1-215

1-215

Sénat de Belgique

Belgische Senaat

Annales parlementaires

Parlementaire handelingen

SÉANCES DU MARDI 27 OCTOBRE 1998

VERGADERINGEN VAN DINSDAG 27 OKTOBER 1998

(Vervolg-Suite)

VRAAG OM UITLEG VAN DE HEER ANCIAUX AAN DE VICE-EERSTE MINISTER EN MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN OVER « DE GESPANNEN RELATIE MET DE STAF VAN DE RIJKSWACHT EN DE VERHOUDINGEN BINNEN DE RIJKSWACHT ZELF »

DEMANDE D'EXPLICATIONS DE M. ANCIAUX AU VICE-PREMIER MINISTRE ET MINISTRE DE L'INTÉRIEUR SUR « LES RELATIONS TENDUES AVEC L'ÉTAT-MAJOR DE LA GENDARMERIE ET LES RELATIONS AU SEIN DE LA GENDARMERIE ELLE-MÊME »

De voorzitter. ­ Aan de orde is de vraag om uitleg van de heer Anciaux.

Het woord is aan de heer Anciaux.

De heer Anciaux (VU). ­ Mijnheer de voorzitter, dat er in de rijkswacht weinig enthousiasme te vinden is voor de politiehervormingen is, zoals u weet, zacht uitgedrukt. Zowel de rijkswachttop als de syndicale vertegenwoordigers nemen elke kans te baat om hun bedenkingen te formuleren. De sfeer tussen Binnenlandse Zaken en de rijkswachtstaf lijkt bovendien erg verzuurd, maar ook de verhoudingen tussen diezelfde rijkswachttop en de basis, in zijn verschillende geledingen, is niet echt hartelijk te noemen. Wederzijdse uithalen en wantrouwen zijn schering en inslag. De bonden hebben weinig vertrouwen in de top, slingeren elkaar verwijten naar het hoofd, halen uit naar de politiek. De verklaringen van de heer Van Keer zijn de vice-eerste minister wellicht bekend. Iedereen schijnt iedereen van slechte bedoelingen te verdenken.

De rijkswachtstaf ontkent in alle toonaarden dat er een oorlog zou woeden met het ministerie van Binnenlandse Zaken. Toch kan men niet anders dan vaststellen dat de informatieronde van de vorige minister van Binnenlandse Zaken de gemoederen niet kon bedaren, integendeel zelfs. Binnen de rijkswacht beginnen er zich eigenaardige lijnen af te tekenen. Via de oprichting van een waakzaamheidscomité keerde een groep officieren zich tegen de rijkswachttop en de rijkswachttop moest blijkbaar inbinden. De oprichting van een federaal comité met vertegenwoordigers van de gerechtelijke eenheden binnen de respectieve rijkswachtdistricten heeft als doel de ambities van bepaalde officieren te dwarsbomen. Zij eisten onmiddellijk hun rol op en voerden besprekingen met de minister van Justitie. De rijkswachtstaf, onder leiding van Herman Fransen, heeft het blijkbaar moeilijk om de controle te bewaren. De staf weet echter dat het ongenoegen over de politiehervormingen in het korps erg groot is. Daarom worden de pijlen gericht op de minister van Binnenlandse Zaken. Door de druk te verhogen, wil de rijkswacht blijkbaar haar plaats veilig stellen binnen de toekomstige politiestructuur. Dat is de ambigue situatie zoals ze zich vandaag aftekent. De rijkswacht doet er alles aan om haar positie te behouden, maar tegelijkertijd is de wedloop naar toekomstig in te vullen posities gestart. Er is een interne machtsstrijd aan de gang die wellicht nog zal verergeren van zodra de nieuwe eenheidspolitie werkelijkheid zal worden.

