(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans
Bij koninklijk besluit van 20 december 1996 (Belgisch Staatsblad van 31 december 1996) werden de fiscale categorieėn van bestuurder en werkend vennoot afgeschaft en werd de nieuwe categorie van bedrijfsleider ingevoerd. Deze categorie werd verder onderverdeeld in twee subcategorieėn en voor het eerst opgenomen in de aangifte van aanslagjaar 1998.
De eerste subcategorie betreft bedrijfsleiders die « wegens de uitoefening van een opdracht als bestuurder, zaakvoerder, vereffenaar of gelijksoortige functies bezoldigingen ontvangen » van een vennootschap (artikel 32, 1ŗ, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992). De tweede subcategorie betreft bedrijfsleiders die « in een vennootschap een werkzaamheid of een leidende functie van dagelijks bestuur, van commerciėle, technische of financiėle aard, uitoefenen buiten een arbeidsovereenkomst » (artikel 32, 2ŗ, van het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992).
Volgens een bepaalde interpretatie konden de vergoedingen die door een artsenvennootschap aan een arts werden betaald niet als bezoldigingen van een bedrijfsleider van de eerste subcategorie worden beschouwd. Dit volgde uit de deontologische regel die artsen verbood een bezoldiging te ontvangen voor een bestuurdersmandaat (Parlementaire vragen, Kamer, 27 mei 1998, C 582, blz. 6-7).
De Nationale Raad van de Orde der Geneesheren heeft onlangs beslist het verbod op het bezoldigd uitoefenen van een bestuurdersmandaat in een artsenvennootschap uit de beroepscode te schrappen. Dit sluit echter niet uit dat de statuten van de vennootschap nog steeds kunnen bepalen dat het bestuurdersmandaat onbezoldigd is.
Hierbij dringen zich de volgende vragen op :
1. Betekent deze nieuwe wending dat artsen voortaan wel kunnen worden beschouwd als bedrijfsleiders van de eerste subcategorie voor zover hun mandaat in de vennootschap bezoldigd is ?
2. a) Kunnen artsen die, als natuurlijke persoon, buiten enige band van ondergeschiktheid, in een vennootschap hun beroepswerkzaamheden uitoefenen, worden beschouwd als bedrijfsleiders van de tweede subcategorie ?
b) Kunnen in het bijzonder de vergoedingen die door een professionele artsenvennootschap worden betaald aan de arts voor de prestaties die de arts voor deze vennootschap heeft verricht, worden beschouwd als vergoedingen voor een werkzaamheid of leidende functie van dagelijks bestuur enerzijds of van commerciėle, technische of financiėle aard anderzijds, en dit in de zin van artikel 32, 2ŗ, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 ?
3. In de hypothese dat artsen bedrijfsleiders kunnen zijn zoals hiervoor onder 1 of 2 beschreven, bestaat dan de mogelijkheid dat een deel van de vergoedingen door de vennootschap aan de arts betaald, beschouwd worden als bezoldigingen van bedrijfsleiders en een ander deel als baten van de arts ?
4. In de hypothese dat een deel van de vergoedingen door de vennootschap aan de arts betaald, beschouwd kan worden als « bezoldigingen van bedrijfsleider » en een ander deel als « baten » van de arts, hoe kan dan een deel van de baten worden toegekend aan de meehelpende echtgenoot ?