(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans
De wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld legt aan de financiële instellingen de verplichting op alle verdachte transacties mee te delen aan de « Cel voor Financiële Informatieverwerking ». Indien deze cel ernstige aanwijzingen heeft van een betrokkenheid bij het witwassen van geld, dient ze deze informatie ter kennis te brengen van gerechtelijke autoriteiten.
Kan de geachte minister, sinds het in voege treden van bedoelde wet, mij volgende statistische gegevens verstrekken :
1. Door hoeveel financiële instellingen werden aan de Cel voor Financiële Informatieverwerking verdachte transacties gemeld ?
2. Welk is het aantal verdachte transacties ?
3. Hoeveel van deze gevallen werden ter kennis gebracht van de gerechtelijke autoriteiten ?
Kan voor elk van de voorgaande vragen een indicatie omtrent de omvang van de transacties worden verstrekt ?
Ook de Commissie voor het Bank- en Financiewezen heeft, ten gevolge van de wet van 22 maart 1993, verplichtingen in de strijd tegen de witwasoperaties. Hoeveel vaststellingen, die verband houden met het witwassen van geld, heeft de Commissie voor het Bank- en Financiewezen meegedeeld aan de Cel voor Financiële Informatieverwerking en wat was de omvang van deze transacties ?
Antwoord : Ik heb de eer op de vraag van het geachte lid het volgende te antwoorden.
1 en 2. Tussen 1 december 1993 en 31 januari 1997 ontving de cel 12 548 meldingen. Hiervan zijn 5 961 meldingen afkomstig van wisselkantoren, 3 769 meldingen van kredietinstellingen, 2 633 van beursvennootschappen en 185 van andere financiële instellingen. In totaal hebben 165 afzonderlijke financiële instellingen gemeld : 79 kredietinstellingen, 35 beursvennootschappen, 22 wisselkantoren, 16 verzekeringsondernemingen, 3 leasingondernemingen, 4 hypothecaire ondernemingen, 1 vennootschap voor beleggingsadvies, 1 instelling voor consumentenkrediet en 1 uitgever van kredietkaarten. De 12 548 meldingen zijn gegroepeerd in 2 847 verschillende dossiers. Deze dossiers hebben betrekking op meer dan 103,6 miljard frank, opgespoord in het financiële systeem.
3. Van de 2 847 dossiers heeft de cel 649 dossiers doorgemeld aan de procureur des Konings, voor een bedrag van 83,6 miljard frank, hetzij 80,7 % van de door de financiële instellingen opgespoorde bedragen en 60 % van alle meldingen samen. 279 dossiers zijn doorgemeld op basis van de meldingen vanwege kredietinstellingen (wat een bedrag van 32,3 miljard frank vertegenwoordigt), 261 voor de wisselkantoren (23,2 miljard), 99 voor de beursvennootschappen (27,7 miljard), 3 voor de verzekeringsondernemingen (254 miljoen), 7 voor de andere financiële instellingen (164 miljoen).
4. Krachtens de wet van 11 januari 1993 ziet de Commissie voor het Bank- en Financiewezen er specifiek op toe dat de aan haar toezicht onderworpen instellingen (de kredietinstellingen, de beleggingsondernemingen, de beleggingsadviseurs en de wisselkantoren) hun verplichtingen op het vlak van de voorkoming van het witwassen van geld nakomen. Ze heeft deze verplichtingen nader gepreciseerd in circulaires met instructies voor de financiële instellingen. Via de door haar erkende revisoren en via inspecties ter plaatse gaat de commissie in dit verband na of de financiële instellingen hun organisatie hebben aangepast en de nodige procedures hebben ingesteld, inzonderheid op het vlak van de identificatie van de cliënten en inzake de opsporing van witwaspraktijken. Ook de toepassing door de financiële instellingen van de door voornoemde wet opgelegde verplichting om verdachte verrichtingen aan de cel te melden, wordt door de commissie gecontroleerd (zie in dit verband mijn antwoord op de vraag nr. 681 van de heer Vanpoucke van 18 december 1996, Kamer, Vragen en Antwoorden, GZ 1996-1997, nr. 68, blz. 9096-9098). In dit kader bestaat de actie van de commissie erin, wanneer tijdens controles verdachte transacties worden vastgesteld, de betrokken instelling ertoe aan te zetten deze transactie aan de cel te melden. Er wordt vastgesteld dat de financiële instellingen, na de controles van de commissie, uiteindelijk zelf de cel informeren van ten onrechte nog niet eerder gemelde verdachte transacties. Behoudens specifieke gevallen heeft een bijkomende melding door de commissie in die omstandigheden geen toegevoegde waarde meer.
Wanneer de kennisgeving aan de cel, ondanks het verzoek van de commissie, niet gebeurt, gaat de commissie zelf over tot de melding aan de cel. Artikel 21 van de wet van 11 januari 1993 bepaalt namelijk dat wanneer de commissie feiten vaststelt die bewijsmateriaal voor het witwassen kunnen vormen, zij de cel daarvan op de hoogte brengt. Tot nu toe heeft de commissie aan de cel informatie overgemaakt in twee gevallen, waarbij het telkens ging om een reeks van verdachte verrichtingen, waarvan het totaal 205 922 459 frank bedroeg.
De commissie beschikt voorts over uitgebreide bevoegdheden om financiële instellingen die de witwaswetgeving niet naleven te sanctioneren. Met toepassing van artikel 22 van de wet van 11 januari 1993 kan de commissie bij niet-naleving van deze wet administratieve geldboetes opleggen en haar beslissingen publiek maken. Dit is in de praktijk reeds twee keer gebeurd ten aanzien van kredietinstellingen, onder meer omwille van tekortkomingen inzake de meldingsplicht van verdachte transacties aan de cel. Op grond van de door het geachte lid aangehaalde wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen en van de andere controlewetgevingen kan de commissie eveneens maatregelen treffen die kunnen gaan tot de schorsing of herroeping van de vergunning van de instelling.
Volledigheidshalve dient te worden opgemerkt dat de commissie in voorkomend geval rechtstreeks aan het parket aangifte doet van vaststellingen inzake witwassen van geld. In artikel 40 van het koninklijk besluit nr. 185 van 9 juli 1935 op de bankcontrole en het uitgifteregime voor titels en effecten, wordt immers een uitzondering gemaakt op het beroepsgeheim van de commissie wanneer bij het gerecht aangifte wordt gedaan van door haar vastgestelde misdrijven (waaronder het witwassen van geld) waarvan sprake in het koninklijk besluit nr. 22 van 24 augustus 1934 waarbij aan bepaalde veroordeelden en aan gefailleerden verbod wordt opgelegd om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen en waarbij aan de rechtbanken van koophandel de bevoegdheid wordt toegekend dergelijk verbod uit te spreken.