Vragen en Antwoorden

Belgische Senaat

ZITTING 1995-1996


Bulletin 1-4

7 NOVEMBER 1995

Vragen van de Senatoren en antwoorden van de Ministers

(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands ­ (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans


Minister van Landbouw en de Kleine en Middelgrote Ondernemingen (Landbouw)

Vraag nr. 7 van de heer Loones d.d. 21 september 1995 (N.) :
Vlaamse vissersvloot.

De Bijzondere Raadgevende Commissie voor de zeevisserij is terecht ongerust over een recente evolutie waarbij meer en meer Vlaamse vissersschepen eigendom van Nederlandse rederijen worden. Momenteel is tien procent (wat vijftien vaartuigen vertegenwoordigt) van de Vlaamse vissersvloot in Nederlandse handen. Investeerders uit eigen land blijken voor te koop aangeboden schepen geen hogere bedragen te kunnen neertellen dan de zeer kapitaalkrachtige Nederlandse rederijen.

Nog erger is het feit dat die ontvreemde vaartuigen anderzijds blijven varen onder Belgische vlag, weliswaar met Nederlandse bemanningen. Op die manier nemen ze een deel van de Belgische vangstkwota voor hun rekening. De vangsten worden nochtans niet verkocht in Vlaamse mijnen. Door het principe van non-discriminatie kan de Nederlandse eigenaars immers die verplichting niet worden opgelegd. Inmiddels derft ons land de toegevoegde waarde van de vangsten.

Officieel bestaat de Vlaamse vissersvloot nog uit 154 vaartuigen. De voorbije twee jaar werd één vierde van de vloot aan de sector onttrokken. Dat is onder andere het gevolg van het meerjarig oriëntatieprogramma (MOP) van de Europese Commissie dat bepaalt dat het totale vermogen van de Vlaamse vissersvloot tegen eind 1996 moet gedaald zijn tot 92 260 pk. De uitkering van een beëindigings- of slopingspremie is een aanmoediging om de visserij stop te zetten. Verder rekening houdend met het aantal vaartuigen dat non-actief aan de kades ligt, en met de vervreemding van 15 vaartuigen, telt de Vlaamse vissersvloot nog een 130-tal schepen. Dat is al flink beneden de aanvaarde drempel van 160 vaartuigen om de gehele sector (met nevenondernemingen, toeleveringsbedrijven, verwerkingsfirma's, enz.) leefbaar te houden. Een ander gevolg van de daling van het aantal vaartuigen is uiteraard een massale vlucht van kapitaal en gespecialiseerde, niet zo maar onmiddellijk vervangbare arbeid (indien later betere tijden zouden aanbreken).

Een ander probleem is de import van goedkope vis uit ontwikkelingslanden. Een en ander veroorzaakt door het gekende sneeuwbaleffect weinig enthousiasme bij reders om te investeren. Het beleidsklimaat is te onzeker. De Vlaamse zeevisserij is dus duidelijk erg ziek...

1. Welke maatregelen kondigt de geachte minister aan opdat de vervreemding van Vlaamse vissersvaartuigen zou ingedijkt worden ?

2. Meent de geachte minister dat de Vlaamse visserijsector nog leefbaar is met amper 130 vaartuigen ? Hoe schat hij de toestand zelf in ?

3. Welk overleg, met de sector zelf, met de Vlaamse regering en met de Europese Commissie kondigt hij aan om het tij te doen keren ? Welke maatregelen stelt de geachte minister in het vooruitzicht ?


Antwoord : 1. Het zogenoemde « quotahopping » is in de EG een bekende maar moeilijke zaak. Ook België ontsnapt niet aan dit probleem dat in nog grotere mate bestaat in het Verenigd Koninkrijk en in Duitsland. Eventueel te nemen maatregelen om de vervreemding van vissersvaartuigen tegen te gaan mogen niet discriminerend zijn ten aanzien van de nationaliteit van de eigenaars van de vaartuigen. Echt effectieve maatregelen die slechts van toepassing zijn op de « quotahoppers » en niet op de echte Belgische vissersvaartuigen, zijn dan ook moeilijk te vinden.

In mijn antwoord van 28 augustus 1995 op een brief van de Bijzondere Raadgevende Commissie voor de zeevisserij die hetzelfde probleem naar voor bracht, heb ik als mogelijke oplossing gesuggereerd dat aan jonge schippers die hun bekwaamheid reeds bewezen hebben, de kans zou gegeven worden een vaartuig aan te kopen. Daartoe zou ongetwijfeld staatswaarborg nodig zijn vermits de banken in de huidige crisissituatie geen vertrouwen meer hebben in de sector en de jonge schippers niet over de nodige waarborgen beschikken.

Op deze wijze zou er meer kans bestaan dat onze vaartuigen in Belgische handen blijven en terzelfder tijd zouden wat meer perspectieven voor de jonge vissers gecreëerd worden.

2. De huidige quota moeten onder minder vaartuigen verdeeld worden, de leefbaarheid zou dus in normale omstandigheden moeten toenemen. Als gevolg van de lage prijzen is dit evenwel niet het geval.

Verder is het feit dat een 15-tal vaartuigen in Nederlandse handen gekomen zijn nefast voor onze vismijnen en toeleveringsbedrijven aan land. De omzet van deze bedrijven wordt te klein om rendabel te kunnen werken.

De vraag kan hierbij gesteld worden of in de huidige omstandigheden een versnippering van de visserijactiviteit over de verschillende havens bijdraagt tot de rentabiliteit van vismijnen en nevenbedrijven.

3. Overleg met de sector en de Vlaamse Gemeenschap is noodzakelijk. Ik heb dan ook aan mijn administratie de opdracht gegeven tijdens de eerstkomende vergadering van de Overlegcommissie waarin naast het ministerie van Middenstand en Landbouw eveneens de Rederscentrale en de Vlaamse Gemeenschap zetelen, deze aangelegenheid te onderzoeken en mij daarvan een rapport over te maken.