Vragen en Antwoorden

Belgische Senaat

ZITTING 1995-1996


Bulletin 1-23

16 JULI 1996

Vragen van de Senatoren en antwoorden van de Ministers

(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands ­ (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans


Vice-Eerste minister en minister van Financiën en Buitenlandse Handel (Financiën)

Vraag nr. 66 van de heer Hostekint d.d. 22 maart 1996 (N.) :
Grensarbeid. ­ Dubbelbelasting.

In de Westvlaamse regio zijn een aantal Franse chauffeurs, woonachtig in de Franse grensstreek, werkzaam voor Belgische transportbedrijven die eveneens in de grensstreek gelegen zijn.

Tot op heden kregen deze chauffeurs vanwege de plaatselijke administratie der Belastingen steeds de hoedanigheid van grensarbeider toegewezen. Zij betaalden in het kader van het Frans-Belgisch dubbelbelastingakkoord van 10 maart 1964 hun belasting in Frankrijk.

Mits indiening van een grensarbeidsformulier 276 F konden betrokkenen ook de terugbetaling van de ingehouden bedrijfsvoorheffing op de eindejaarspremie bij het Sociaal Fonds vervoer en op het jaarlijks vakantiegeld bij de Rijksdienst voor jaarlijkse vakantie verkrijgen.

Naar aanleiding van een tussenkomst bij de administratie der Directe Belastingen, BCT Bruxelles-Etranger, stelde deze dienst dat in toepassing van artikel 11, § 2, b, 2e alinea, van het Frans-Belgisch dubbelbelastingakkoord, de lonen van de chauffeurs internationaal vervoer die op het grondgebied van beide Staten circuleren, alleen belastbaar zijn in het land waar de werkgever gevestigd is.

Deze dienst verwijst tevens naar het ministerie van Financiën, Directe Belastingen, controle Gent-Buitenland, die nu stelselmatig aanslag vestigt op de in België verworven inkomsten van chauffeurs internationaal vervoer alhoewel op deze inkomsten reeds in Frankrijk belasting werd geheven.

In het Belgisch-Nederlands verdrag bijvoorbeeld werd er echter afgesproken dat de hoedanigheid van grensarbeider niet wordt geweigerd aan een chauffeur in dienst van een transportonderneming wanneer hij vanuit een vast punt in de grensstreek zijn werkzaamheden aanvat, ongeacht de plaats van zijn werkzaamheden. Dit principe werd reeds bevestigd door het Hof van beroep te Brussel op 12 januari 1993.

Ik had dan ook graag van de geachte minister antwoord gekregen op de volgende vragen :

1. Voorziet het Frans-Belgisch dubbelbelastingakkoord naast het boven geciteerde artikel 11, § 2, b , 2e alinea, een uitzonderingsmaatregel voor internationale chauffeurs-grensarbeiders zoals dit wel is afgesproken in het Belgisch-Nederlands verdrag ?

2. Kan ­ indien dergelijke uitzonderingsmaatregel niet voorzien is in het Frans-Belgisch verdrag ­ in de huidige Europese wetgeving ter zake deze ongelijkheid tussen de inwoners van Europese lidstaten gehandhaafd worden ?

3. Heeft de geachte minister de intentie om ter zake initiatieven te nemen om de gelijkberechtiging van de inwoners van de Europese lidstaten die in dusdanig geval verkeren, te waarborgen ?

4. Kan de Belgische administratie der Directe Belastingen een ambtshalve aanslag vestigen op een inwoner van een andere Europese lidstaat ­ in casu Frankrijk ­ wanneer er in dit land reeds een aanslag gevestigd werd op het inkomen van deze inwoner ?


Antwoord : Het geachte lid gelieve hierna het antwoord op zijn vragen te willen vinden.

1. Het antwoord op deze vraag luidt ontkennend. In tegenstelling tot de op 19 oktober 1970 tussen België en Nederland gesloten overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting omvat de op 10 maart 1964 tussen België en Frankrijk gesloten overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting een bijzondere regeling voor bezoldigingen van personen die dienst doen op vervoermiddelen (niet zijnde schepen of luchtvaartuigen in internationaal verkeer of schepen dienend tot het vervoer in de binnenwateren) welke het vervoer op het grondgebied van de beide verdragsluitende Staten onderhouden in het door het geachte lid geciteerde artikel 11, § 2, b , tweede alinea. Een bijzondere regeling in de zin van die welke voor internationale chauffeurs met de Nederlandse belastingadministratie voor de toepassing van voormelde Belgisch-Nederlandse overeenkomst is overeengekomen zou in strijd zijn met het bepaalde in voormeld artikel 11, § 2, b , tweede alinea.

2. Zelfs indien de bepalingen waarbij de heffingsbevoegdheid over de bezoldigingen van internationale chauffeurs wordt geregeld niet identiek zijn in alle door België gesloten overeenkomsten ter voorkoming van dubbele belasting die op dit ogenblik van kracht zijn, zijn die bepalingen niet in strijd met van toepassing zijnde bepalingen op het niveau van de Europese Unie.

3. Bewust zijnde van de problemen aangaande de fiscale behandeling van internationale chauffeurs zal de Belgische administratie trachten bij de onderhandeling van nieuwe overeenkomsten passende oplossingen te vinden.

4. De administratie der Directe Belastingen mag een aanslag ­ indien nodig van ambtswege ­ vestigen ten laste van een inwoner van een andere Staat indien blijkt dat de betrokkene inkomsten heeft verkregen die aan de Belgische inkomstenbelastingen zijn onderworpen overeenkomstig het Wetboek der inkomstenbelastingen 1992 en voor dewelke, indien België een overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten met die andere Staat, de heffingsbevoegdheid aan België wordt toegekend ingevolge de bepalingen van die overeenkomst. Het feit dat bedoelde inkomsten reeds in het buitenland werden belast vormt geenszins een beletsel voor de vestiging van de aanslag die in België is verschuldigd.

Indien een inwoner van Frankrijk evenwel oordeelt dat de aanslagen die te zijnen laste worden gelegd of waarvan de vestiging te zijnen laste wordt overwogen, voor hem hebben geleid of moeten leiden tot een dubbele belastingheffing waarvan het in stand houden onverenigbaar zou zijn met de bepalingen van de op 10 maart 1964 tussen België en Frankrijk gesloten overeenkomst ter vermijding van dubbele belasting, kan die inwoner van Frankrijk, onverminderd het gebruik van zijn rechten inzake bezwaar en verhaal volgens de interne wetgeving van zowel België als Frankrijk, overeenkomstig het bepaalde in artikel 24, § 3, van diezelfde overeenkomst bij de Franse belastingadministratie een schriftelijk en met redenen omkleed verzoek tot herziening van deze aanslagen indienen.

Dit verzoek moet worden ingediend vóór het verstrijken van een termijn van zes maanden ingaande op de datum van de betekening of van de heffing bij de bron van de tweede aanslag. Indien de Franse belastingadministratie de gegrondheid van dit verzoek erkent en indien zij niet zelf in staat is tot een bevredigende oplossing te komen, zal de Franse belastingadministratie de aangelegenheid in onderlinge overeenstemming met de Belgische belastingadministratie trachten te regelen ten einde een dubbele belastingheffing te vermijden.