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten werd de procedure inzake « verplichte inschrijving » in dit register (voorafgaandelijk) contradictoir gemaakt. Na begin april 1996 vermeldt u in de toegezonden aangetekende brief waarvan sprake is in het artikel 8, § 1, alinea 3, van deze wet, dat iemand binnen vijftien dagen na de kennisgeving van uw voornemen om tegen hem of haar een dergelijke administratieve beslissing ter zake uit te voeren, hij of zij de mogelijkheid heeft om hiertegen eventuele bemerkingen dan wel verweermiddelen te formuleren. Men kan tevens vragen om gehoord te worden.

Uit uw antwoord op mijn schriftelijke vraag nr. 44 d.d. 30 oktober 1995 (bulletin van Vragen en Antwoorden , Senaat, nr. 1-10 van 13 februari 1998, blz. 468 en volgende) blijkt dat u per jaar van 800 à 1 000 geschillen inzake betwisting van inschrijving in het bevolkingregister kennis neemt.

Graag had ik van de geachte minister een antwoord op volgende vragen :

1. Gaat de bevolkingsinspectie nog steeds informatie over telefoonkosten opvragen en zo ja, nu op de correcte wijze ?

2. Wordt nu bij het opvragen van inlichtingen bij de nutsbedrijven ook steeds de eigenlijke opdracht getoond die zij eventueel van een (rechts)college ontving ?

3. Bent u bereid om voortaan, in toepassing van artikel 8, § 1, 3º, van de wet van 19 juli 1991, artikel 5 van de wet van 11 april 1994 en artikel 5 van de wet van 12 november 1997 betreffende de openbaarheid van bestuur, om betrokkene uit eigen beweging in te lichten, dat hij inzage kan krijgen in de gegevens die de bevolkingsinspectie heeft verzameld bij voornoemde bedrijven; dit alvorens zij haar verslag bezorgt aan hogervermeld opdracht gevend college, en hij zich dus beter kan verdedigen ?

4. In hoeveel procent van de gevallen is de geachte minister (in de afgelopen vijf jaar) na het opsturen van de aangetekende brief waarvan hoger sprake en na het ontvangen van een reactie van betrokkenen op zijn voornemen teruggekomen (zo mogelijk per jaartal en per gewest) ?

5. Hoeveel beslissingen inzake dergelijke inschrijvingen (eventueel afgeleid uit een arrest van de Raad van State) werden er in dezelfde tijdsspanne (met terugwerkende kracht en in dezelfde omschrijving (als in punt 4 omschreven) door de bevolkingsinspectie genomen ?

6. In hoeveel gevallen werd er in deze periode (per gewest) beroep ingesteld bij de Raad van State (eventueel in kort geding) en werd de geachte minister in het gelijk gesteld ? Hoeveel geschillen zijn daar nog hangend ?