De starre houding van de rijkswachttop naar aanleiding van de dood van Semira heeft mede bijgedragen tot het ontslag van minister Tobback. Toch liet de staf fijntjes weten dat er geen oorlog is tussen de rijkswacht en de minister van Binnenlandse Zaken. Ook de sanctionering van Koen Depreytere van het APSD wijst op een grote zenuwachtigheid bij de rijkswacht. De heer Depreytere wordt verweten dat hij geweigerd heeft een bevel uit te voeren. In de Senaat heeft hij gesuggereerd dat de rijkswacht halsstarrig zou weigeren andere politiediensten toegang te verlenen tot haar databestanden. Daarnaast zijn er de beweringen van CCOD-lid Hainaut. Deze beweert te kunnen bewijzen dat officieren schriftvervalsing plegen om onderhorigen te straffen en zichzelf buiten schot te houden. Hij heeft hierover details vrijgegeven. Voorzitter Jan Schonkeren van het SFBR volgt Hainaut een heel eind en beweert dat officieren er alles aan doen om hun eigen falen niet te moeten toegeven.

Ik ben er echter niet helemaal zeker van dat de heer Hainaut wel alle informatie heeft vrijgegeven zoals hij had beloofd. Op 16 oktober vernam ik dat de vice-eerste minister razend kwaad is op de heer Hainaut omdat deze weigert het dossier over de vermeende schriftvervalsing in tuchtdossiers door officieren van de rijkswacht, aan hem over te maken.

Ik citeer een uitspraak van de vice-eerste minister volgens Belga : « Het is onaanvaardbaar dat Hainaut als rijkswachter geen aangifte heeft gedaan bij de procureur des Konings van zodra hij de vermeende valsheden heeft ontdekt. Blijkbaar vond hij het meer aangewezen zijn onthullingen te doen tijdens een televisie-uitzending waarbij iedere tegenspraak van beschuldigden ontbreekt. Zelfs vandaag weigert hij in één dossier feiten die hij zelf kwalificeerde als valsheid in geschrifte over te maken aan de gerechtelijke overheden. » Dit wijst toch op het bestaan van een aantal wrijvingen. Ik verwijs in dit verband ook naar rijkswachtadjudant Patrick De Baets die stelde dat zijn oversten van het district Brussel de magistratuur hebben misleid in de nevenonderzoeken naar de zaak-Dutroux. De zaak-X1 zou volgens De Baets zijn afgesloten op basis van valse stukken.

Ik verwijs ook naar andere uitspraken van adjudant De Baets. Zo zegt hij onder meer : « Ik zie nu ook dat bepaalde mensen binnen de rijkswacht sympathieën hebben voor extreem rechts en er niet voor terugschrikken om daarvoor te werken en zo nodig daarvoor bepaalde praktijken uit te oefenen. »

Zelf heb ik vastgesteld dat de BOB van Brussel zich blijkbaar nogal ledig houdt met het verzamelen van informatie over collega's-rijkswachters. Het is goed mogelijk dat dit ook in andere districten gebeurt. Ik stel mij bij dergelijke praktijken toch vragen. Elke rijkswachter kan, net als elke burger, het dossier met zijn persoonlijke gegevens raadplegen. De rijkswachttop erkent dit recht en het wordt in de praktijk ook toegestaan. Er wordt wel gesteld dat een schriftelijke aanvraag noodzakelijk is. Eén of twee weken later kan het persoonlijk dossier dan worden ingekeken.

Kan de vice-eerste minister bevestigen dat de rijkswacht er vreemde praktijken op na houdt ? Ik heb immers weet van één concreet dossier, maar neem aan dat dit ook in andere dossiers het geval is. Er worden onderzoeken uitgevoerd naar de rijkswachters zelf, maar de documenten worden niet opgenomen in de persoonlijke dossiers van de betrokken rijkswachters. Daarin steken enkel de gewone stukken. De andere stukken worden hierin niet teruggevonden maar toch worden personen op basis van deze stukken overgeplaatst of worden er bevorderingen geweigerd. Er worden financiële onderzoeken verricht omtrent de betrokken personen en zelfs omtrent de familie en de aangetrouwde familie. Er wordt zelfs duidelijk chantage gepleegd.

