Vragen en Antwoorden


Bulletin 1-52

Belgische Senaat

Vragen van de Senatoren en antwoorden van de Ministers

(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands ­ (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans


Minister van Buitenlandse Zaken

Vraag nr. 134 van de heer Loones d.d. 18 juli 1997 (N.) :
Boycot regime Teheran.

Vanuit de Interparlementaire Unie roept men op om een verklaring van de Iraanse Nationale Raad van de Weerstand te ondertekenen.

In die verklaring verwijst deze organisatie onder andere naar de zaak-Salman Rushdie en naar verscheidene gevallen van staatsterrorisme in Iran.

Aangezien de mensenrechten nog steeds op grote schaal worden geschonden en elke vorm van weerstand wordt uitgeschakeld, roept de Iraanse Nationale Raad van de Weerstand op tot een economische en diplomatieke boycot van het regime van Teheran.

Graag kreeg ik van de geachte minister een antwoord op volgende vragen :

1. Wat is zijn houding hiertegenover ?

2. Zullen er maatregelen worden getroffen tegen het Iraanse regime ?


Antwoord : 1. De « Nationale Raad van de Weerstand » is een oppositiebeweging tegen de Iraanse leiding. De raad zelf is een overkoepelend organisme met wisselende samenstelling waarvan de « Moedjaheddin Khalk » (Organisatie van « Strijders van het Volk ») van het echtpaar Rajavi het belangrijkste bestanddeel uitmaken.

2. De « Moedjaheddin Khalk » waren gebaseerd in Irak in de jaren '80. Zij genoten er van de politieke, financiėle en logistieke (wapens) steun van het regime van Saddam Hoessein. De militaire eenheden van de « Moedjaheddin Khalk », voornamelijk samengesteld uit Iraanse burgers die hun land ontvlucht waren, hebben tijdens de Iraaks-Iraanse oorlog gevochten aan de zijde van het Iraakse leger.

3. Na het einde van het conflict hebben de autoriteiten van Bagdad zich willen ontdoen van de « Moedjaheddin Khalk » en van andere Iraanse oppositiebewegingen die op hun grondgebied gebaseerd waren. Deze laatsten hebben in grote mate in Europa een toevlucht gezocht. Sinds het begin van de jaren '90 bevindt het secretariaat van de « Moedjaheddin Khalk » en van de « Nationale Raad van de Weerstand« zich in Parijs, van waaruit deze organisaties een politieke strijd voeren tegen het Iraanse regime. Daarbij beweren sommige van deze organisaties ­ waaronder de « Moedjaheddin Khalk » ­ dat zij militaire operaties op Iraans grondgebied ontplooien. De schaarse diplomatiek aanwezigheid van de Westerse landen in Iran ­ dan nog bijna exclusief beperkt tot Teheran ­ laat niet toe deze beweringen te bevestigen.

4. De « Nationale Raad van de Weerstand » heeft recentelijk zijn oproep herhaald tot een diplomatieke en economische boycot van Iran, een gegeven waarnaar het geachte lid in zijn vraag verwijst.

5. a) Sinds december 1992 (Europese Top van Edinburgh) wordt de politiek ten opzichte van Iran bepaald op Europees niveau. Het verdict, dat door het Duitse gerecht in februari jongstleden in het « Mykonos-proces » geveld werd en dat de implicatie van de Iraanse autoriteiten in een terroristische aanslag in Duitsland bevestigd heeft, heeft deze situatie niet veranderd.

b) De reactie van de Lid-Staten van de Europese Unie op het verdict is voldoende gekend. In een eerste fase werd besloten de ambassadeurs van de Lid-Staten van de EU voor consultatie terug te roepen.

c) Vervolgens besloot de Raad Algemene Zaken van de EU (op niveau van de ministers van Buitenlandse Zaken) op 29 april 1997 volgende maatregelen ten opzichte van Iran te nemen :

­ de « kritische dialoog » met Iran wordt tijdelijk opgeschort;

­ alle officiėle bilaterale bezoeken worden tot nader order afgelast;

­ het Europees wapenembargo ten opzichte van Iran wordt herbevestigd;

­ een samenwerking op visumgebied wordt ingesteld ten einde te voorkomen dat visa verstrekt zouden worden aan Iraanse veiligheidsagenten;

­ een Europese interne consultatie wordt opgestart ten einde Iraanse inlichtingsagenten te weren uit de Unie-Lid-Staten.

d) Op dit ogenblik blijven al deze maatregelen van toepassing.

e) De Iraanse reactie is tot nu toe eerder zakelijk en gematigd geweest. Teheran heeft desalniettemin gepoogd een wig te drijven tussen de « 15 » door een ostracizering van de Duitse ambassadeur ­ die in een eerste fase « ongewenst » verklaard werd ­ terwijl de ambassadeurs van de andere Europese landen uitgenodigd werden hun post in Teheran te vervoegen. De Unie heeft hierin evenwel een eensgezind standpunt ingenomen en heeft de nodige solidariteit ten opzichte van Duitsland aan de dag gelegd. Tot op heden is geen enkele EU-ambassadeur naar Teheran teruggekeerd.

f) Het is momenteel moeilijk de verdere evolutie van Iraans-Europese betrekkingen te voorspellen. Het komt mij voor dat Teheran niet aanstuurt op een confrontatie met de Unie. Ik ben eerder van mening dat Iran ­ onder de leiding van de nieuwe president en van de nieuwe regering, die president Khatami recentelijk gevormd heeft ­ een denkoefening zal aanvatten over haar toekomstige betrekking met Europa. Ik sluit dan ook niet uit dat verkiezing van Mohammed Khatami tot nieuwe Iraanse president een nieuw tijdperk zou kunnen inluiden in onze betrekkingen met Teheran.