Vragen en Antwoorden

Belgische Senaat


Bulletin 1-87

ZITTING 1998-1999

Vragen van de Senatoren en antwoorden van de Ministers

(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans


Minister van Justitie

Vraag nr. 966 van de heer Olivier d.d. 24 maart 1998 (N.) :
Computercriminaliteit. ­ Stand van zaken.

In de Verenigde Staten stijgt de computercriminaliteit dramatisch. Dat blijkt uit een jaarlijks onderzoek van het Computer Security Institute. De feiten variëren van gestolen laptops tot geavanceerd kraken via het Internet.

In vergelijking met het onderzoek dat vorig jaar werd uitgevoerd is de computercriminaliteit in de Verenigde Staten met 16 % gestegen (totaal schadebedrag, bijna 5 miljard frank).

Het onderzoek wijst ook op een zwakte van de computernetwerken van de overheidsinstellingen.

Graag had ik van de geachte minister een antwoord op volgende vragen :

1. Bestaat er in ons land een instantie die (jaarlijks) onderzoek doet naar de computercriminaliteit, zo ja, dewelke ?

2. Kan de geachte minister mij cijfers ter beschikking stellen over de ernst van deze vorm van criminaliteit in ons land (aantal inbreuken, aard van de inbreuken, schadebedrag) ?

3. Zijn onze overheidsinstellingen (met inbegrip van de defensie-installaties) voldoende uitgerust om zich tegen deze vorm van criminaliteit te beschermen ?

Antwoord : 1. Binnen elk hof van beroep is er een « computer crime unit » (CCU) werkzaam. Deze units opereren in het kader van de zogenaamde « specialisatierichtlijn » van 21 februari 1997 waarin werd voorzien dat de politiediensten zich bij voorrang zouden bekwamen in bepaalde aan hen toegewezen materies betreffende het gerechtelijk opsporings- en onderzoekwerk. Voor de computercriminaliteit is dit de gerechtelijke politie. Samen met de CCU's verrichten strategische analisten bij de nationale brigade van de gerechtelijke politie een breder onderzoek naar de aard, de omvang en ernst van de problemen waarop België in de toekomst zal dienen te anticiperen binnen het domein. Zij werkten aan de definiëring, ontwikkelden een methodologie en stelden in 1997 een meldingsformulier informaticacriminaliteit op om tot een nationale inventaris te kunnen komen.

2. Het is vooralsnog moeilijk een cijfermatig beeld te verkrijgen van de informaticacriminaliteit, zowel wat betreft de inbreuken als de schadeposten. Door een gebrek aan specifieke wetgeving vallen de inbreuken die betrekking hebben op informaticacriminaliteit immers vaak onder een « traditionele » inbreuk (diefstal, oplichting, misbruik van vertrouwen, inbreuk op de privacy, op de auteursrechten) waardoor ze in de officiële tellingen verborgen blijven. Dit maakt dat er in België nog geen kwantitatieve gegevens voorhanden zijn die de diverse informaticadelicten extraheren per categorie. Tevens blijft het moeilijk de opsporing, vervolging en berechting van informaticadelicten systematisch in kaart te brengen.

Met de enquêtes die door de nationale brigade van de gerechtelijke politie worden verricht bij de CCU's probeert men een stuk van die leemte op te vullen. Ook het invoeren van specifieke registratiecodes in de gehanteerde nomenclatuur, gebruikt bij de geïnformatiseerde parketten en griffiers, moet het in de toekomst mogelijk maken van deze problematiek een kwantitatief beeld te krijgen. Tenslotte wordt er ook gewerkt aan een wetsontwerp dat de strijd tegen deze nieuwe vormen van criminaliteit moet verbeteren.

3. De vraag die het geachte lid stelt met betrekking tot de beveiliging tegen computercriminaliteit van de overheidsinstellingen, met inbegrip van de defensie-installaties, is moeilijk te beantwoorden. De snelle evolutie op het terrein van de informaticatechnologie, alsook de bredere implementering van de diverse applicaties binnen de verschillende overheidsdiensten nopen tot een breed gamma aan beveiligingsprocedures en controles. De heterogeniteit, alsook de specificiteit van de gebruikte methodes en instrumenten, en in sommige gevallen de vertrouwelijke aard van de manieren waarop de verschillende overheidsdiensten zich wapenen tegen computergeliëerde inbreuken, kunnen binnen het bestek van dit antwoord niet opgesomd worden en zouden het voorwerp moeten uitmaken van een gerichte studie.