Heeft de vice-eerste minister weet van dergelijke praktijken ? Zijn deze praktijken wettelijk ? Gaat de vice-eerste minister maatregelen nemen om aan deze praktijken een einde te maken ? Hoe kan hij garanderen dat degenen die met deze praktijken worden geconfronteerd, niet opnieuw de dupe worden ? Eenmaal deze informatie wordt bekend gemaakt, is de rijkswachttop hierover ingelicht en zijn de betrokken rijkswachters een gemakkelijk slachtoffer voor sancties.

Hoe beoordeelt de vice-eerste minister de huidige interne situatie bij de rijkswacht ? Welke intern opgerichte groepen, zoals het waakzaamheidscomité beschouwt hij als een afzonderlijke gesprekspartner ? Heeft de vice-eerste minister ondertussen reeds een onderhoud gehad met de heer Hainaut ? Zo ja, kan hij hierover, nieuwe gegevens meedelen ? Hoe beoordeelt de vice-eerste minister de bewijzen waarover de heer Hainaut beweert te beschikken ? Heeft de vice-eerste minister hier reeds inzage in gekregen ? Welk gevolg wordt hier verder aan gegeven ? Is er volgens de vice-eerste minister sprake van een vuile oorlog tussen de generale staf van de rijkswacht en Binnenlandse Zaken ? Hoe zal de vice-eerste minister de gespannen relatie met de rijkswachttop proberen te verbeteren ? Hoe is de relatie tussen de verbindingsofficier van Binnenlandse Zaken en de rijkswachtstaf ? Heeft de rijkswachtstaf volgens de vice-eerste minister nog voldoende controle over en gezag bij het korps ? Zo ja, hoe bewijst hij deze stelling ?

Ten slotte kan ik de vice-eerste minister met vreugde meedelen dat ik zopas door de rijkswacht ben opgepakt, maar dat ik op een menselijke en correcte wijze werd behandeld.

De voorzitter. ­ Het woord is aan vice-eerste minister Van den Bossche.

De heer Van den Bossche, vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken. ­ Mijnheer de voorzitter, wanneer we willen spreken over een groot bedrijf, moeten we altijd eerst aan damage control doen. Welnu de veralgemening van de feiten tot het geheel, het pars pro toto ergeren mij in al het gepraat over de rijkswacht.

Ik ben er zeker van dat de heer Anciaux evenveel contacten heeft als ik met industriëlen die aan het hoofd van een groot bedrijf staan. Indien maar 5 % van de personeelsleden van een groot bedrijf minder goed presteren, kan de manager van geluk spreken. Op een totaal van 18 000 rijkswachters, zou het dus over 900 minder goede rijkswachters gaan, een aanvaardbaar getal. Het enige verschil is dat niemand zich stoort aan de 5 % minder goede appels bij bijvoorbeeld Sidmar, maar dat het volledige halfrond aanstoot neemt aan die 5 % bij de rijkswacht.

De heer Anciaux zegt dat er bij de rijkswacht gebrek aan enthousiasme is voor de hervorming. Ik heb reeds heel wat veranderingsprocessen in verschillende rollen achter de rug, zowel in de privé-sector als in de openbare sector. Bij het begin van een veranderingsproces heb ik nooit enthousiasme gemerkt. Ik heb in mijn hele leven alleen maar enthousiasme geweten wanneer het personeel van een bedrijf in moeilijkheden na herstructurering verneemt dat iedereen zijn werk kan behouden, zij het dan op een andere plaats. Enthousiasme voelt men pas op of na het einde van een proces. Ik kan mij onmogelijk inbeelden dat het personeel enthousiast is wanneer wordt meegedeeld dat onafhankelijke bedrijven zullen samensmelten. Niet alleen is er dan een gebrek aan enthousiasme, maar zelfs angst voor de toekomst, voor het lot van het individu in het nieuwe geheel. Dit is niet meer dan normaal. Het is een wet van Meden en Perzen, die niet enkel voor de rijkswacht, maar ook voor de gerechtelijke politie en de gemeentelijke politie geldt. De personeelsleden van al deze diensten vragen zich af hoe de algemene toestand en hoe de toekomst eruit zal zien voor hun groep en voor elk individu. Een dergelijke begrijpelijke reactie wordt in elke human resources cursus uiteengezet.

