Vragen en Antwoorden

Belgische Senaat

ZITTING 1995-1996


Bulletin 1-24

23 JULI 1996

Vragen waarop niet werd geantwoord binnen de tijd bepaald door het reglement
(Art. 66 van het reglement van de Senaat)

(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands ­ (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans


Minister van Volksgezondheid en Pensioenen (Volksgezondheid)

Vraag nr. 52 van de heer Boutmans d.d. 19 juni 1996 (N.) :
Raad van de Orde van geneesheren. ­ Informatieverplichting.

De Orde van geneesheren neemt onder meer kennis van klachten over wanpraktijken van artsen (art. 28.3 besluitwet van de orde). In zo'n geval laat het college aan de klager weten of het de zaak naar de Raad van de orde verwezen heeft. Indien er géén vervolging komt, heeft de klager het recht te laten weten dat hij het daar niet mee eens is, en om een heroverweging te verzoeken.

Verder legt de wet evenwel geen enkele openheid ten aanzien van de klager op. De rechten van de benadeelde patiënt zijn, ten aanzien van de orde, uitermate beperkt. Men beroept zich daarvoor op de puur professionele aard van de rechtspraak van de orde. De patiënt kan immers nog altijd een civiele of strafrechtelijke rechtsgang kiezen.

Evenwel : niet alleen wordt hij niet bij de procedure betrokken, maar de Orde van geneesheren weigert blijkbaar vragen naar de afloop te beantwoorden.

Minstens één recent geval van uitdrukkelijke weigering een vraag daaromtrent te beantwoorden is mij bekend (orde te Antwerpen, die stelt dat de wet het haar niet toestaat), maar navraag leert dat de orde ook elders en in andere gevallen dit standpunt aanhoudt.

Dat de wet de klager het recht geeft te vernemen of de arts vervolgd wordt, lijkt logischerwijs nochtans tot gevolg te moeten hebben dat de klager ook op de hoogte mag worden gehouden van de uitslag.

Immers : de wet bevat geen uitdrukkelijk verbod om de klager op de hoogte te brengen van de uitspraak, of minstens van de mate waarin de arts is vrijgesproken, dan wel schuldig bevonden aan een vergrijp tegen de deontologie.

Noch professor H. Nys (« Geneeskunde » in de Algemene Praktische rechtsverzameling ), noch Panier (« Considérations sur la situation juridique des tiers au regard des procédures disciplinaires dans les ordres professionnels », in Annales de Droit, Louvain, 1984, p. 380) vermelden een verbod om zo'n mededeling te doen (geen van beiden bespreken ze de kwestie expliciet).

Is de geachte minister van mening dat de orde gelijk heeft met deze « discretie » die niet meer van deze tijd lijkt te zijn ? Is de houding niet in strijd met de elementaire beleefdheid, daar de orde tot taak heeft de deontologie te handhaven, en zij de klager dus dankbaar zou moeten zijn haar aandacht op een mogelijke overtreding te hebben gevestigd ? Is er ook geen educatief aspect aan ten aanzien van de klager, aan wie bijvoorbeeld kan worden uitgelegd waarom wel of niet een tuchtvergrijp bewezen werd geacht ?

Is het in ieder geval geen elementair recht voor een patiënt om minstens te weten wat er van zijn klacht terecht is gekomen of ­ als het onderzoek ambtshalve of op klacht van een collega-arts is gestart ­ om op zijn verzoek bericht te krijgen van de uitspraak ? Is de afwezigheid van een minimaal recht op informatie niet in strijd met de hedendaagse opvattingen over patiëntenrechten, en over slachtofferhulp (klagers hebben dikwijls een zéér zware beroepsfout ondergaan met soms erge medische gevolgen).

Indien de geachte minister meent dat de wet de geheimhouding op zo'n drastische manier oplegt, waarop is dit dan gebaseerd ? Is hij dan niet van mening dat het beter zou zijn de wet aan te passen ?

Indien de geachte minister meent dat de huidige wet geen informatieverbod ten aanzien van klagers en belanghebbenden inhoudt, is het dan niet aangewezen de ordes op te roepen dit minimum aan verantwoording, openheid en zelfs beleefdheid aan de dag te leggen ?