(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans
Op 16 februari 1993 stelde ik in mijn toenmalige functie als volksvertegenwoordiger de geachte minister een schriftelijke parlementaire vraag onder het nr. 275 inzake voorlopige invrijheidstelling bij niet-betaling van onderhoudsgeld.
De geachte minister antwoordde toen dat de uitzondering die hiervoor gemaakt werd niet langer zou hernomen worden in latere omzendbrieven.
Nu blijkt dat onlangs een door de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt uitgesproken gevangenisstraf van vier maanden werd uitgevoerd en dit vanaf 14 oktober 1996.
Mag ik van de geachte minister vernemen welke de huidige politiek is die gevolgd wordt in verband met veroordelingen van korte duur wegens niet-betaling van onderhoudsgeld.
Worden er aan de parketten richtlijnen verstrekt betreffende het behandelen van klachten wegens familieverlating ?
Antwoord : Wat betreft de niet-uitvoering van korte straffen kan ik bevestigen wat reeds vermeld staat in het antwoord op de vraag van 1993, namelijk dat in de instructies inzake voorlopige invrijheidstellingen, de uitzondering voor de veroordelingen van familieverlating niet meer hernomen werd. Wel fungeert het als een mogelijke uitzondering op het principe van de niet-uitvoering van korte gevangenisstraffen, voorzien in de omzendbrieven van 4 november 1993, gericht aan de parketten-generaal.
Het behoort tot het autonome appreciatierecht van het openbaar ministerie te beslissen of de straf wordt uitgevoerd of niet.
Anderzijds, wat betreft het verstrekken van richtlijnen aan de parketten, kan ik bevestigen dat er geen specifieke instructies inzake de behandeling van bepaalde klachten bestaan.
Krachtens de nieuwe wet van 4 maart 1997 tot instelling van het college van procureurs-generaal behoort het toe aan dit college om te waken over een coherente uitwerking en over de coördinatie van het strafrechtelijk beleid, overeenkomstig de artikelen 143bis en ter van het Gerechtelijk Wetboek.