Ik verzet mij tegen uitlatingen die de indruk doen ontstaan dat dit probleem enkel bij de rijkswacht bestaat. Iedereen die met een hervorming te maken heeft, wordt hiermee geconfronteerd. We staan overigens nog maar pas aan het begin van de hervorming. Op het ogenblik is er niets meer dan de wet. Er bestaat geen eenheidsstatuut. Er is geen duidelijkheid over het pecuniair statuut, het administratief statuut en over het verloop van de carrière. Zo is het niet duidelijk hoeveel bevorderingsgraden er nog zullen zijn en of er een weddedifferentiatie zal zijn. Ook omtrent het syndicaal statuut en het tuchtstatuut bestaat er momenteel geen duidelijkheid.

Ik geef een concreet voorbeeld. Een rijkswachter die reeds jarenlang dienst doet bij de BOB, zal in de toekomst moeten samenwerken met de gerechtelijke politie. Op dit vlak rijzen er dus problemen met betrekking tot diploma en ervaring. Hoe zullen deze problemen worden opgelost ? Bij de opening van het nieuwe commissariaat van de gemeentepolitie in Evergem heb ik erop gewezen dat het uitwerken van een nieuw en beknopt statuut een belangrijke uitdaging is, maar dat er ook uitgebreide overgangsmaatregelen moeten komen. Dat vormt dus een bijkomende bekommernis voor alle 37 000 betrokkenen, niet alleen voor de rijkswacht.

De heer Anciaux vraagt of er een probleem gerezen is tussen de minister en de rijkswacht. Hij merkte in de rand op dat de rondgang van minister Tobback bij de verschillende rijkswachtdistricten de gemoederen niet heeft bedaard. Wat dacht hij dan wel ? Hoe kunnen de gemoederen worden bedaard als de minister niet op elke vraag kan antwoorden en niet voor elk probleem een oplossing heeft ? Bij het begin van een veranderingsproces is dat immers altijd onmogelijk. Omdat over een hele boel zaken nog geen precies antwoord bestaat, kan de onrust onmogelijk worden gestild. Naarmate het veranderingsproces op gang komt en evolueert, kan de zenuwachtigheid afnemen op voorwaarde dat men over goede informatiekanalen beschikt waarlangs stap na stap precieze informatie kan worden doorgegeven.

De rondgang van minister Tobback was eerder een blijk van goodwill. De minister had evenmin als een bedrijfsleider die een veranderingsproces inleidt, de verwachting om de gemoederen van begin af aan helemaal tot rust te kunnen brengen. Concluderen dat de minister in zijn opdracht is gefaald, houdt dus geen steek.

Beeld u zich de onrust eens in bij het personeel van de Generale Bank en van de ASLK, wanneer mocht worden aangekondigd dat de bankfunctie van beide instellingen op drie jaar tijd zou worden geünificeerd. Ze zal bij beide banken huizenhoog zijn en niet alleen bij de top. Herinner u de fusie van de Bank van Brussel en de Bank Lambert; de onrust heeft vijf jaar lang geduurd. We moeten weten dat dit een onvermijdbaar element vormt van het proces en de vereiste zelfbeheersing aan de dag leggen om dat niet te overtillen.

Bij de rijkswacht heerst een zeer strikte hiërarchisering die de bedrijfscultuur van het korps in hoge mate heeft bepaald. Dit gevoel voor hiërarchie is ook bepalend voor het cultuurbetwistend gedrag en voor de wijze waarop problemen tot uiting komen. Het probleem van de ongerustheid zal daardoor bij de rijkwacht alleen maar scherper worden.

Voeg daaraan de nieuwsgeilheid toe. Het volstaat dat de heer X verklaart dat commandant Y een vreselijk iemand is, om dezelfde avond nog te worden uitgenodigd bij Ter Zake. 's Anderendaags mag de minister hem dan in hetzelfde programma natuurlijk van antwoord dienen, maar wordt hij eigenlijk bijna ondervraagd als iemand die in beschuldiging is gesteld. De kleine X, die arme mens, die kan toch nooit hebben gelogen. Dat zegt mijns inziens meer over de ondervrager dan over de minister. Die werkwijze blijkt nu eenmaal in de mode te zijn. C'est le bon ton . Dat baart mij intellectuele zorgen.

