Vragen en Antwoorden

Belgische Senaat

ZITTING 1995-1996


Bulletin 1-6

12 DECEMBER 1995

Vragen van de Senatoren en antwoorden van de Ministers

(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands ­ (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans


Minister van Sociale Zaken

Vraag nr. 28 van de heer Olivier d.d. 13 oktober 1995 (N.) :
Wijziging voorwaarden WIGW-statuut. ­ Risico uitsluiting van een summiere minderheid.

In het kader van de begroting besliste de regering om de voorwaarden van het statuut van de zogenaamde WIGW's (weduwen, invaliden, gepensioneerden en wezen) te verstrakken. Daarvoor zou de regering steunen op het « kadastraal systeem » van het Vlaams stelsel van studietoelagen dat bepaalt dat wanneer het kadastraal inkomen hoger is dan 20 pct. van het reële gezinsinkomen de studietoelage niet wordt toegekend.

Het Leuvense Hoger Instituut voor de Arbeid onderzocht de sociale effecten van deze kadastrale ingreep bij het stelsel van Vlaamse studiebeurzen. In haar conclusie stelt het Instituut dat het stelsel resulteert in de uitzuivering van heel wat onterecht hulpbehoevenden maar ook enkele perverse neveneffecten vertoont.

Een aantal mensen heeft immers zo'n laag gezinsinkomen, dat hun kadastraal inkomen sowieso hoger ligt dan 20 pct. van dit gezinsinkomen. Een kleine groep echte kansarmen wordt dus onterecht uitgesloten door het kadastraal systeem. Bij de studenten ging het om een summiere minderheid : 1 tot 5 pct. Bij de WIGW's, waar de gezinsinkomens traditioneel erg laag liggen, kan dit risico nog veel groter zijn.

Graag had ik van de geachte minister een antwoord op volgende vragen :

1. Zal de regering bij de verstrakking van het WIGW-statuut dezelfde « kadastrale criteria » hanteren als bij het stelsel van Vlaamse studiebeurzen ?

2. Indien ja, welke maatregelen zal de geachte minister nemen om de vermelde perverse neveneffecten te vermijden ?


Antwoord : In antwoord op zijn vraag kan ik het geachte lid het volgende meedelen.

Het is zo dat in de huidige toekenningsvoorwaarden van het recht op verhoogde tegemoetkoming wordt rekening gehouden met een inkomensgrens die niet mag overschreden worden. Om vast te stellen of die inkomensgrens wordt overschreden, wordt heden geen rekening gehouden met het kadastraal inkomen van het woonhuis waarvoor de gerechtigde aanspraak kan maken op de forfaitaire aftrek van het woonhuis in de personenbelasting.

In de huidige regeling kan in bepaalde gevallen soms een discrepantie worden vastgesteld tussen een relatief klein belastbaar gezinsinkomen dat werd aangegeven en een relatief hoog onroerend inkomen voor het woonhuis. Vandaar dat men zich de vraag kan stellen in hoeverre de toekenningsvoorwaarden van het recht op de verhoogde tegemoetkoming niet dienen te worden verfijnd of uitgebreid met criteria die ook rekening houden met de relatieve grootte van het onroerend inkomen van het woonhuis.

De wijze waarop en de mate waarin rekening moet worden gehouden met die criteria zal echter eerst het voorwerp moeten uitmaken van een voorafgaand onderzoek, waarbij precies aspecten als die welke het lid signaleert, in beschouwing zullen moeten genomen worden. Pas na zulk onderzoek zal duidelijk zijn tot welke aanpassing van de huidige regeling besloten zou moeten worden.