(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans
Door de wet op de verlengde minderjarigheid (wet van 29 juni 1973 - art. 487bis en volgende van het Burgerlijk Wetboek) wordt voorzien dat in geval van voogdij, behoudens bepaalde afwijkingen voorzien door eerstgenoemde wet, de gewone bepalingen betreffende de voogdij vermeld in het Burgerlijk Wetboek van toepassing zijn (art. 487octies ).
Zoals bekend is de klassieke voogdij over minderjarigen eerder van beperkte duur, aangezien deze een einde neemt waneer de pupil de leeftijd der meerderjarigheid (18 jaar) bereikt. Het is dan ook op dit moment dat de voogd aan de gewezen minderjarige een afrekening dient voor te leggen van zijn beheer (art. 469 van het Burgerlijk Wetboek). Ook is het zo dat de familieraad kan eisen dat de voogd op gezette tijden staten omtrent zijn beheer zou voorleggen; dit blijft echter meestal dode letter.
In het kader van de verlengde minderjarigheid eindigt de voogdij in principe bij het overlijden van de pupil (onomkeerbaar karakter van de mentale handicap). Er zijn veel situaties bekend waarbij gedurende de ganse duur van de voogdij (die zich over talrijke jaren kan uitstrekken) geen ernstig toezicht uitgeoefend wordt op het beheer van de voogd, ondermeer rekening houdend met de onmondigheid van de pupil. Het beheer en het optreden van sommige voogden laat te wensen over. Een meer sluitende controle op dit beheer is dan ook wenselijk.
In dit verband kan nuttig verwezen worden naar het stelsel van de voorlopige bewindvoering (wet van 18 juli 1991 - art. 488bis van het Burgerlijk Wetboek). Artikel 488bis , C, § 3, voorziet immers dat de bewindvoerder jaarlijks rekenschap dient te geven van zijn beheer aan de vrederechter en aan de beschermde persoon.
Lijkt het niet aangewezen dat dergelijke controlemaatregel ook zou worden voorzien in geval een voogdij wordt ingesteld in het kader van de verlengde minderjarigheid, gelet op het gebrek aan initiatief van de meeste familieraden ?