Men gelooft vandaag gelijk wat uit de mond van gelijk wie. Dat betekent niet dat wie een verklaring aflegt, het niet bij het rechte eind kan hebben. Maar het is de teneur in de parlementen geworden dat een verklaring die 's anderendaags wordt afgedrukt, door iedereen wordt geloofd. Dit is een merkwaardige intellectuele oefening. Ik heb geleerd in de geschiedenis dat men alvorens een bron te geloven, aan bronnenkritiek moet doen. De oude Romeinen vroegen zich af : cui prodest crimen . Als ik iemand een derde hoor beschuldigen, dan vraag ik mij voor alles af hoe het met de man in kwestie staat, welk voordeel hij zelf bij een dergelijke verklaring heeft, welke voorgeschiedenis hij heeft. Vandaag wordt niet meer aan bronnenkritiek gedaan. Men verkiest lichtgelovig te zijn. Als 17 maanden later de waarheid aan het licht komt, dan wordt daaraan in het Parlement geen aandacht meer besteed. Van een losstaand feit maakt men dus nieuws, alhoewel het pas echt enige nieuwswaarde kan krijgen op het einde van een grondig onderzoek.

Ik vind het contraproductief dat men met de lippen zijn trouw aan het octopusakkoord belijdt, maar het veranderingsproces bemoeilijkt door de meest fantasmagorische veralgemeningen. Zo worden kleine muisjes tot grote olifanten opgeblazen.

Is de verhouding tussen rijkswacht en Binnenlandse Zaken slecht ? Neen. Ik ga niet zover te zeggen dat ik van generaal Fransen hou en hij van mij ­ wees gerust dat ligt niet in onze aard ­, maar wij hebben een normale verhouding. Dit betekent dat we over alle zaken open discussiëren en dat we niet altijd vooraf dezelfde mening moeten hebben. De houding van de rijkswachttop is echter loyaal en fair en ik onderstreep deze woorden. Ik heb tot op heden nooit ervaren dat de rijkswachttop niet fair en loyaal tegenover mij is geweest en hetzelfde geldt voor mijn voorganger. Ik wens dit duidelijk te verklaren.

Natuurlijk zijn er klachten en sommige daarvan zullen terecht zijn, zij het misschien niet helemaal zoals ze geformuleerd zijn. In een bedrijf met 18 000 werknemers zullen er altijd klachten zijn, terechte en ten onrechte. Dat geldt voor elk groot bedrijf. Sommigen voelen zich echter gemakkelijk tekort gedaan en hebben de neiging te weinig aan zelfkritiek te doen. Op het ogenblik van een bevordering vindt iedereen dat hij deze bevordering moet krijgen en ga de negen mensen die niet bevorderd worden maar eens uitleggen dat de tiende beter is. Zelfs als hij inderdaad beter is, hebben sommigen moeite om dit te aanvaarden en dienen ze klacht in. Deze klachten moet men kaderen en ook hier is bronnenkritiek uitermate belangrijk.

De heer Anciaux sprak ook over de heer Van Keer. Na zijn uitlating op de televisie heb ik de heer Van Keer uitgenodigd en in aanwezigheid van de generale staf heb ik hem, zonder mijn stem te verheffen, uitgelegd wat ik dacht over zijn uitlating en over iemand die eerst spreekt en dan pas denkt. Sommige mensen zijn nu eenmaal meer begiftigd met welsprekendheid dan met snelheid van denken. Dat is gevaarlijk. Als men welsprekend is en snel genoeg denkt, dan is er geen probleem. Dan hebben wij een Demosthenes of een Cicero. Als men echter welsprekend is zonder dat het verstand de snelheid van de tong volgt, dan is dat zeer gevaarlijk. Ik heb de heer Van Keer dat rustig uitgelegd en hem duidelijk gemaakt dat ik erop stond dat hij de generale staf zijn excuses zou aanbieden. Hij heeft dat in mijn aanwezigheid gedaan. Ik vind dit een terechte en zeer faire manier van handelen. Ik zeg over de heer Van Keer dus het goede met het kwade.

