1-1110/2 | 1-1110/2 |
10 DECEMBER 1998
Het voorliggend verdrag maakt deel uit van een reeks van zeven internationale juridische instrumenten, waarmee de internationale gemeenschap tussen 1970 en 1980 werd toegerust om de strijd aan te binden tegen de uiteenlopende vormen van terrorisme. Ons land heeft reeds vijf van die verdragen bekrachtigd.
De uitwerking van een internationaal verdrag tegen het nemen van gijzelaars werd in 1976 op de agenda geplaatst van de 31e zitting van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op verzoek van de toenmalige Bondsrepubliek Duitsland (het was de tijd waarin de Baader-Meinhoff-groep actief was en waarin er tijdens de Olympische Spelen te Munchen een aanslag werd gepleegd door Palestijnse terroristen).
De totstandkoming van het verdrag heeft drie jaar in beslag genomen. Het werd door de Algemene Vergadering bij consensus goedgekeurd op 17 december 1979.
Ons land heeft het verdrag ondertekend op 3 januari 1980.
Thans hebben 78 landen het verdrag bekrachtigd terwijl tien andere landen, waaronder België, het wel ondertekend doch nog niet bekrachtigd hebben.
Het verdrag telt 20 artikelen en regelt de volgende aangelegenheden :
omschrijving van het misdrijf gijzelneming (artikel 1);
verplichting voor de verdragsluitende Staten aangepaste straffen in te voeren voor de bestraffing van het misdrijf (artikel 2);
verplichtingen van de verdragsluitende Staten ten aanzien van de gijzelaars : humanitaire maatregelen en maatregelen inzake teruggave (artikel 3);
humanitaire clausule (artikel 9);
voorschriften inzake uitlevering (artikel 10);
voorschriften inzake wederzijdse rechtshulp (artikel 11).
Van het toepassingsgebied van het verdrag zijn uitgesloten omstandigheden waarop de verdragen van Genève van 1949 of de aanvullende protocollen bij deze verdragen van toepassing zijn (artikel 12) of waarin het om zuiver interne gijzelnemingen gaat (artikel 13).
Het verdrag herinnert ook aan de noodzaak van een strikte eerbiediging van de territoriale integriteit en van de politieke onafhankelijkheid van de Staten (artikel 14).
Krachtens artikel 15 blijft het bepaalde in de asielverdragen waardoor de verdragsluitende Staten reeds zijn gebonden, onverkort van kracht.
Tot slot bevat het verdrag nog een aantal bepalingen inzake de vreedzame regeling van geschillen en een aantal slotbepalingen.
Dat het verdrag eerst 18 jaar na de ondertekening ervan wordt bekrachtigd, is toe te schrijven aan het advies van de Raad van State van 1990, volgens hetwelk de procedure om redenen van wetgevingstechniek in twee afzonderlijke stadia behoort te verlopen. Eerst dient er een aanpassing te komen van het Wetboek van strafvordering en vervolgens de bekrachtiging van het verdrag.
Hoe dan ook, de minister van Justitie heeft het vervolledigde dossier in juni 1998 ontvangen. Op 20 september 1998 werden de nodige documenten ondertekend om de goedkeuringsprocedure in het Parlement te kunnen aanvatten en op 7 oktober 1998 werd het dossier aan het Parlement overgezonden.
Een lid merkt op dat dit verdrag kadert in de strijd tegen het internationaal terrorisme.
In de zeventiger jaren werden gijzelnemingen als politiek wapen aangewend.
De jongste jaren heeft het internationaal terrorisme een andere vorm aangenomen. Het volstaat te verwijzen naar de aanslagen die in augustus in Afrika werden gepleegd.
Het terrorisme evolueert zeer snel en de wetgeving zowel als de verdragen reageren hierop met vertraging.
Hebben de internationale fora en meer bepaald de Verenigde Naties oog voor deze evolutie ?
M.a.w. zijn er nog andere verdragen in voorbereiding die gelijke tred houden met de evolutie van het internationaal terrorisme ?
Met betrekking tot de humanitaire clausule (artikel 9) merkt dezelfde spreker op dat luidens het verdrag uitlevering kan worden geweigerd wanneer het verzoek is gedaan « met de bedoeling een persoon te vervolgen of te straffen op grond van zijn ras, godsdienst, nationaliteit, etnische afkomst of politieke gezindheid, ... »
Dreigt die clausule de uitvoering van het verdrag niet onmogelijk te maken ?
Een ander lid, hierbij aansluitend, merkt op dat alle vrijheidsstrijders inderdaad beweren om politieke motieven te handelen.
De spreker vraagt zich voorts af of men heeft ondervonden dat België in een moeilijke situatie is gekomen door het feit dat het verdrag nog niet geratificeerd is.
Ten slotte wenst hij te weten of wel alle noodzakelijke aanpassingen in de Belgische wetgeving werden doorgevoerd.
De minister antwoordt op de laatste vraag dat hij navraag zal doen bij zijn collega van Justitie.
Op de vraag met betrekking tot artikel 9 antwoordt de minister dat de internationale wetgeving ter bestrijding van internationale misdaden bij bijvoorbeeld gijzelnemingen in conflict kan komen met het Verdrag van Genève op het politiek asiel. De zaak Öcalan is daar een voorbeeld van.
De minister antwoordt voorts dat er sedert 1979 nog een reeks andere overeenkomsten werden gesloten ter bestrijding van het internationaal terrorisme.
De artikelen en het wetsontwerp in zijn geheel worden aangenomen bij eenparigheid van de 8 aanwezige leden.
Dit verslag is door de aanwezige leden eenparig goedgekeurd.
| De rapporteur,
Patrick HOSTEKINT. |
De voorzitter,
Valère VAUTMANS. |