1-966/9

1-966/9

Belgische Senaat

ZITTING 1998-1999

8 DECEMBER 1998


Wetsontwerp betreffende de beslechting van fiscale geschillen


Evocatieprocedure


AMENDEMENTEN


Nr. 124 VAN DE HEER D'HOOGHE

(Subamendement op amendement nr. 69 van de regering)

Art. 10bis (nieuw)

Aan het voorgestelde artikel 10bis een lid toevoegen, luidende :

« B. In artikel 333, derde lid, van hetzelfde Wetboek worden de woorden « en op nauwkeurige wijze » geschrapt. »

Verantwoording

Aangezien het eerste deel van het amendement nr. 8 is overgenomen in het amendement nr. 69 van de regering, lijkt het aangewezen om dit amendement aan te vullen met de andere bepaling van amendement nr. 8. Het voorstel is om deze tekst te herformuleren opdat ze meer aanvaardbaar zou zijn op het vlak van de onderzoeksmogelijkheden van de fiscale administratie. Dit alles zonder te raken aan het recht van de belastingplichtige geïnformeerd te worden over zijn dossier.

In de huidige procedure kan de administratie een aanvullende onderzoekstermijn verkrijgen op voorwaarde dat de belastingplichtige voorafgaand en schriftelijk op de hoogte wordt gebracht van de bijzonderheden van de aanwijzingen die deze verlenging noodzaken. Deze verplichting is voorgeschreven op straffe van nietigheid van de aanslag.

Het is echter net door het verrichten van bijkomend onderzoek dat de fiscus nauwkeurige aanwijzingen van fraude kan inzamelen. De bepaling heeft dus veel weg van een vicieuze cirkel : ofwel begint de administratie met een onderzoek om nauwkeurige aanwijzingen van fraude in te zamelen, maar dan schendt ze de verplichting om voorafgaandelijk de belastingplichtige in te lichten; ofwel stuurt ze op basis van de summiere informatie die ze reeds heeft een bericht aan de belastingplichtige om hem in kennis te stellen van toekomstige onderzoeksdaden maar dan repliceert de belastingplichtige dat de voorafgaande kennisgeving niet voldoende nauwkeurig is.

Het voorstel dat in dit amendement vervat zit, wil dus het onderscheid tussen de gewone en de verlengde aanslagtermijn behouden, net zoals de verplichte kennisgeving maar de hierboven genoemde paradox opheffen. De verplichting van de voorafgaande nauwkeurige kennisgeving van aanwijzingen van fraude mag niet meer als gevolg hebben dat de facto de administratie gemuilkorfd wordt in de strijd tegen de fiscale fraude.

Nr. 125 VAN DE HEER D'HOOGHE

Art. 55

In het voorgestelde artikel 55 de woorden « en nauwkeurig » doen vervallen.

Verantwoording

Dit amendement beoogt voor de onderzoeken in BTW zaken hetzelfde als wat het amendement op artikel 10bis (subamendement op amendement nr. 69 van de regering) tot doel heeft in de inkomstenbelastingen. De door het ontwerp ingevoegde bepaling is immers opgesteld met het oog op de gelijkschakeling van de beide termijnen en procedures.

Jacques D'HOOGHE.

Nr. 126 VAN DE HEER JONCKHEER

Art. 18

In dit artikel een 1ºbis invoegen, luidende :

« 1ºbis. In het eerste lid worden de woorden « drie jaar » vervangen door de woorden « vijf jaar ».

Verantwoording

De verlenging van de aanslagtermijnen is op zich niet wenselijk want dat heeft negatieve gevolgen voor de rechtszekerheid van de belastingplichtige en is ook geen aanwijzing dat de belastingdiensten goed werk leveren. De beoordeling van wat een « redelijke » termijn is, is echter afhankelijk, enerzijds van de middelen waarover de belastingdiensten zelf beschikken en anderzijds van hun mogelijkheden om ­ afgezien van de informatie die de belastingplichtige verstrekt ­ zelf onmiddellijk over die informatie te kunnen beschikken en die ook onmiddellijk te kunnen controleren. Mocht er in het Parlement geen meerderheid zijn om nieuwe wetsbepalingen goed te keuren waarmee die doelstellingen bereikt kunnen worden, dan lijkt de verlenging van de termijnen een « second best ». Bovendien is de termijn inzake BTW eveneens 5 jaar (artikel 81 van het BTW-Wetboek), hoewel de regering voorstelt om die termijn tot 3 jaar te verminderen (artikel 50 van dit ontwerp, waarbij een nieuw artikel 81bis in het BTW-Wetboek wordt ingevoegd).

Pierre JONCKHEER.

Nr. 127 VAN DE HEREN DELCROIX EN WEYTS

(Subamendement op amendement nr. 70 van de regering)

Art. 18

De voorgestelde derde wijziging in artikel 354 aanvullen als volgt : de woorden « twaalf maanden » vervangen door de woorden « zes maanden ».

Verantwoording

Het is de bedoeling om met de verschillende wijzigingen die in de tekst zullen worden aangebracht, een algemeen regime te doen ontstaan waarbinnen de administratieve fase na zes maanden kan worden beëindigd door de belastingplichtige. Het is noodzakelijk dat alle andere bepalingen worden aangepast aan deze grondgedachte.

Artikel 354 WIB 92 geeft de fiscus drie jaar om, als er fouten zijn gemaakt bij de aangifte, hierop terug te komen. Het vierde lid van het artikel voorzag dat deze termijn werd verlengd met de periode die liep vanaf het indienen van een bezwaarschrift tot de beslissing van de directeur, met een maximum van twaalf maanden. Het is deze verlenging met twaalf maanden die met het amendement wordt herleid tot maximaal zes maanden.

Deze kleine aanpassing zal er voor zorgen dat iedereen die met de procedure werkt, bijkomend wordt aangemaand om de zes maanden te beschouwen als een richttermijn.

Leo DELCROIX.
Johan WEYTS.

Nr. 128 VAN DE REGERING

Art. 9

De onder letter B) voorgestelde bepaling doen vervallen.

Verantwoording

Zie verantwoording bij amendement nr. 103 van de heer Delcroix c.s. Hetzelfde probleem rijst voor de CDV.