Ik ken de neiging om de underdog altijd gelijk te geven. Dat komt misschien populair over, maar intellectueel is het niet correct. Ik wil intellectueel eerlijk zijn; de heer Anciaux kan dan maar de populaire kant kiezen.

De heer Hainaut is een ander verhaal. Hem heb ik uitgenodigd na zijn stoere uitlatingen op RTL, waar hij sprak over valsheid in geschrifte in twee dossiers. Ik heb hem ­ om het juiste woord te gebruiken ­ de maandag daarop geconvoceerd. Hij heeft wat moeten wachten, omdat ik in de Senaat was. Ik heb hem gezegd dat ik de dossiers niet wilde inzien, maar wel wilde krijgen om ze meteen naar het Comité P door te sturen. Hij was het daarmee eens. Achteraf heeft hij echter vrienden ontmoet die slimmer zijn dan hij en die hem erop gewezen hebben dat één van beide dossiers een tuchtdossier is, waarin hij de verdediging had opgenomen. Hij moest dus oppassen voor procedurefouten. Dat had ik ook al begrepen, maar ik moet hem geen goede raad geven. Plots veranderde hij dus van standpunt en wilde hij één dossier zeker niet geven en het andere rechtstreeks naar het Comité P sturen. Toen heb ik het Comité P een brief gestuurd om te eisen dat ze beide dossiers onmiddellijk bij hem in beslag zouden nemen en een onderzoek zouden starten. Ten tweede heb ik gezegd dat de heer Hainaut bij mij niet meer binnenkomt. Iemand die zijn woord breekt is niet welkom. Ik wil mij niet vernederen door aan tafel te zitten met woordbrekers. Tegensprekers blijven altijd welkom.

Tuchtrechtelijk is de heer Hainaut in elk geval fout. Als hij op de hoogte is van een misdrijf, valsheid in geschrifte, dan is het als rijkswachter zijn plicht dat onmiddellijk aan de gerechtelijke overheid te melden. Als er geen valsheid in geschrifte is, heeft de heer Hainaut nog een veel grotere fout begaan. Hij heeft dan op de televisie publiekelijk anderen beschuldigd van een misdrijf waaraan ze niet schuldig zijn. In beide gevallen heeft hij ernstige fouten gemaakt en moet hij daarvan de gevolgen dragen. Als men als rijkswachter op de televisie mensen vals beschuldigt, dan moet men weten wat men doet. We zullen zien wat het onderzoek uitwijst.

Als de heer De Baets meent dat dossiers in verschillende arrondissementen zonder gevolg worden geklasseerd op basis van één element, namelijk een zogenaamd vals stuk dat bepaalde dingen niet zou vermelden, dan getuigt dit van naïviteit. Mocht hij dit echt geloven, wat ik niet durf te veronderstellen, dan geldt het vers uit de Bijbel. « De onnozelen zullen God zien. » Als advocaat weet ik hoe de parketten werken. De minister van Justitie heeft mij gezegd dat al de verschillende elementen geverifieerd zijn. Sommige procureurs des Konings hebben dienaangaande verklaringen afgelegd. Zij verklaren dat de dossiers na grondig onderzoek gesloten zijn.

Ik sluit niet uit dat sommige rijkswachters extreem rechtse banden hebben. Op 18 000 personen kan dat wel. Ik vind dat wel verontrustend. Op het moment dat ik daarvoor indicaties heb, zal ik daarop gepast reageren.

Als de heer Anciaux het heeft over het weigeren van bevorderingen en chantage dan bezondigt hij zich een beetje aan de stijl van rijkswachter Hainaut. Als hij mij bewijzen geeft, laat ik ze onmiddellijk onderzoeken. Hij mag kiezen waar : bij het Comité P of bij een onderzoeksrechter. In afwachting evenwel beschuldig ik niemand, maar als er schuldigen zijn, zullen ze zwaar worden gestraft.

Hij zegde dat rijkswachters die protesteren, gemakkelijke slachtoffers worden. Dat zal wel voor iedereen in een groot bedrijf gelden. Zulke mensen worden inderdaad soms « gepakt ». Ce sont les petites couillonnades de la vie. De rijkswacht is geen variant op de hemel, waar engelen in het aanschijn Gods zitten. De rijkswacht is een samenspel van mensen die, ook karakterieel, op elkaar reageren. Complete objectiviteit is, zoals in elk groot bedrijf, niet altijd een feit, maar ze wordt wel nagestreefd. De zeer strikte hiërarchisering uit het verleden is een fardeau , die op de hele organisatie weegt. Dit leidt tot typische reacties. Dat het nu klachten regent, illustreert het dat strikte hiërarchisering een normale vorm van ontlading verhindert.

Bij de politiehervorming zullen we dus erop moeten toezien dat we niet opnieuw vervallen in een te zware hiërarchisering. Misschien moeten we inzake de weddedifferentiatie andere criteria gebruiken dan de hiërarchische opbouw. De hiërarchische opbouw moet volkomen in het teken staan van de effectiviteit. Dit is zeker en vast een les die we uit het verleden moeten overhouden.

Een kloof tussen top en basis bestaat er in elk groot bedrijf. De top leeft veel meer tussen verslagen en papier en vertoont vaak de neiging die papieren te lezen en te onthouden. De top loopt daardoor steeds het gevaar in theoretische constructies te denken. Het is zeer waarschijnlijk dat de strakke hiërarchie bij de rijkswacht verhinderde dat deze zich van dat probleem bewust werd. Wat dit betreft, ben ik het eens met de heer Anciaux.

Dit is in feite niets nieuws. Nihil novi sub sole . Al vele tientallen jaren is de kloof tussen de plaatselijke brigade en de generale staf veel te groot. Dat probleem sleuren we nog altijd mee en vormt een van de uitdagingen van de hervorming. Het Octopusakkoord formuleert daarop een structureel antwoord door twee niveaus te introduceren. Het lokale niveau, de community policy, probeert die kloof te dichten en tegelijk ook de kloof tussen het korps en de burger weg te werken. Structuren zijn nooit alleenzaligmakend en bieden geen absolute garantie voor een goede werking van de dienst, maar toch is het een belangrijke verdienste van het Octopusakkoord. Het heeft een structuur uitgetekend die het moeilijker maakt om in de fouten van het verleden te hervallen en die het makkelijker maakt om iets beters op te bouwen.

Wat de houding van de rijkswacht tegenover het overlijden van mevrouw Sémira Adamu betreft, wil ik heel kort melden dat de rijkswacht inderdaad haar excuses heeft aangeboden. De rijkswachthouding was alleszins niet de reden van het ontslag van mijn voorganger. Het is niet aan mij om hierover meer details te geven. Hij is zelf trouwens welbespraakt en moedig genoeg om daarover te gepasten tijde commentaar te geven.

Op de vraag hoe ik de interne situatie bij de rijkswacht beoordeel, verwijs ik naar wat ik daarnet heb gezegd. Het is een vrucht uit het verleden, die voortvloeit uit de te sterke hiërarchie, met alle nadelen en gevolgen vandien, zoals het op een ongepaste manier elkaar verwijten en klachten toeslingeren.

Dat er bij de rijkswacht een zorgwekkende weerstand bestaat tegenover het Octopusakkoord, kan ik gelukkig ontkennen. De weerstand die er is, is niet groter dan logischerwijze kan worden verwacht van mensen die voor een ingrijpende verandering in hun leven staan. We mogen niet vergeten dat het hier gaat over de dagelijkse bezigheid van personen, die daarmee bovendien hun brood verdienen. De wijze waarop en waar dit zal gebeuren en hoeveel uren ze zullen moeten presteren, zijn natuurlijk uitermate belangrijk voor henzelf en voor hun gezinsleven. Die ongerustheid is dus de logica zelve. We zullen die zonder twijfel nog enkele jaren op een volwassen manier moeten meedragen en ze tegelijkertijd zoveel mogelijk wegwerken door, voor het eerst in de geschiedenis van de politie, rendabele systemen van communicatie uit te werken.

Ik herhaal wat ik daarover in de Kamer heb gezegd bij de behandeling van de Octopuswet. De eerste verantwoordelijke voor deze communicatie is de hiërarchische overste en zeker niet een of ander extern bureau. De top moet met zijn mensen leren communiceren en hen bij de verdere evolutie van de dienst betrekken.

Het waakzaamheidscomité is voor mij geen gesprekspartner. Ik heb nooit de neiging gehad dergelijke comités als gesprekspartners te beschouwen. Ik kan niet oordelen over zijn bewijzen. Ik heb ze niet gezien en ik wil ze ook niet zien. Het Comité P zal een onderzoek doen en hierover verslag uitbrengen, eventueel gestaafd met de nodige bewijsstukken. Ik kan hieraan dus nog geen gevolg geven. Wel kan ik zeggen dat de heer Hainaut in deze zaak nog niet aan het einde is van zijn latijn. Sommigen denken dat ze « alles mogen zeggen » omdat ze vakbondsafgevaardigde zijn, maar dat zal niet meer gaan.

Ik weet wel dat de aanwerving van een lid belangrijk is in de oorlog die thans bij de rijkswacht woedt. Er wordt een felle strijd gestreden om elkaars leden af te snoepen. Dat is een beetje het gevolg van de zogenaamde wet-Lizin. Ik loop nu al een beetje vooruit op de toekomst en vraag mij af of we bepaalde zaken niet moeten rechtzetten tijdens de besprekingen over het syndicaal statuut van de rijkswacht. Ik vermoed dat de ijver van sommige vakbondsleiders om sommige verklaringen af te leggen, voor een deel te wijten is aan de noodzaak om te overleven in het syndicale landschap.

We mogen hierbij ook niet uit het oog verliezen dat de personen om wie het hier gaat, niet het niveau hebben van een vakbondsleider op het federale of Vlaamse vlak. Het zijn vertegenwoordigers van de basis die voor de camera worden gesleurd door ijverige journalisten die hun stiel wel goed kennen. Dan ontstaat het gevaar dat de tong en het verstand niet helemaal hetzelfde ritme volgen en dan is het liedje niet meer mooi. Dan zingt de zanger een ander liedje dan het orkest aan het spelen is of vertolkt hij hetzelfde melodietje op een ander ritme.

Op de vraag of er dan werkelijk een oorlog woedt tussen Binnenlandse Zaken en de rijkswacht moet ik nogmaals ontkennend antwoorden. De verbindingsofficier vervult zijn rol op een perfecte wijze. De communicatie met de rijkswacht verloopt zoals het hoort. Hij is daar helemaal geen persona non grata omdat hij verbindingsofficier is, integendeel.

Ik ben van oordeel dat de staf van de rijkswacht nog over voldoende gezag beschikt om de veranderingen te realiseren, met de handicaps die structureel eigen zijn aan de rijkswacht en die we zeker niet mogen onderschatten. Ik beweer niet dat de top altijd en in alles en nog wat wordt gevolgd door het geheel van de rijkswacht en ik beweer evenmin dat er geen ontevredenen zijn.

Ik eindig zoals ik begonnen ben : laten we het geheel beoordelen binnen de filosofie van damage control. Laten we aanvaarden dat er fouten gebeuren waarop we moeten reageren, maar laten we niet de eerste de beste verklaring, ook al is zij goed bedoeld, onmiddellijk klakkeloos overnemen. We moeten eerst het onderzoek doen en dan pas oordelen. Deze oude waarheid werd al door de Grieken en de Romeinen verkondigd.

Iedereen heeft nu de mond vol van nieuwe vormen van democratie. Het zou goed zijn eens te onderzoeken hoe sommige vormen van democratie, ook door de burger, in hun edelste vorm kunnen worden beleefd. We leven nu in een maatschappij waarin het heel gemakkelijk is iemand « zwart te maken ». Hij zal op zijn minst tien dagen door het slijk worden gesleurd en daarna ziet men wel. Dat is een zeer gevaarlijke maatschappij en ik vrees dat ze ver verwijderd is van wat men zo graag de nieuwe politieke cultuur noemt, maar dat is dan een doordenker.